Jakob Lorber

 

Brieven van Jezus en Abgarus

Geïnspireerd ontvangen en op schrift gesteld

Uitgeverij Ankh-Hermes bv Deventer

Woord vooraf

 

Volgens het evangelie van Johannes 20:30, heeft de Heiland vele tekenen gedaan die daarin niet zijn opgenomen. Het had immers nauwelijks anders gekund?

Drie jaren lang, dag aan dag heeft de Heer gepredikt, zieken genezen, bedroefden ge­troost en wonderen gedaan. Hoe zou dat al­lemaal kunnen zijn vastgelegd op het geringe aantal bladzijden van de vier evangeliën? Veel echter van wat niet in de evangeliën werd vastgelegd is niettemin door de traditie doorgegeven. Deze traditie ofwel overleve­ring werd later alsnog gedeeltelijk vastge­legd, niet altijd volledig overeenkomstig de waarheid, waarbij volksfantasie veelal een rol speelde, soms ook was sprake van opzet­telijke vervalsing. In de eerste eeuwen van het christendom is op deze wijze zeer veel li­teratuur ontstaan, die weliswaar een schat aan informatie bevatte, maar die niet onbe­perkt zonder bedenkingen kan worden er­kend als 100% betrouwbaar. Deze derhalve nauwkeurig te schiften literatuur, die al spoedig ontstond na het ontstaan van de be­kende thans geautoriseerde H. Schrift, heeft de kwalificatie 'apocrief' gekregen. Deze aanduiding is afgeleid van het Griekse apo­gryphos, hetwelk betekent 'geheim, verbor­gen'. Het is waarschijnlijk,dat oorspronkelijk met dit woord uitsluitend die geheime boeken werden aangeduid, die alleen toegankelijk waren voor de ingewijden. Hoe dat ook zij, het is begrijpelijk dat de jonge Kerk van meet af aan die mystische en vreemde geschriften, die niet zelden door hun vaak speculatief ka­rakter onverenigbaar bleken met de heilige leer van Christus, als zijnde onbetrouwbaar voor algemene lezing verboden heeft.

Deze aanduiding 'apocriefen' echter bleef niet strikt beperkt tot die met name genoem­de geschriften, waarvan de Kerk de inhoud al.s dwaalleer had veroordeeld, ze werd op den duur óók gebruikt voor aanduiding van al die teksten, waaraan de kwalificatie 'geïn­spireerd' terecht of ten onrechte werd ont­houden en die dus op grond daarvan niet werden opgenomen in de canon van de H. Schrift. Daartoe behoorden dus ook boeken, die wel de zuivere en juiste leer bevatten, en waarvan een particulier gebruik daarom door de kerkvaders werd toegelaten, terwijl het gebruik ervan voor openbare lezing in christelijke gemeenten verboden was. Daar­uit moet de interesse worden verklaard die wij voor deze veelomvattende literatuur op­brengen, omdat daarin mede de begintijd van het christendom weerspiegeld wordt.

Wij treffen daaronder dan ook, naast stuk­ken met aanvechtbare inhoud, goede ge­schriften aan, zuivere erfstukken van zuivere overlevering. En, alhoewel de Kerk (die er vóór alles voor wilde waken dat de zuiver­heid van het evangelie smetteloos bewaard bleef) deze geschriften veelal niet als authen­tiek Godswoord 'garandeerde', heeft zij hen toch ook weer niet ontzegd te mogen clai­men dat zij vaak diepe uitdrukkingen waren van christelijke traditie.

(Aldus Jacques Hervieux in Was nicht im Evangelium steht. ..Aschaffenburg, Patt­lochverlag, 1959, blz. 6 en 7)

Eén van deze vroeg-christelijke apocriefe do­cumenten nu is de briefwisseling tussen Jezus en Abgarus Ukkama, koning van Edessa. Al­hoewel vele theologen aan de echtheid van deze briefwisseling wensen te twijfelen, ge­schiedkundig staat niettemin vast, dat er een zekere koning Abgarus V, Ukkama, als vijf­tiende koning dat landje, toen Osrhoene ge­naamd, waarvan Edessa de hoofdstad was, heeft geregeerd. Volgens de kronieken van Edessa stond hij namelijk tweemaal aan het hoofd van zijn land in de jaren 4 v. Chr. tot 7 n. Chr. voor de eerste maal en vervolgens van het jaar 13 n. Chr. tot het jaar 50. (Untersuchungen uber die Geschichte des Ko­nigreiches Osrhoene, Gutschmid. Mem. v. d. Acad. v. St. Petersburg. ..Dict. Theol. Cath., Dl. I, kol. 67, zie onder Abgar, door J. Parisot).

De stad Edessa is het oudste uitstralingsge­bied van het Aramese christendom. Op mo­derne atlassen vindt men deze naam niet te­rug; tegenwoordig heet deze plaats namelijk Urfa; de locatie is in het zuidelijke bergge­bied van het huidige Turkije; aan een kleine rivier zonder bekende naam, maar die teza­men met enkele andere riviertjes, o.a. de Be­lich, een zijrivier vormt van de Eufraat.

Osrhoene was in Jezus' tijd een koninkrijkje onder een joodse dynastie, hetwelk dus al heel vroeg christelijk is geworden.

Abgarus, Syrisch Abgär; Grieks Abgaros of Augaros, is een eigennaam van semietische oorsprong. Kenners van de Syrische taal zien in Abgär een synoniem van (h)agirca = hin­kend... Het is wellicht een verwijzing naar de lichamelijke toestand van Abgarus, die misschien een been/voet-lijden heeft gehad, dat dan vermoedelijk de aanleiding heeft ge­vormd tot zijn verzoek aan de Grote won­derdoener uit Palestina om hem van zijn ja­renlange lijden te bevrijden...

Ukkama was de bijnaam van de koning, na­melijk ukhámá = zwart, dus 'de zwarte' (Zie Assémani: Bibliotheca orientalis. Roma 1719 d1.I, kolom 420)

 

Volgens Augustinus (verg. Contra Faust 28,4; De Consensu Evangelistarum, I, 7, 11.) zouden er van Jezus geen echte brieven bestaan; maar is deze categorische negatie wel juist? In het algemeen zeker niet: in de Syrische kerk stond de traditie van deze briefwisseling van Jezus met koning Abgarus onomstotelijk vast, hetgeen blijkt uit vroeg­christelijke Syrische documenten. De Syri­sche liturgie houdt deze briefwisseling dan ook voor een historisch gegeven. De 'Doctri­na Addai', waarschijnlijk uit de 4e eeuw, neemt deze oude traditie over .

Opmerkelijk is het ook, dat er te Edessa reeds vóór het jaar 170 een belangrijke chris­telijke gemeenschap bestond; er moeten dus al vroegtijdig christelijke geloofsverkondi­gers naar toe gekomen zijn. (Zie Bibliotheca Orientalis DI.I, kol. 393; Dict. Theol. Cath. Dl. I, kol. 68-72)

In zijn Histoire politique, religieuse et litte­raire d'Edesse vestigt Ruben Duval er de aandacht op dat de oude traditie van de cor­respondentie van Jezus met Abgarus in de Oriënt steeds grote weerklank heeft gevon­den. (Paris 1892, Extrait du Journal asiati­que.)

De meest eminente getuige voor de echtheid van deze briefwisseling is echter Eusebius van Caesarea, die in het jaar 339 overleed, na tijdens zijn leven op de drempel te hebben gestaan tussen twee perioden van de wereld­geschiedenis. Hij kan namelijk door zijn op­voeding, zijn interessen en zijn 'de opbrengst van het verleden samenvattende' werken nog worden gerekend te behoren tot de tijd vóór 'Nicea', terwijl hij later, als bisschop en kerkhistoricus in het centrum staat van het (toen)-nieuwe tijdperk van Constantijn. In Palestina in het jaar 263 geboren, ontving hij zijn geleerde opvoeding van Pamphilius aan de te Caesarea door Origenes gevestigde school met haar beroemde bibliotheek. Als bisschop van Caesarea (sedert 313) kreeg hij grote invloed op keizer Constantijn, niet in het minst door zijn grote geleerdheid. Deze Eusebius zal voor altijd geboekstaafd blijven als de grote geschiedschrijver van de christe­lijke oudheid.

Zijn voornaamste werk is ongetwijfeld zijn 'Kerkgeschiedenis', vanaf de stichting tot aan de zege van Constantijn over Licinus in het jaar 324, welke geschiedenis een bonte verzameling van data vrijwel chronologisch samenvat, en waarin tevens excerpten zijn opgenomen uit de oud-christelijke literatuur en essays over allerlei studies en documenten (totaal 10 delen). Dit werk werd reeds uitge­geven (toen nog 'slechts' zeven delen), voordat keizer Diocletianus in het jaar 303 de christenen begon te vervolgen... Door de el­kaar daarna snelopvolgende gebeurtenissen met wereldwijde strekking die van groot be­lang waren ook voor de religieuze verhou­dingen in de wereld, werd Eusebius echter genoodzaakt er meerdere malen uitbreiding aan te geven. Nog in de vierde eeuw werd dit immense werk vertaald in het Syrisch en la­ter tevens in het Armeens. Een Latijnse verta­ling, waarin Rufinus het werk bijwerkte tot het jaar 395 werd voltooid in het jaar 403 (Zie Patrologie van Berthold Altaner, Her­der 1938)

Deze uitmuntende geschiedkundige, die ook wel de Herodotus der christenheid wordt ge­noemd en de Vader van de Kerkgeschiede­nis; die een encyclopedische kennis van de eerste eeuwen christendom heeft bezeten, schrijft in het eerste boek van zijn kerkge­schiedenis ' dat hij deze briefwisseling in de archieven van de stad Edessa heeft gevon­den' in de koninklijke documenten-verzame­ling. Hij vermeldt tevens dat hij deze brief­wisseling van Jezus met Abgarus met grote zorgvuldigheid heeft vertaald uit het Syrisch in het Grieks!

In aansluiting op deze vermeldingen doet Eu­sebius dan de vertaling volgen van de twee eer­ste brieven(!); waarschijnlijk ten bewijze er­van dus dit excerpt, hetgeen tezamen met de verwijzing naar de voornoemde archieven kon volstaan. Het geheel wordt dan gecomple­teerd door een bericht over de missie-activi­teit van een zekere Thaddéus ( of Addeus ), die -als een van de twaalf apostelen -door Tho­mas  of door Judas naar Edessa zou zijn gezon­den om aldaar het evangelie te verkondigen. Deze Thaddéus zou koning Abgarus verder hebben onderricht in Jezus' leer; hij zou hem ook hebben genezen en vervolgens een groot gedeelte van de bevolking hebben bekeerd.

Ook in de zgn. Doctrina Addai (Addaei?/ Thaddaei?) worden deze bijzonderheden aangetroffen. Dit in het Syrisch gestelde do­cument geeft trouwens óók die beide eerste brieven van Abgarus, resp. van Jezus. Hier­bij dan nog tevens de mededeling dat een koerier van Abgarus voor zijn koning (inder­daad) een portret van Jezus zou hebben vervaardigd.

Vermoedelijk door oorlogsgeweld zijn de oorspronkelijke documenten uit het archief van Edessa geheel en al verloren gegaan, zo­dat ons slechts het afschrift van Eusebius rest als oudste geschiedkundig bewijs. Maar op­dat niets van wat de Godmens op aarde heeft onderwezen voor altijd verloren zou blijven, heeft Gods Genade ons alsnog via Jakob Lorber opnieuw in het bezit gesteld van deze Godsbrieven.

Daartoe heeft Gods Innerlijke Stem de volle­dige briefwisseling van Jezus met Abgarus aan Jakob Lorber, de schrijfknecht Gods ­zo noemde hij zichzelf­ teruggegeven. Al­hoewel wij kunnen vaststellen dat deze op­nieuw gedicteerde brieven van Jakob Lorber exact overeenstemmen met de bekende twee brieven bij Eusebius, die evenwel in het Grieks zijn gesteld, is het duidelijk dat de aan Jakob Lorber gedicteerde correspondentie beslist in oorspronkelijk Duits zijn gegeven; het kunnen dus geen vertalingen zijn uit het Syrisch of uit het Grieks, noch uit het Latijn.

 

Inhoudelijk is deze correspondentie een evangelie in zeer beknopte vorm te noemen. De gewichtigste leerstukken en de essentie van Christus' Heilsboodschap vinden wij hier terug in een geniale korte samenvatting. De liefde van onze hemelse Vader biedt ons ook in deze Brieven van Jezus het Genadege­schenk van onze verlossing en opstanding tot het Kindschap Gods.

 

Jakob Lorber, de schrijvende profeet Gods voor onze tijden, leefde en werkte te Graz (6), waar hij in 1864 stierf. De echtheid van de goddelijke inspiratie in verreweg de mees­te van zijn werken staat onomstotelijk vast en is als zodanig op alle desbetreffende crite­ria uiterst serieus onderzocht en door eigen­tijdse getuigen, waarvan de integriteit niet kan worden betwijfeld, bevestigd. Zie hier­voor de korte maar degelijke biografie van Jakob Lorber door Karl, Ritter von Leitner. (Binnenkort bij dezelfde uitgever)

 

R. E. van Eupen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eerste Brief van Abgarus aan Jezus, de Heiland

 

Van Abgarus, vorst van Edessa, aan Jezus, de goede Heiland, die in het land van Jeruzalem is verschenen: alle goeds!

2 Ik heb van U gehoord en van Uw genezin­gen; hoe U die namelijk verricht zonder aan­wending van medicijnen of kruiden.

Naar verluidt doet U de blinden zien en de lammen lopen; de om hun melaatsheid uit de maatschappij verbannenen zoudt Gij reini­gen; de onreine geesten zoudt Ge uitdrijven, en Ge zoudt degenen, die lijden aan langdu­rige ziekten genezen, terwijl Ge zelfs doden zoudt hebben opgewekt!

3 Na het horen van al deze dingen, ben ik bij mijzelf tot de conclusie gekomen, dat één van déze mogelijkheden feitelijk waar moet zijn: ófwel Ge zijt God, Die uit de Hemel is neergedaald, ofwel Ge zijt, waar Ge tot deze dingen in staat zijt, toch tenminste een  Zóón van de grote God !

4 Door middel van dit schrijven moge ik U verzoeken Uzelf de moeite te geven om naar mij toe te komen, om de ziekte waaraan ik lijd te genezen!

5 Ook heb ik gehoord dat de joden tegen U tekeer gaan en U kwaad willen doen. Ik nu heb hier een weliswaar kleine, maar goed­geordende stad, die voor ons beider behoefte genoeg op kan brengen. Komt U dus, hoog­geachte Vriend Jezus, naar mij toe, en vestigt U hier bij mij in mijn stad; het is hier een stadstaat. Hier zal iedereen U op handen dragen en U van harte toegenegen zijn!... Met een allerinnigst verlangen wacht ik op U!

6 Brenger dezes is mijn trouwe dienaar Bra­chus.

 

Antwoord van Jezus

 

Beste Abgarus, omdat Ge Mij niet hebt ge­zien, en toch gelooft, zal zaligheid Uw deel zijn! Want over Mij staat geschreven, dat de­genen die Mij hebben gezien Mij niet zullen geloven opdat zij, die Mij niet hebben gezien mogen geloven en in eeuwigheid mogen le­ven!

2 Maar met betrekking tot hetgeen Ge Mij schrijft, namelijk dat Ik naar U toe zou moe­ten komen omdat Ik in het land van de joden word vervolgd, moet Ik U dit zeggen: Het is nódig dat al datgene, waartoe Ik in de wereld ben gekomen hier ter plaatse aan Mij worde vervuld, en dat Ik, nadat dit allemaal aan Mij binnenkort vervuld zal zijn, naar Hem op­stijge, van Wien Ik van alle eeuwigheid ben uitgegaan!

3 Ik moge U derhalve aanraden geduld te be­trachten in het geringe lijden dat U moet on­dergaan. Zodra Ik in de hemelen zal zijn op­genomen, zal Ik U een van Mijn leerlingen zenden, die Uw ziekte zal genezen, en die U en allen die bij U zijn de ware (geestelijke) ge­zondheid zal brengen!

4 Geschreven door Jacobus, een van de leer­lingen van Jezus Christus, en vanuit de streek van Genezareth verzonden per Brachus, 's konings koerier.

 

5 Kort nadat Abgarus deze hemelse bood­schap van de Heer Jezus had ontvangen, ge­beurde het dat de oudste zoon, de troonop­volger van deze koning, een doodernstige, hevige koortsen verwekkende ziekte opliep, waarvan alle dokters in Edessa beweerden dat die ongeneeslijk was. De arme Abgarus werd hierdoor bijna wanhopig. In deze alles­overheersende droefheid schreef hij opnieuw aan de goede Heiland:

 

 

Tweede Brief van Abgarus aan Jezus

 

Abgarus, een onbeduidende vorst te Edessa, aan Jezus, de goede Heiland, Die in de lan­den rondom Jeruzalem is verschenen, alle goeds en alle eer aan God!

2 O mijn Jezus, goede Heiland, ik moet U be­richten dat mijn oudste zoon, die mijn troon zou moeten erven, en die zich tezamen met mij al zo bijzonder over Uw komst naar onze stad had verheugd, doodziek is geworden! Een kwade koorts, die hem elk ogenblik zou kunnen doden, heeft hem aangetast. Maar ik weet dat U, naar mij door mijn koerier is be­zworen, dergelijke ziekten zonder medicijn en uitsluitend door Uw woord en wil op af­stand kunt genezen!

O Jezus, goede Heiland, Gij waarachtige Zoon van de Allerhoogste God, want dat zijt Ge ongetwijfeld, Iaat mijn zoon, die zó veel van U houdt, dat hij zelfs bereid is om voor U te sterven, aldus door het machtige woord van Uw wil weer gezond worden!

3 O Jezus, goede Heiland, verwijst U mij nu toch alstublieft niét -ik ben immers ook zelf niet gezond -naar een tijdstip dat ligt Uw terugkeer naar de Hemel, zoals U mij alreeds eerder deed weten. Helpt U toch, helpt, helpt direct mijn zoon!

4 Geschreven in mijn stad Edessa, en overge­bracht door dezelfde trouwe bode als van de vorige briefwisseling.

 

Antwoord van Jezus

 

Goede Abgarus, gróót is Uw geloof! Groot genoeg opdat ik Uw zoon op grond dáárvan zou kunnen beter maken! Maar, omdat Ik bij U méér liefde vond dan in Israël, dáárom wil ook Ik voor U méér doen, dan wanneer  Ge alleen-maar-gelóófd had!

2 Als Heer van de Eeuwigheid, Die nu op­treedt als Leraar van de mensen en als Bevrij­der uit de eeuwige dood, zal Ik Uw zoon nog vóór mijn Hemelvaart het eeuwige leven schenken, omdat hij Mij, Dien hij niét heeft gezien en niét kent, van gans er harte heeft bemind, nog vóórdat Ik voor alle men­sen zal gaan lijden!

Dat betekent, beste Abgarus dat Ge Uw zoon weliswaar naar het lichaam zult gaan verlie­zen en voor déze wereld, maar dat Ge naar de géést hem duizendvoudig zult terugwin­nen in Mijn eeuwig Rijk! 

3 Denk dus niet dat Uw zoon als hij sterft  echt dood zal zijn! O neen!, want als hij sterft zal hij uit de slaap-des-doods-van-deze-we­reld ontwaken tot het werkelijke eeuwige Leven in Mijn Rijk, hetwelk een gééstelijk Rijk is, geen stoffelijk, lichamelijk rijk!

4 Daarom: laat uw ziel niet bedroefd wor­den! En weet dat Ik alleen DE HEER ben; wéét dit, hóór het, en zwijg erover! Naast Mij -buiten Mij -is er géén andere! Dat is de reden, waarom Ik, wat Ik doe, onafhankelijk doe! Niemand kan Mij opdragen dit te doen of dat niet te doen!

5 Alles wat Ik doe of toelaat, b. v. dat Ik Mij ­als was Ik een zwakke mens -láát vervol­ge, daarin heb Ik reeds voorzien en dat heb Ik zó geregeld vóórdat Ik de aarde heb gegrondvest en vóórdat Ik de zon, de maan en de sterren vanuit de hemel de aarde deed verlichten!

Dáártoe ben Ik namelijk van de Vader uitge­gaan -Die in Mij is, zoals Ik in Hem ben! De Vader is de Hoogste; Hij is namelijk Mijn Liefde, Mijn Wil! Maar de Geest, Die van Mij en van de Vader uitgaat, en Die werk­zaam is van Eeuwigheid tot Eeuwigheid, is de Heiligste! En Ik, Die U dit nu onthul, IK BEN DAT ALLES!

6 Wees dus niet bedroefd, want Ge wéét nu Wie Degene is, Die U dit alles heeft geopen­baard! Maar Ge moet over dit alles zwijgen, totdat Ik door de joden aan de Kruispaal zal worden opgehangen, waarvan U, zodra het plaatsvindt bericht zal geworden; anders zou de wereld vóór de daartoe bestemde tijd vergaan!

7 Zeer binnenkort zal er in Uw stad een ar­me jongeman aankomen. Die moet Ge opne­men, waardoor Ge Mijn Hart zult verheu­gen! Wees goed voor hem, omdat Ik zó'n grote dienst bewijs aan Uw zoon, dat Ik hem -vanwege zijn liefde jegens Mij -nog vóór Mijzelf dáárheen laat gaan, waarheen Ikzelf zal gaan Mijn verheffing aan het Kruis­hout. Amen.

 

8 Geschreven te Kana in Galilea door de leer­ling Johannes, en overgebracht door 's ko­nings koerier.

 

Derde Brief van Abgarus aan Jezus

 

Abgarus, onaanzienlijke vorst te Edessa, aan Jezus, de goede Heiland, die verschenen is in de landen rondom Jeruzalem, alle goeds in eeuwigheid !

2 Uit Uw heerlijke, genadevolle brief, die U, God de Heer van eeuwigheid, mij zo allerge­nadiglijkst hebt doen toekomen tot troost van mij en mijn zoon, en als antwoord op mijn vorige brief, die ik, stoffige worm, aan U had gericht, heb ik allerduidelijkst be­grepen dat in U de hoogste Liefde wonen moet! Anders zou het beslist onmogelijk zijn geweest dat U, de Enige Heer van alle heme­len zowel als van deze aarde, aan mij, die ten opzichte van U niet meer ben dan een worm, een zó krachtig werkende troost, krachtiger dan wat ook, zoudt hebben doen gewor­den... waarin U mijn, U bóven alles liefheb­bende zoon zó goed bedenkt!

Helaas kan ik daartegenover niets anders doen dan -voor Uw allerheiligste Naam wegzinkend in het stof van mijn nietigheid ­U de dank overbrengen van mijzelf en van mijn zoon! Ik smeek U, neemt deze, onze warmste dank aan als een onderpand van onze innige liefde, en wilt ons in Uw voor mij onbegrijpelijke Goedheid steeds genadiglijk gedenken!

3 Een paar dagen geleden heeft de liefde tot­ U van mijn doodzieke zoon mij geconfron­teerd met zijn liefdevol verlangen naar U!

Vergeeft U het mij Heer, dat ik U dit door middel van dit schrijven opnieuw doe weten; want ik weet heel wel dat onze gedachten U reeds éérder bekend zijn, dan ik en mijn zoon ze hebben gedacht!

Desniettegenstaande schrijf ik U toch als mens aan mens, en ik doe dat op aanraden van die arme jongeman, die U mij had aanbe­volen, en die zich thans in goede welstand bij mij bevindt. Hij zei mij dat wie van U iets ge­daan wil hebben, op déze wijze tot U moet naderen! 

4 Deze jongeman heeft ons te kennen gege­ven U te hebben gezien! Weliswaar kan hij slechts op heel eenvoudige wijze iemand uit­beelden, maar toch, naar het mij toeschijnt althans, zeer juist en treffend!

Deze jongeman, die mij vanwege zijn be­gaafdheden zeer dierbaar is, heeft ons on­langs tot onze grote vreugde Uw gestalte zó aanschouwelijk beschreven, dat ik en mijn zoon, die nog leeft maar uiterst zwak is, meenden U in levende lijve voor ons te zien  

Nu leeft er hier in mijn stad een zeer bedre­ven kunstenaar, een kunstschilder; deze heeft onmiddellijk naar de aanwijzingen van die jongeman, van U een borstbeeld geschil­derd! Door dit geschilderde portret werden mijn zoon en ik eens te meer verrast, toen die arme jongeman mij verzekerde dat U, o Heer, er precies zó uitziet!

5 Ik heb deze gelegenheid dan ook aangegre­ pen om door de koerier, die U dit-mijn-nede­rig-schrijven bezorgt, tevens Uw eigen por­tret aan U toe te zenden, zodat U het kunt bezien, en mij door de bode kunt doen weten of dit portret inderdaad gelijkend is. *

6 O Heer Jezus, goede Heiland voor alle mensen, wilt U ons hierom alstublieft niet hard vallen? Want het is niet uit minder­waardige nieuwsgierigheid, neen: door grote zuivere liefde tot U werden wij ertoe gedre­ven ons dit uiterst dierbare kleinood te laten vervaardigen voor onze harten, zodat wij ons althans een voorstelling van U kunnen maken, nu U toch immers zelf onze harten tot in hun diepste innerlijk met Uw Liefde hebt vervuld! U bent tot onze grootste rijk­dom geworden, tot onze grootste troost en tot een allerkostelijkst bruidsjuweel voor on­ze harten in leven en in dood!

7 O Heer, wilt alstublieft nooit ophouden ons in Uw Hart te gedenken! Uw voor ons heilige Wil geschiede!

 

*..Het is treffend, dat de eerste, echte en niet door mensen­hand gemaakte afbeelding van Christus -het Mandylion ­het Aanschijn van de lijkwade van Turijn, van Jeruzalem naar Edessa ging naar Koning Abgar v.

Zie: Jan Wilson, The Turin Shroud. Hfdst. 14 en 15. Pen­guin Books, 1978.

 

 

Antwoord van Jezus

(binnen tien dagen ingekomen via dezelfde koninklijke koerier)

 

Mijn Zegen, Mijn Liefde en Mijn Genade zijn mét U, geliefde zoon Abgarus!

2 Meer dan eens zeg Ik hier in Judéa tot hen, die' Ik van allerlei lichaamskwalen heb afge­holpen: ' Aan je geloof heb je dit te danken!' Ik heb evenwel nog aan niemand gevraagd: 'Heb je Mij lief?' En ook heeft nog niemand Mij uit de grond van zijn hart gezegd: 'Heer, ik heb U lief!'

3 Maar Gij geloofde al eerder dat Ik de Enige ben, de Absolute, zonder dat Ge Mij hebt ge­zien; en nu bemint Ge Mij zelfs al als iemand, die allang uit het vuur van de geest is weder­ geboren.

4 O Abgarus, als Ge wist, en als Ge zoudt kunnen begrijpen, hoezeer Ik U daarom lief­heb, en hoezeer Ge Mijn Vaderhart daar­door verheugt, dan zoudt Ge U als het ware verpletterd voelen door een alles overtreffen­de zaligheid! Zozeer dat Ge daarbij niet in leven zoudt kunnen blijven!

5 Maar, blijf standvastig, ondanks alles wat Ge over Mij zult horen dat Mij door slechte Joden wordt aangedaan, die Mij namelijk spoedig in handen van de beulen zullen spe­len! Want als Ge dat allemaal kunt aanhoren zonder erdoor van je stuk te worden ge­bracht dan zult Ge -na Uw zoon -de éérste zijn, die een levend aandeel zult hebben aan Mijn Opstanding uit de dood.

6 Voorwaar , voorwaar Ik zeg u: 'Diegenen, die in Mijn Leer zullen geloven als zijnde van God afkomstig, die zullen opgewekt worden op de jongste dag, de dag, waarop een ieder zijn gerechte beoordeling moet ondergaan. Maar degenen, die Mij liefhebben zoals Gij, die zullen de dood nooit behoeven te proe­ven! Want met de snelheid van een gedachte zullen zij uit dit lichamelijk leven worden verlicht tot een allerlichtst leven, en zij zullen bij Mij, hun Vader van eeuwigheid, komen inwonen! Ge moet dit echter als een geheim voor U houden, totdat ik zal zijn opgestaan!

7 Daarna zal er al heel spoedig een leerling bij U komen, zoals Ik U reeds in Mijn eerste brief beloofd heb, die U en Uw gehele huis zowel lichamelijk als geestelijk gezond zal maken -behalve dan Uw zoon, want die zal reeds vóór Mij Mijn Rijk binnengaan.

8 Wat de gelijkenis betreft tussen Mijn uiter­lijk en het portret, hetwelk Ge Mij door Uw bode toezond, zal hij U wel betrouwbaar in­lichten; hij heeft Mij nu immers al voor de derde maal gezien. Wie -zoals Gij -een af­beelding van Mij hebben wil, doet daar geen kwaad mee, want de liefde verdraagt alles, dus ook dit! Maar wee degenen, die van Mij een afgod willen maken! Houd dit portret dus liever geheim!

9 Te Judéa door een van Mijn leerlingen, die Mij na aan het hart ligt, geschreven, en ver­zonden door opnieuw dezelfde koerier

10 Mijn Heil zij met Uw huis! Amen.

 

Vierde brief van Abgarus aan Jezus (zeven weken na de derde geschreven)

 

Abgarus, een eenvoudige vorst te Edessa, aan Jezus, de goede Heiland, Die in de lan­den rondom Jeruzalem is verschenen: alle goeds aan Hem, Die thans wordt vervolgd van links naar rechts door domme blinde jo­den, die het Heilige Oerlicht, de Zon der zonnen in hun midden, niet erkennen!

2 O mijn goede Heiland Jezus, aan mijn lieve zoon is nu in werkelijkheid datgene overko­men, wat U, Heer mij in Uw tweede brief had voorzegd. Hij is een paar dagen geleden ge­storven, en hij heeft mij op zijn doodsbed nog onder veel tranen dringend gevraagd om U in een brief op innige wijze te bedanken voor het voorrecht dat U hem de dood van het lichaam werkelijk geheel en al zonder pijn en zonder enige angst hebt doen door­staan!

3 Misschien wel duizendmaal heeft hij Uw portret aan zijn hart gedrukt! Zijn laatste woorden waren: 'O, mijn goede Vader, Jezus; o Jezus, Gij, de eeuwige Liefde! Gij, Die alleen en van eeuwigheid het ware leven zijt! Gij, Die thans als een Mensenzoon wandelt onder hen, die Uw Almacht in het aanzijn heeft geroepen, Die hun een lichaam hebt ge­geven en het leven! Gij alleen, ja Gij zijt mijn liefde in eeuwigheid! Ik leef; ik leef door U, in Ueeuwig.

4 Na deze woorden is mijn zoon, mijn lieve jongen, heengegaan. O Heer, Gij zult dit al­les wel weten, en hoe het aardse einde van mijn zoon gekomen is; en ook dat ik en heel mijn huis veel tranen om hem hebben gela­ten, maar toch schrijf ik U dit als mens tot mens, omdat mijn stervende zoon het voor zijn aardse einde zo het allerliefst heeft ge­wenst.

5 O Heer, vergeeft U mij, die ten overstaan van U een arme zondaar is, dat ik U nu al weer met een vierde brief lastig val, waar­door ik wellicht Uw allerheiligste en allerbe­langrijkste zaken verstoor.

6 Maar toch waag ik het om tot slot aan dit  schrijven nog de bede te verbinden, dat U mij Uw troost niet onthouden of ontnemen moogt! U moet namelijk weten dat na het heengaan van mijn zoon een grote droefheid over mij is gekomen, die ik niet kan afschud­den, hoe krachtig ik mij er ook tegen verzet, en hoe graag ik dat ook zou willen! Daarom bid ik U, o goede Heiland, o allerbeste Vader van eeuwigheid: bevrijdt mij van deze hevige smart! Maar niet mijn wil, maar Uw Heilige Wil moge geschieden!

 

 

Eigenhandig geschreven antwoord van Jezus in het Grieks

(terwijl de andere brieven in het Hebreeuws waren gesteld)

 

Beminde zoon en broeder Abgarus!

Van hetgeen Ge schrijft met betrekking tot Uw zoon, daarvan ben Ik inderdaad volledig op de hoogte. Het is voor Mij dan ook een grote voldoening, dat zijn wereldse einde zo móói is geweest, maar vooral, dat zijn aan­komst in Mijn Rijk een nog véél mooiere was.

2 Niettemin is het juist, dat Ge omwille van hem verdriet hebt. Want weet je, er zijn he­laas maar weinig goede mensen op de we­reld. En dus verdienen degenen, die zo goed zijn als Uw zoon het wel dat zij een beetje be­treurd worden!

3 Ook Ikzelf wijdde Uw zoon nog een koste­lijke traan bij zijn verscheiden! En zo is het gehele heelal ooit ontstaan uit een traan uit Mijn Ogen! En zo zal ook aan de nieuwe he­mel gestalte worden gegeven.

4 Goede tranen zijn in de hemel van heel gro­te waarde, dat zeg Ik U! Met deze kostelijke juwelen wordt de hemel namelijk door de eeuwen heen opgeluisterd! Daarentegen worden de grondvesten van de hel verstevigd door tranen van haat, van nijd en van toorn. 

5 Het mag U dus gerust tot troost strekken, als Ge moet treuren om wie goed waren! Ge moogt deze droefheid dan ook nog best een tijdje koesteren, totdat Ge zult moeten treu­ren om Mij, maar ook dat slechts voor korte tijd, want daarna zal mijn leerling U van alle  verdriet komen verlossen.

6 Maar wees voortaan ook heel barmhartig, dan zult Ge ook zelf grote barmhartigheid ondervinden! En vergeet de armen niet! Zij zijn allemaal broers van Mij! Wat Ge voor hen doet, dat doet Ge voor Mij; Ik zal het U  honderdvoudig vergelden!

7 Zoek het Grote­ dat is Mijn Rijk -dan zal het kleine -van déze wereld -tegelijk je deel worden! Maar als je het kleine zoekt, dan zou het kunnen gebeuren, dat je het GROTE niet waardig wordt bevonden.

8 Zo zit er [in jouw gevangenis] een misdadi­ger opgesloten, die volgens jouw -overigens wijze -wetten de dood heeft verdiend... Maar Ik zeg je: Liefde en Barmhartigheid zijn van hoger waarde dan wijsheid en ge­rechtigheid! Behandel hem dus naar de re­gels van die liefde en barmhartigheid, dan zal je eens bij Mij zijn, en bij Hem Die in Mij is, en van Wien Ik als mens, net als jij ben uitge­gaan! Amen.

9 Eigenhandig door Mij geschreven te Kapérnaum, en per Uw bode verzonden.

 

Vijfde brief van Abgarus aan Jezus ( drie weken na ontvangst van het vierde ant­woordschrijven van de Heer)

 

Abgarus, onaanzienlijk vorst te Edessa, aan Jezus, de goede Heiland, Die verschenen is in het joodse land rondom Jeruzalem, als het Oerlicht en de eeuwige Oerkracht, Die alles opnieuw gestalte geeft (hemelen, werelden en wezens), maar Die desondanks niet er­kend werd door de eerst-geroepenen, maar wel door hen, die alreeds duizenden jaren in duisternis versmachtten! Aan Hem zij alle heil van ons, kinderen van de nacht!

2 O Heer, welke sterveling zou de grootte kunnen kennen van Uw Liefde voor ons mensen, die Uw schepselen zijn ? ! Die Liefde, waarmee U nu alles weer wilt vernieuwen, waarbij Ge Zelf een weg gaat, die volgens menselijke begrippen voor een God nage­noeg ondenkbaar en onmogelijk moet zijn!

3 Alhoewel U hier op deze aarde -die U met één ademtocht zoudt kunnen wegblazen! ­als een heel eenvoudig mens verkeert, toch regeert en beheert U vanuit Uw innerlijke Goddelijkheid de gehele oneindigheid! Elk stofje dezer aarde, elk druppeltje van de zeeën; de zon, de maan en alle ontelbare ster­ren: zij luisteren naar de almachtige Stem van Uw Hart, Hetwelk het eeuwige middel­punt is van alle dingen en van al het zijnde in heel de oneindigheid.

4 Hoe eindeloos gelukkig moeten toch wel Uw leerlingen zijn, die U immers kunnen kennen in het volle licht van hunne geesten, terwijl ik dat alleen maar kan vanuit mijn nachtelijk duister -als zondaar!

5 O, had ik toch maar niet die lamme voe­ten,... ik zou dan allang bij U zijn geweest! Ja, zo zijn dan mijn ellendige voeten voor mij een belemmering geworden voor mijn groot­ste ideaal-van-geluk! Maar toch verdraag ik dit alles met vreugde, omdat Gij, o Heer, mij tenminste in zoverre hebt gewaardeerd, dat Gij met mij -domkop -in briefwisseling wilt staan, en mij wilt onderrichten in zovele wondere zaken, waarin men uitsluitend door U, o Heer, en nooit door een mens kan worden onderricht.

6 Immers wat heb ik vroeger ooit geweten over leven en dood?! Alle wijzen van deze wereld tezamen zouden mij dit raadsel niet hebben kunnen onthullen! Ja, ons veelgo­dendom leert wel een dichterlijke onsterfe­lijkheid, maar die heeft met de werkelijkheid even weinig van doen als 'n loze droom, waarin men van het ene ogenblik op het an­dere te voet over zee wandelt en met een schip over land vaart.

7 Maar Gij, o Heer, hebt mij met woord en daad getoond hoe na de dood van dit zeer ge­brekkige lichaam een waarlijk volkomen vrij geestelijk leven begint, dat in eeuwigheid niet meer zal veranderen.

8 Op grond daarvan heb ik mij dan ook on­herroepelijk voorgenomen U, o Heer, mijn innigste dank te betuigen voor Uw grenze­loze genade door middel van deze brief, al­hoewel die tegenover Uw genade uiteraard volledig in het niet verzinkt.

9 Want wát Heer, zou ik U wel kunnen aan­ bieden, dat U mij niet tevoren Zelf hebt ge­schonken?!

10 Daarom denk ik dat echte dankbaarheid, die recht uit het hart komt, voor de mens nog het meest geëigend, het meest passend is, juist omdat ondankbaarheid hem eigenlijk op het lijf geschreven staat! Daarom, o Heer, kan ik U niets anders aanbieden dan juist de­ze armzalige dank van mij, maar die dan wel met de verzekering, dat ik nu inderdaad be­reid ben om in mijn kleine landje onmiddel­lijk alles te realiseren, wat Gij mij, o Heer, in Uw genade zoudt willen opdragen.

11 De misdadiger, die op grove wijze tegen de staat had gezondigd, heb ik dan ook op Uw wens niet alleen onmiddellijk uit de gevange­nis ontslagen, maar ik heb hem zelfs dadelijk opgenomen in mijn gevolg en hem aan mijn tafel genodigd! Of ik daaraan wel verstandig heb gedaan, ...dan wel of ik, naar men zegt, het goede heb overdreven, dat kan ik met mijn eigen verstand niet beoordelen. Daar­om, o Heer, kom ik in dit schrijven ook met dat probleem tot U, opdat U mij de ware wijsheid terzake genadiglijk zoudt willen doen kennen.

12 Aan U geheel alleen, Heer Jezus, betuig ik mijn liefde, mijn dank en mijn kinderlijke ge­hoorzaamheid. Uw wil geschiede!

 

Antwoord van Jezus

 

Luister, Mijn geliefde zoon en broeder Abga­rus! Ik heb nu tweeënzeventig discipelen, waaronder twaalf apostelen, maar zij allen tezamen hebben niet zo'n inzicht als Gij, en dat, terwijl U een heiden bent, die Mij, noch de vele wonderen, die er sedert Mijn Mens­wording en Mijn Geboorte zijn gebeurd, geen van alle hebt gezien!

2 Ge moogt daarom zeer goede hoop koeste­ren! Ge moet namelijk weten dat het zal ge­schieden -ja, het Is reeds geschied­ dat Ik het licht aan de kinderen van Mijn volk zal ontnemen, om het onbeperkt aan jullie, hei­denen, te geven! Zeer recentelijk nog heb Ik onder de hier bij ons levende heidenen, Grie­ken en Romeinen, geloof aangetroffen, zoals in heel Israël niet te vinden is! Liefde en dee­moed zijn onder de joden namelijk volledig onbekende eigenschappen van het menselijk hart geworden, terwijl Ik die toch vaak ge­noeg wel en in volle bloei bij jullie, heidenen aantref.

3 Heel Mijn Rijk, zowel het tijdelijke als het eeuwige, zal Ik daarom afnemen van de kin­deren, en Ik zal het geven aan jullie! En de kinderen zullen zich dan moeten voeden met de wereldse 'modder'!

4 Ge zoudt dus Mijn Wil in Uw rijk tot wet willen verheffen? Nu, voorlopig zal dat nog niet mogelijk zijn. Want voor alles is er een zekere rijping nodig. Maar Mijn Wet is niets dan Liefde! Als Ge dus in Uw staat perse iets wilt invoeren van Mij, voer dan deze Wet maar in, dan zal het U verder met Mijn Wil ook niet tegenvallen! Mijn Wil en Mijn Wet zijn namelijk zo volmaakt hetzelfde, als Ik volmaakt Eén ben met de Vader.

5 Er moge dan in Mijn Wil zeker wel het een en ander besloten liggen dat Ge thans nog niet kunt begrijpen: maar zodra Mijn leer­ling komt, zal dié U in alles begeleidend advi­seren. En zodra Ge dan door hem zult wor­den gedoopt in Mijn Naam, zal Gods Geest over U komen, en Die zal U dan Zelf in alles onderwijzen.

6 Ge hebt met die misdadiger volkomen juist gehandeld. Ik doe immers met jullie heide­nen precies hetzelfde! Laat deze daad van U een spiegel voor U zijn, die U verraadt wat Ik nu reeds doe en wat Ik later volledig zal doen.

7 Dit zeg Ik U tot Uw geruststelling en als Ze­gen! Amen.

 

Zesde brief van Abgarus aan Jezus (tien weken later geschreven)

 

Abgarus, eenvoudig vorst te Edessa, aan Je­zus, de goede Heiland, Die is verschenen rond Jeruzalems dreven, als Heil voor alle volkeren die het hart op de juiste plaats dra­gen en die de serieuze bedoeling koesteren om hun levens in te richten naar Zijn

Woord: Hem zij alle heil! 

2 O Heer, vergeef mij mijn grote brutaliteit, waarmee ik zo onbeschaamd tot U door­dring! Maar U weet ongetwijfeld dat goede artsen bij de mensen altijd al in groot aanzien hebben gestaan. Want ook in natuurlijke aangelegenheden hadden zij veelal de juiste inzichten, zodat een ieder zich bij het zich voordoen van bijzondere natuurverschijnse­len, bij voorkeur tot hen wendde om een ver­klaring daarvan, hoe vaag eventueel ook. En hoe eindeloos veel hoger dan alle natuur­heelmeesters ter wereld staat U immers in mijn ogen, omdat U niet slechts voor alles een Geneesheer bent, maar tegelijk ook de Schepper en Heer van heel de natuur, van eeuwigheid her !

3 Het is dan ook aan U alleen, dat ik mijn mo­mentele bijzondere zorgen vanwege mijn staat kan voorleggen, en dat ik U tevens uit het diepst van mijn hart wil smeken om die heel bijzondere nood genadiglijk af te weren.

4 Tien dagen geleden is hier namelijk –maar dat moet U ongetwijfeld van meet af aan be­kend zijn geweest -een lichte aardbeving be­merkt, die -en daarvoor blijf ik U eeuwig dankbaar! -weer ophield zonder verdere sporen achter te laten. Maar een paar dagen na die aardbeving begon alle water te ver­troebelen. En iedereen, die van zulk water dronk, werd bijna krankzinnig van hoofdpijn.

5 Onmiddellijk heb ik een streng gebod uit­gevaardigd, dat niemand in het hele land dat water mocht gebruiken totdat ik het weer voor gebruik vrij zou geven. Intussen moeten nu al mijn staatsburgers naar mij, hier in Edessa toekomen, waar zij dan wijn krijgen en water, dat ik daartoe van tamelijk grote afstand met grote schepen laat aanvoeren.

6 Omdat ik daarbij uitsluitend door liefde en echt medelijden met mijn volk werd gedre­ven, heb ik gedacht daar goed aan te doen... Maar nu wil ik U, o Heer, toch in grote dee­moed en wroeging des harten vragen, of U mij en mijn volk uit deze nood wilt helpen!

7 Het water wil namelijk nog steeds niet hel­der worden, en zijn krankzinnig makende werking is nog onveranderd dezelfde. O Heer, ik weet dat alle goede en kwade krach­ten en machten aan U zijn onderworpen: op Uw wenken moeten zij wijken; ik smeek U derhalve, erbarm U genadiglijk over mij, ver­los mij ten behoeve van mijn arme volk van deze plaag! Maar Uw goddelijke heilige wil  geschiede!

8 Toen de Heer deze brief had gelezen, werd Hij innerlijk hevig geroerd, en met een don­derstem sprak hij: 'O Satan, Satan, hoe lang zal je je God en Heer nog op de proef stellen? Wat heeft dit arme goede volkje jou, mon­ster van een slang, dan wel misdaan, dat je  het zo verschrikkelijk plaagt?!

9 Er moet -opdat je zult weten dat Ik jouw Heer ben -terstond een eind komen aan je boosheid in dit land! Amen.

10 Eens heb je van Mij bedongen alleen het menselijk lichaam op de proef te mogen stel­len; en Ik heb je dat toegestaan zoals in het geval Job. Maar wat doe je nu toch met Mijn aarde?! Als je de moed daartoe hebt, val Mij dan aan! Maar laat de mensen die Mij in het hart dragen en Mijn aarde met rust tot aan de tijd, die Ik jou eens -als laatste bevrij­dingskans -zal toestaan!

 

Na deze exclamatie ging door middel van een discipel aan Abgarus de volgende brief uit: Antwoord van Jezus

 

Beminde zoon en broeder Abgarus,

Deze afschuwelijk gemene streek heeft niet een vijand van U uitgehaald, maar Mijn vijand heeft dat gedaan! Gij kent die vijand weliswaar niet eens, maar Ik ken hem des te beter, en al heel lang.

2 Deze vijand van Mij is de oude, onzichtbare vorst van deze wereld, die tot nu toe grote macht bezat, niet slechts op deze aarde, die zijn woning is, maar ook in de sterrenwe­reld! Zijn macht zal echter nog slechts korte tijd duren: spoedig zal de vorst dezer wereld verslagen worden!

3 Gij behoeft echter al niet meer bang voor hem te zijn, want voor Uw volk en ter wille van U heb Ik hem nu gestraft! Ge kunt het water van het land derhalve nu weer rustig gebruiken, want van nu af is het weer zuiver en gezond!

4 Ge moet weten dat dit kwaad U juist omdát Ge Mij liefhebt is overkomen! Maar omdat Uw liefde jegens Mij toenam naar de mate, waarin de beproeving groter werd, heeft Uw liefde over alle helse machten gezegevierd, zodat Ge nu voor altijd van dit soort helse broedsels bevrijd zult zijn.

5 Men zal het beleven dat zijn geloof aan gro­te beproevingen wordt blootgesteld. Door water en vuur zal het moeten gaan! Maar Liefdevuur zal dat vuur, dat het geloof op de proef wil stellen, verstikken, en het zal het water mét al zijn geweld tot damp doen vergaan!

6 En zoals het Uw land nu is vergaan in na­tuurlijke zin, zo zal het te zijner tijd' door Mijn Leer velen op geestelijke wijze vergaan! Zij, die zullen drinken uit de drinknappen van de valse profeten, ook zij zullen allemaal heel erg dwaas gaan doen!

7 Mijn liefde, Mijn zegen en Mijn genade zijn mét U, broeder Abgarus! Amen.

 

Zevende brief van Abgarus aan Jezus

(negen weken na ontvangst van de zesde ant­woordbrief geschreven, en vijf dagen voor Diens intocht in Jeruzalem in het bezit van de Heer gekomen)

 

Abgarus, een onbeduidende vorst te Edessa, aan Jezus, de goede Heiland, die verschenen is in de omgeving van Jeruzalem, een Heil voor alle volkeren, een Heer en gezalfde Ko­ning van alle eeuwigheid, de God van alle schepselen -van alle mensen en van alle 'go­den', de goeden zowel als de slechten; alle

Heil! 

2 O mijn God, o mijn Heer, Gij Die al mijn hartewensen vervult en Die op al mijn ge­dachten volledig beslag legt, ja, ik weet het inderdaad al uit Uw eerste, mij zo genadig­lijk toegezonden brief,. ..: dat dit alles wat de slechte joden van Jeruzalem met U van plan zijn te doen, ingevolge Uw Eigen onbegrijpe­lijke raadsbesluiten moet gebeuren.

3 En ik kan mijzelf -zij het ook uiterst moei­zaam -wel enigszins indenken dat het alle­maal zo gebeuren moet, maar Gij, o Heer, Gij zult ongetwijfeld beter dan ik -die maar een zwak mens ben -begrijpen dat mijn hart, dat U nu boven alles liefheeft, en dat al­les slechts van de menselijke kant kan bezien, daartegen in opstand komt, desondanks.

4 Als vazal van Rome, en nauw verwant met Tiberius, de keizer te Rome, heb ik, en dat zult U zeker begrijpen, heb ook ik te Jeruza­lem mijn trouwe Romeinse waarnemers; en die houden dat vreselijk hoogmoedige pries­tergeslacht aldaar scherp in het oog. Die waarnemers nu hebben mij precies geïnfor­meerd over de dingen, die die trotse en over­moedige priesters en farizeeërs met U van plan zijn.

5 Niet slechts willen zij U stenigen of verbranden, zoals dat hun gewoonte is, nee, nee, dat is hen nog lang niet genoeg! Zij willen met U een voorbeeld stellen van hun alleron­menselijkste wreedheid! Heer, luister alstu­blieft! Deze verscheurende dieren in mensen­gedaante willen U met scherpe spijkers aan het kruis slaan, en U dan zolang daaraan la­ten hangen, dat U door die onuitstaanbare pijn langzaam aan die schandpaal zult ster­ven! En dat meesterstuk van menselijke ver­wording willen ze omstreeks het naderende

Paasfeest ten uitvoer brengen! 

6 Heer, wat gebeuren moet, gebeure –maar het heeft mij in elk geval reeds tot in mijn diepste innerlijk geschokt! Ik weet dat deze liederlijke en heerszuchtige beestmensen U niet eens willen doden omdat U Zich aan het volk voorstelt als hun beloofde Messias. Want daarvan trekt dit hyenagebroed zich namelijk maar weinig aan! Al te goed weet ik immers dat zij in hunne harten toch niet ge­loven, noch aan een God, noch -en dat nog minder­ aan U. Van een godslastering ma­ken zij onder elkaar helemaal geen punt.

7 Neen, zij hebben een heel ander plan ge­smeed: Zij weten dat zij door Rome met ar­gusogen worden bespied, vanwege hun ge­heime intriges. Vorig jaar heeft Pilatus ­scherpzinnig als hij is -zo'n hogepriesterlijke poging om een opstand uit te lokken -hoe subtiel ook voorbereid -precies doorzien; en, zoals U wel zult weten, heeft hij om­streeks het Feest bijna vijfhonderd man, zo­wel armen als welgestelden, in hoofdzaak helaas Galileeërs, laten oppakken en stand­rechtelijk voor de Voorhof laten onthoof­den! Hierdoor heeft hij zich uiteraard de vijandschap van Herodes op de hals gehaald, waar hij vooral diens onderdanen had ge­troffen.

8 De gemoederen van de tempeldienaren wa­ren door dit voorbeeld hevig geschokt. Nu hebben zij U ertoe bestemd om die stekende wonde voor hen uit te snijden, door U name­lijk bij Pilatus aan te klagen als een rebel te­gen de staat en als tevens de voornaamste raddraaier van die opstand van vorig jaar! Zó willen zij zichzelf tegenover het Romein­se hof weer schoonwassen, de argusogen van Rome van zich afleiden, om daardoor dan weer des te gemakkelijker nieuwe hoogver­raderlijke plannen te kunnen smeden; maar dat zal hun in geen geval gelukken! U ziet Zelf ongetwijfeld -en ook zonder deze brief van mij zelfs eindeloos beter, dat zij door Ro­me tot in de kleinste details worden door­zien.

9 Als U dus, o Heer, van mij -Uw innigste vriend en aanbidder -een dienst zoudt wen­sen, dan kan ik bijvoorbeeld op grond van een en ander onmiddellijk ijlboden zenden naar Rome zowel als naar Pontius. Ik garan­deer U dat die beesten dan prompt in de kuil zullen vallen, die ze voor U hebben bestemd!

10 Maar Heer, omdat ik U te goed ken, en omdat ik best weet dat U geen menselijke raadnodig hebt, houd ik het erop dat U zult doen wat U het beste dunkt. Hetgeen niet wegneemt dat ik het als mens heb be­schouwd als een van de eerste plichten die mij te doen staan: U deze zaak nauwgezet uit de doeken te doen; mede nog uit dankbaar­heid -uit het diepst van mijn hart -voor de genade, die U mij en mijn volk hebt bewezen.

11 Laat U mij dus alstublieft weten, o Heer, wat ik in dezen voor U kan doen! Uw Altijd­ heilige Wil geschiede!

 

 

Laatste antwoord van Jezus

 

Luister, geliefde zoon en broeder Abgarus, wat Ge Mij bericht hebt is allemaal juist. Desniettegenstaande moet dit alles echter toch met Mij gebeuren, omdat anders nooit een mens het eeuwige leven zou kunnen ver­werven, hetgeen Gij nu weliswaar niet kunt inzien, maar zeer binnenkort zult Ge dat wel kunnen, zij het ook dan als een groot geheim.

2 Ge moet dus Uw voorgenomen en Mij zo allervriendelijkst aangeboden demarches om Mij te rechtvaardigen vooralsnog niet ondernemen. Immers daar, waar de Eeuwige Macht van de Vader heerst, Die in Mij is en waarvan Ik als mens ben uitgegaan, zou zoiets maar weinig kunnen uitwerken!

3 Het Kruis, waaraan Ik zal worden vastge­nageld, mag je niet afschrikken! Want juist dat Kruis moet voor alle komende tijden de basis worden en tevens de toegangspoort voor het Godsrijk!

4 Slechts gedurende drie dagen zal Ik dood zijn naar het lichaam, maar op de derde dag zal Ik als eeuwige Overwinnaar van de dood en van de hel weer opstaan uit de dood: Mijn almachtige Gerechtigheid zal dan alle boos­doeners treffen.

5 Voor degenen echter, die in Mijn hart zijn geborgen zal Ik de hemelpoort wijd openen, zo dat zij het zelf kunnen zien!

6 Als Ge dus over een paar dagen zult zien dat de zon wordt verduisterd, dan moet Ge be­denken dat Ik, Uw grootste Vriend en Broe­der, aan het Kruis zal zijn gestorven! Ge moet daar dus niet van schrikken, want dat moet allemaal zó gebeuren, en er zal aan de Mijnen geen haar worden gekrenkt.

7 Op hetzelfde moment waarop Ik zal verrij­zen, zult Gij daarvan een teken ontvangen, waaruit Ge onmiddellijk zult weten dat Ik ben opgestaan!

8 Mijn liefde, Mijn genade, Mijn zegen zijn met je, geliefde broeder Abgarus! –Amen

 

 

 

 

 

 

 

Gelovig commentaar

 

In deze correspondentie van Jezus Christus met Abgarus Ukkama, vorst van Edessa, welke briefwisseling ons christenen in het jaar 1844 via de Oostenrijkse mysticus Ja­kob Lorber werd teruggegeven, is de ware weg tot het Heil in de Liefde Gods en in de liefde tot de naaste weer eens op wondere wijze voor ons geschilderd.

 

De inhoud van dit unieke schriftuurlijke do­cument moge daarom hier nog eens in het kort worden toegelicht, respectievelijk 'be­licht' als zijnde dit andermaal een voorbeeld van de eigen zeer levendige, zachtmoedige en diepzinnige wijze, waarop God in Zijn Werk van de Nieuwe Openbaring de mensheid on­derricht en tot Zich trekt.

 

Voor nadere (profanere) details over deze briefwisseling van Jezus en Abgarus welke in vroeg-christelijke tijden zeer bekend moet zijn geweest, maar die later in het ongerede geraakte, zodat de kerkleraar Eusebius (gestorven in 339) de laatste is, die ons daar­van een paar citaten heeft nagelaten, mogen  wij de lezer hier verwijzen naar het voor­woord dezes. Wij weten namelijk uit pro­faan-geschiedkundige werken dat deze Ab­garus Ukkama een heidense koning is ge­weest in Mesopotamië en dat hij tijdens een reis naar Perzië, die door hem werd gemaakt om een vrede~verdrag te bewerkstelligen, door een zware ziekte werd overvallen, waaraan hij een chronische kwaal heeft overgehouden en waardoor hij tenslotte zelfs aan beide benen verlamd is geraakt. Voor deze man, die nog midden in het we­reldse leven stond, betekende dit dus een vre­selijke beproeving, een grote maatschappe­lijke belemmering!

Dáárdoor is het dat de heiden Abgarus, toen hij van zijn gezanten over Jezus, de Wonder­heiland had gehoord, ertoe kwam om aan Hem te schrijven: 'Omdat ik deze dingen over U heb gehoord, ben ik bij mijzelf tot de conclusie gekomen dat U ofwel een God moet zijn, Die uit de Hemel is neergedaald, dan wel­ waar U tot zulke geweldige dingen in staat blijkt te zijn -toch tenminste een Zoon van de grote God! Ik moge U daarom verzoeken om U mijn lot te willen aantrek­ken en ook mijn ziekte te genezen! Iedereen hier zal U dan ongetwijfeld op handen dra­gen! Ik zie met het grootste verlangen naar U uit!'

 

Met inschakeling van een van Zijn leerlingen heeft de Heer op deze noodkreet aldus ge­antwoord: 'Zalig zijt gij Abgarus, omdat ge Mij niet hebt gezien en toch geloof toont!' Toen de Heer dus bij Abgarus geloof consta­teerde, waar die in zo grote nood verkeerde, heeft Hij hem 'zalig verklaard', d.w.z. Hij heeft hem in de juiste verhouding bevonden ten opzichte van God, resp. in God gebor­gen!

Wat voor een soort van heilig geloof moet dat van Abgarus dus wel geweest zijn, waar de Heer hem op grond daarvan zo'n heerlijk vooruitzicht, zo'n verrukkelijke garantie heeft kunnen geven ? Het kan beslist niet iets zijn geweest van lichtvaardige goedgelovig­heid, want Abgarus is over de joodse Hei­land en over Diens wonderen, vaardigheden en intenties, daarvoor veel te goed geïnfor­meerd geweest namelijk door zijn gezanten. Maar ook was het beslist niet zo maar een rationeel geloven zonder meer, een op redelijkheidsbasis voor waar aannemen, neen: deze vorst had zich door zijn innerlijke god­delijke inspiratie laten voorlichten 'dat deze goede en machtige heiland een god of zoon van een god móest zijn,' en door zijn gelovig erkennen van Hem gevoelde hij in zijn hart een allerhevigst verlangen naar Hem. Dus niet alleen maar geloof vanuit het verstand, maar tevens uit het hart had hij getoond! Al­leen onder verwijzing daarnaar was het dat Jezus kon antwoorden: 'Zalig zijt gij Abga­rus, omdat Ge geloof toont!'

 

Toch was Abgarus toen nog maar in een eer­ste beginstadium van zijn geloofsontwikke­ling, en zijn liefde voor God moest nog zeer veel groeien. Hij meende bijvoorbeeld toen nog dat Jezus, een van God vervulde genees­heer, Zich persoonlijk naar hem toe zou moeten begeven om hem te kunnen genezen. En ook had Abgarus toen hij om hulp riep nog maar alleen aan zichzelf gedacht, name­lijk alleen aan zijn eigen lichamelijke gene­zing. Daarom gaf Jezus hem in Zijn eerste antwoordbrief te horen -wat voor Abgarus toen eigenlijk niet zo heel erg bevredigend zal hebben geklonken -'Wees maar gedul­dig Gij, met Uw kleine kwaaltje! Zodra Ik in de Hemel zal zijn, zal Ik U een van Mijn leer­lingen zenden, die Uw gebrek zal genezen en die U en al de Uwen de ware Gezondheid ge­ven zal'. Hij geneest deze koning dus niet on­middellijk, maar troost hem met troost op langere termijn: na de dood des Heren zal hij een discipel zenden om hem te genezen !

Zouden na de ontvangst van zo'n uitspraak niet veel mensen ongeveer gereageerd heb­ben met: 'Fijne heiland is dat! Iedereen had mij zo'n vertroosting in de ruimte wel kun­nen schrijven! En, door dát te geloven zou ik me dan ook nog "zalig" moeten voelen? Wat heb ik aan zo'n wonderheiland?!'

Het is geenszins uit te sluiten dat zich een dergelijke reactie aanvankelijk ook aan Ab­garus heeft opgedrongen. Maar door zijn lij­den zal de ziel van Abgarus voldoende inner­lijk gericht zijn geweest, en dus geneigd om te luisteren naar de goddelijke Stem in zijn hart, Die hem des Heren antwoord vol me­deleven in het juiste Licht deed zien, en Die zijn vertrouwen versterkte in het geloof dat hij een beproeving moest ondergaan.

 

Toen kort daarna zijn oudste zoon ziek werd door een ongeneeslijke koorts, heeft Abga­rus zich daarom in zijn grote droefenis op­nieuw vertwijfeld tot de goede Heiland ge­wend, en hij schreef Hem: 'Ik weet, omdat mijn gezant mij dat heeft verzekerd, dat U dergelijke ziekten zelfs op afstand kunt gene­zen zonder geneesmiddelen, alleen door Uw woord en wil!

O Jezus, goede Heiland, Gij waarachtige Zoon van de Allerhoogste God, -want dat zijt Ge ongetwijfeld -laat mijn zoon, die zo­veel van U houdt, dat hij zelfs bereid is voor U te sterven, aldus door het machtige Woord van Uw wil weer gezond worden.

O Jezus, goede Heiland, verwijst U mij nu toch alstublieft niet­ ik ben immers ook zelf niet gezond -naar een tijdstip dat ligt na Uw terugkeer naar de Hemel, zoals U mij al reeds eerder deed weten. Helpt U toch, helpt, helpt direct mijn zoon!'

Alhoewel hij zelf niet was genezen, was het geloof van Abgarus dus zozeer gegroeid, dat hij schreef: 'Ik weet dat U dergelijke ziekten op afstand geneest, zonder medicijnen, al­leen door Uw woord en wil en zonder dat U persoonlijk ter plaatse moet zijn, zelfs op zo'n grote afstand als van Uw land tot het mijne.'

Het geloven, respectievelijk het innerlijk, geestelijk weten, is dus geweldig vooruitge­gaan, en niet slechts bij Abgarus zelf, maar ook bij diens zoon, over wien hij zelfs kan schrijven, dat deze de Heer zozeer bemint, dat hij voor Hem bereid is zelfs tot in den dood te gaan !

, Abgarus, groot is je geloof,' laat de Heer dan ook onmiddellijk antwoorden; en dat Hij hem op grond van dat geloof heel goed zou kunnen genezen, maar dat Hij op grond van de liefde, die Hij bij hen meer dan in Is­raël gevonden had, ook meer voor hem wilde doen, dan in geval hij alleen maar geloofd had.

Waarin bestaat nu dat 'méér doen' als reactie van Jezus op die ondervonden liefde?

'Je zult je zoon weliswaar voor deze wereld en naar het lichaam verliezen,' schrijft de Heer door Zijn discipel, 'maar je zult hem geestelijk, namelijk in Mijn eeuwige Rijk, duizendvoudig terugwinnen !'

Dit verlies is dus weliswaar volgens de ver­gankelijke normen van deze wereld het meest kostbare en dierbare, maar beoor­deeld naar onvergankelijke geestelijke nor­men, is de winst in Gods eeuwige Rijk dui­zendvoudig! Wie van ons heeft dit immers niet óók reeds lang ervaren?! Ja, altijd is het zo dat, wanneer wij ons hart volledig richten op God en Zijn onzichtbare Rijk, wij ­geoordeeld naar wereldse en lijfelijke maat­staven -zullen verliezen; het is immers on­mogelijk twee heren tegelijk te dienen! We kunnen niét tegelijk vastgeklampt blijven aan het tijdelijke en vergankelijke als we het eeuwige en onvergankelijke willen verove­ren!

Daarom stelt de hemelse Vader ons hier in deze wereld op 'klein rantsoen', waar Hij ons wil voorbereiden op een leven vol van hemelse zaligheden! En daarom wordt ook Abgarus prompt en krachtig getroost door de Heer met deze, ook voor hem meer troost­biedende belofte: 'En denk nu niét dat Uw zoon als hij sterft ook echt dóód zal zijn! Nee, nee, want als hij dus volgens aardse maatstaven, d.w.z. lichamelijk, sterft, dan zal hij juist ontwaken ten ware leven, voor ééuwig, in Mijn Rijk, en dat is geestelijk, niet lichamelijk!'

Deze woorden zijn tevens op ons allen van toepassing, telkens wanneer wij uit liefde voor God aardse waarden prijsgeven of ver­liezen. Daaraan moeten wij dus blijvend denken!

 

Bij die welwillende, offervaardige zoon van Abgarus ging de Heer met Zijn onderwijs in het geloof en in de liefde overigens in diezelf­de brief nog een stap verder, door namelijk aan hem aan het slot ervan te doen schrijven: 'Een dezer dagen zal er in Uw stad een arme jongeman aankomen. Neem die op, je zult daarmee Mijn Hart verheugen! En wees goed voor hem, omdat Ik Uw zoon zo'n gro­te genade bewijs, doordat Ik hem vanwege zijn Liefde daarheen laat gaan, waarheen ook Ik zal gaan, nadat Ik aan het kruis om­hoog zal zijn geheven.'

Waarom is dit nu een verderstrekkend on­derricht in de liefde?

Daartoe werpen we een terugblik op de eer­ste brief van Abgarus aan Jezus. We zien dan dat de vorst in die noodkreet -zoals reeds eerder opgemerkt -slechts voor zichzelf om hulp smeekte. Hier was dus in hem -als bij een beginneling in het geloof en de liefde ­aanvankelijk nog slechts eigenliefde actief: die zette hem er immers toe aan om de won­derheiland voor zijn eigen lichamelijk wel­zijn aan te roepen. Bij ons begint het als regel doorgaans ook zo. Gedreven door eigen nood, waarin wij dan door Zijn wijze leiding terecht zijn gekomen, zoeken wij, meestal pas na het mislukken van alle andere midde­len, hulp bij de onzichtbare God. En dit be­gin reeds pleegt de Gezochte dan te zegenen, doordat Hij in Zijn Liefde en Genade het door eigenliefde naar Hem uitgeworpen touw vast verankert in Zijn goddelijke le­vensgrond.

Maar dan laat God het niet bij die naar Hem zoekende eigenliefde blijven, wanneer die hulp en redding wenst. Vanuit dat punt doet Hij dan onze liefde breder worden, zodat de­ze langzaam maar zeker niet slechts de direc­te naasten omvat, maar uiteindelijk alle we­zens, die door onze hemelse Vader gescha­pen zijn.

 

In de tweede brief van Abgarus -die met de noodkreet om zijn zoon -zien we deze leer­gierige discipel in de eeuwige liefde reeds ge­vorderd tot de eerstvolgende trede, namelijk die van de liefde voor zijn zoon en troonop­volger, die hem het naast aan het hart ligt. Deze liefde voor de eigen natuurlijke kinderen is reeds een vorm van naastenliefde, waardoor onze hemelse Vader ons mensen ­en ook reeds de dieren van de bezielde hoge­re categorieën van het dierenrijk -leert af te zien van zichzelf, en hun denken en streven liefhebbend te richten op andere wezens, in dit geval dus op hun kinderen, respectieve­lijk op hun jongen.

Niettemin kleeft er aan deze soort van naas­tenliefde, (die voor de natuurlijke nakome­lingen en overige bloedverwanten) nog veel oorspronkelijke eigenliefde, en zij mag daar­om niet meer dan een onderste graad van liefde heten. In de ogen van de hemelse Va­der is dit begin nog lang geen volmaaktheid. Vaak immers blijft dit soort van liefde bij de mens op fatale wijze steken in een andere vorm van eigenliefde, die in zijn kinderen vertederd wordt en die hen zelfs min of meer verafgoden kan 'als zijn verwanten, zijn ná­komelingen.' Dit is uiteraard eerder een ver­derfelijke wijze van zelfzucht en van eigenliefde!

Aan het einde van Zijn tweede brief gaat de Heer dan ook verder met Zijn Heilsleer door aan Zijn leergierige leerling mededeling te doen van de aankomst van een vreemde ar­me zwervende jongeling, die opname be­hoeft: 'Neem deze jongeman op en wees goed voor hem, daarmede zult Ge Mijn Hart verheugen!'

Voor Abgarus doet zich dus nu een gelegen­heid voor om zijn liefde te verwijden en te­vens uit te doen gaan naar deze volkomen vreemde arme zwerver, die 'zo maar' komt aanlopen, een doodgewone, misschien wel 'ordinaire' knaap!

Omdat de Heer dus zulk een grote genade bewijst aan zijn zoon, daarom moet hij goed zijn voor deze arme drommel! Terwijl Hij de eerste wegneemt, biedt Hij hem de tweede aan: 'Prachtige vervanging van mijn zoon en erfgenaam', had Abgarus kunnen denken, maar hoe reageert hij in werkelijkheid?

 

Het antwoord vinden we in diens derde brief, waarin de koning namelijk dankt voor de hemelse belofte voor zijn zoon, en tevens op bescheiden wijze vermeldt dat de ver­noemde jongeling 'in beste welzijn' nu bij hem vertoeft. Abgarus heeft dus inderdaad die arme zwerver -overeenkomstig de wens des Heren -vriendelijk in zijn huis opgeno­men: ja, hij verwent hem! Nederig en be­scheiden als hij is, spreekt hij daar echter slechts terloops over, en maakt verder niet uitgebreid gewag van zijn aan hem bewezen weldaden. We zien hier dus, dat koning Ab­garus voortgang heeft gemaakt in de liefde, van eigenliefde en liefde voor verwanten tot een absoluut belangeloze liefde jegens vreemde en alleronbeduidendste mensen.

 

Voorts maakt diezelfde brief nog gewag van iets bijzonder treffends en zeer behartens­waardigs, namelijk dat de koning en diens zoon juist nu -door die opgenomen arme knaap, zij het op overigens begrijpelijke wij­ze -in het bezit zijn gekomen van een ge­schilderd portret van de heer Jezus!

'In mijn stad,' bericht Abgarus, 'woont een beroemd kunstschilder. Deze schilderde voor mij op aanwijzingen en aan de hand van beschrijvingen van die jongeman in kwestie een borstbeeld van u. Wij, mijn zoon en ik, werden door de verzekering van die jongeman, dat U, Heer er precies zo uit­ziet, buitengewoon aangenaam getroffen.'

Ook deze gebeurtenis heeft een geestelijke betekenis, ook voor ons: Op diens laatste be­richt laat de Heer aan Abgarus antwoorden: , Abgarus, Abgarus, als Ge wist of zoudt kun­nen begrijpen hoezeer Ik U hierom liefheb, en hoe grote vreugde Ge hierdoor aan Mijn Vaderhart hebt bereid, dan zoudt Ge door een mateloos geluksgevoel worden overwel­digd!'

In ons zal dan ook een goedgelijkend beeld van God tot uitdrukking komen, zal de in onze zielen ingebedde goddelijke Vonk ma­nifest worden, levendig! Onze grootste vol­doening daarover zal dan bijdragen tot ons hoogste geestelijke welbevinden, als ook wij deze voortgang maken van eigenliefde naar zuivere en onbaatzuchtige naastenliefde, die ook op adequate liefdevolle wijze aan de al­lermeest verachte mensen broederlijk tege­moetkomt!

 

Nog schrijft de Heer aan Abgarus: 'Zij, die geloven dat Mijn leer van God komt, zullen op de jongste dag worden opgewekt ten le­ven; een ieder zal dan zijn loon naar werken op de geëigende wijze ontvangen. Maar zij, die liefhebben zoals Gij dat doet, die zullen de dood niet smaken! Zij zullen met een snel­heid als die van een gedachte uit dit lichame­lijk leven worden verheven tot in het aller­helderste licht van het Eeuwige Leven, en dan zullen zij bij Mij, hun Eeuwige Vader, komen inwonen!'

 

In diepe zielerust kon Abgarus dan ook in zijn volgende, vierde brief aan de Heer schrijven dat zijn zoon reeds enkele dagen daarvoor tot het Eeuwige Leven was overge­gaan, terwijl hij bij zijn afscheid aan hem, Abgarus, had verzocht om zijn innigste dank te willen overbrengen aan de Heer, Die de zoon zo allergenadigst had uitverkoren! Hij zou in de zuiverste vrede des Hemels gestor­ven zijn, met op zijn lippen de uitroep: 'Gij alléén, ja Gij zijt mijn liefde in Eeuwigheid! In U leef ik, door U en voor U, eeuwig!'

 

En, nadat hij zijn hoogste en liefste goed op deze wereld aldus in volle overgave had afge­staan, maakt de briefwisseling van Abgarus alweer gewag van een bijzondere, en nog be­langrijker gebeurtenis:

Terwijl tot dan toe zijn brieven niet door de Heer persoonlijk geschreven waren, maar via een leerling, komt er nu een eigenhandig door de Heer Jezus geschreven antwoord, en wel in het Grieks, hetwelk toen de meest ge­bruikelijke omgangstaal van de heidense volkeren was, terwijl de vorige brieven van de Heer in het Hebreeuws waren gesteld ge­weest!

Ook in dit, schijnbaar ondergeschikte feit ligt een diepe les voor ons opgesloten, die zeer toepasselijk schijnt: Zijn wij namelijk eenmaal zo ver gevorderd, dat wij in onwrik­baar geloof en een vurig brandende liefde voor de Heer alle aardse goederen bereid zijn prijs te geven -ook wat ons het meest dier­baar is, als wij ons werkelijk volledig ontle­digen van hun betekenis voor ons -dan komt de Heer Zélf, Die zich tot dan toe via Zijn engelen en engelbewaarders met ons verstond, in Eigen Persoon met ons in de bin­nenkamer van ons hart met ons spreken, niet langer in een moeilijke bijbeltaal, maar in onze eigen taal, in de spreektaal van ons hart! Voor Abgarus was het Grieks de voer­taal.

En wat leert nu deze Stem? 'Weest voortaan uiterst barmhartig, dan zult Ge zelf ook gro­te barmhartigheid ondervinden! En vergeet de armen niet! Zij zijn allen Mijn Broeders! Wat je voor hen doet, dat doet Ge voor Mij, en Ik zal het U honderdvoudig vergelden! Zoek wat groots is: Mijn Rijk, dan zullen U tevens de kleinere waarden van deze wereld toevallen. Zoekt Ge echter de kleine dingen, dan zou het wel eens kunnen zijn, dat Ge de grotere waarden niet waardig geoordeeld wordt.'

Deze woorden, die de Heer nu persoonlijk en in de gemakkelijker begrijpbare eigen voer­taal tot Abgarus richt, en dat dan na de har­telijke aanhef: 'Geliefde zoon en broeder', zijn tevens de kern van alle door Hem in onze harten tot ons gerichte lessen.

 

En in dezelfde brief aan Abgarus gaat de Heer in Zijn Heilslessen nog verder, name­lijk naar de hoogste en laatste vorm van naastenliefde, t.w de liefde jegens de vijand, doordat Hij -naar het schijnt slechts toeval­lig -eraan toevoegt: 'In Uw gevangenis zit momenteel een misdadiger tegen Uw staat, die volgens Uw overigens wijze wetten de doodstraf heeft verdiend. Ik echter verzeker U, dat liefde en barmhartigheid hoger moe­ten worden gewaardeerd dan wijsheid en ge­rechtigheid! Handel met hem dus liever vol­gens de beginselen van liefde en barmhartig­heid, dan zit Ge met Mij op één lijn, alsook met Hem, Die in Mij is, en van Wie Ik -als op U gelijkend mens -ben uitgegaan!'

 

Voor Abgarus was dit wederom geen kleine opgave. Onze koninklijke vriend werd hier gesteld voor een enorme opgaaf en een ge­weldige geestelijke beproeving, namelijk: Een pleger van hoogverraad, dus een gevaar­lijk en zeer slecht mens, die hij wellicht pas na hevige strijd in verzekerde bewaring had kunnen stellen, omdat hij mogelijk de ko­ning naar het leven had gestaan en naar diens troon gedongen, nu niet met wijsheid en ge­rechtigheid behandelen, maar met liefde en erbarmen!

Maar ook deze beproeving heeft Abgarus doorstaan. Reeds na vijf weken kon hij in zijn volgende brief aan de Heer schrijven: 'Die pleger van hoogverraad heb ik -over­eenkomstig Uw wens niet slechts onmiddel­lijk uit zijn kerker bevrijd, maar ik heb hem tevens in mijn gevolg opgenomen en aan mijn tafel genodigd. Of ik daaraan nu wel goed heb gedaan, dan wel­ zoals 'men' er­van zegt­ het goede heb overdreven, dat kan mijn menselijke verstand niet beoordelen; daarom kom ik ter zake ook tot U, o Heer, om U te vragen mij daarover in Uw genade te willen berichten wat in dezen ware wijsheid is.'

Het komt er dus nu op neer, dat Abgarus, die in dit stadium van de liefde het Godwezen in Jezus kon erkennen, Dat geheel het heelal be­heerst, nu heel consequent dan ook onmid­dellijk alles wilde invoeren, wat de Heer hem ook maar -in zijn genade -zou willen opleg­gen!

Als beloning voor deze volledige overgave belooft de Heer in Zijn antwoord aan Zijn 'geliefde zoon en broeder', dat Hij aan hém ­de heiden -het volle Licht zal geven en de absolute gelukzaligheid van het Kindschap Gods! En dan onthult Christus hem de grondslag van Zijn gehele Rijk: 'Mijn Wet is niets anders dan de Liefde' ...

Als daarin dan voor Abgarus nog allerlei be­grepen is, wat Abgarus niet direct en zonder meer vatten kan -hetgeen bij het begrip 'grondslag' niet verwonderlijk is -dan luidt het verder, dat de Geest Gods spoedig over hem zal komen, Die hem in alles zal onder­richten!

Kennelijk was Abgarus' handelwijze met de landverrader geheel en al juist geweest, want het luidt aldus: ' Ach, weet Ge, met jullie hei­denen doe Ik immers precies hetzelfde!'

 

Niettemin bevat de zesde brief van Abgarus weer een noodkreet: Tien dagen geleden heeft hier een aardbeving plaatsgevonden, die naar het aanvankelijk scheen praktisch geen schade had aangericht, maar na enkele dagen werd het water bij ons troebel. Ieder­een die dit water dronk kreeg hoofdpijn en werd vervolgens geestelijk gestoord, geheel in de war. Er was tot dusverre echter geen kruid tegen gewassen! Daarom smeek ik U Heer in alle nederigheid en met wroeging in mijn hart, dat U mijn volk uit deze nood wilt helpen en redden. Abgarus blijkt nu niet te zijn teleurgesteld, niet geïrriteerd, dat hem ­na al zijn volgzaamheid! -nu dit ook nog moet overkomen, neen, hij smeekt 'in alle nederigheid en wroeging des harten'! En dat terwijl hij 'weet dat alle machten -zowel goede als kwade! -aan U onderworpen zijn, en op Uw wenk moeten verdwijnen.'

Het eerste primitieve geloof van zijn eerste brief is dus inmiddels uitgegroeid tot een vol­tooid geloof, een weten, en tot een rotsvast vertrouwen!

Als de Heer aan Abgarus terugschrijft: 'Deze gemene streek moet Ge niet wijten aan enige vijand van Uzelf, maar aan die van Mij', heeft Hij tevoren, bij het lezen van Abgarus' brief, uitgeroepen: 'O Satan toch, hoelang nog zal je je God en Heer nóg op de proef stellen? enzovoort.'

Hieruit blijkt dat als de vorst van deze we­reld een mensenziel aan zijn greep ziet ont­snappen, hij alles in het werk stelt om dat als­nog te verijdelen. Hij grijpt hem dan aan in zijn fundamentele zekerheden, zijn mense­lijk bestaan, ja, zijn menselijk wézen -als homo sapiens -met vrije wil! De Heer licht dit nog toe met deze heerlijke woorden: 'Weet Ge, Abgarus, omdat Ge Mij bemint, daarom is U dit leed overkomen. Maar Uw liefde, die in plaats van zwakker sterker werd, heeft over Satan gezegevierd, zodat Ge nu voortaan voor altijd tegen dergelijke hel­se overlast gevrijwaard bent.' Hier zien we dus dat de Heer Zijn en onze vijand voor de­genen, die Hem in hun uiterste beproevingen ook nog trouw blijven, aan banden legt zo­dra Hij daartoe de tijd rijp acht, met andere woorden, zodra de heer ziet dat Satans benauwende macht in een gevaloverbodig is geworden. Hierna zien we dat Abgarus een definitief einde maakt aan al zijn wereldse pretenties, zodat er in zijn hart geen plaats meer overblijft voor iets anders dan de Heer en Diens belangen. Hij drukt dan ook zijn dankbaarheid uit in deze uitroep: '0 mijn God, o mijn Heer, o Gij, enige bezitter van mijn hart en summum van mijn gedachten !'

En bij de obsessie van Diens aanstaande vrij­willige ondergang kan hij zich dan ook slechts neerleggen met de woorden: '0 Heer, laat mij toch weten wat ik voor U doen kan; Uw altijd heilige Wil geschiede!'

Dit getuigt van volmaakt geloof en van vuri­ge Godsliefde. En Christus beloont deze deugden met hem in vertrouwen te nemen en aan hem het geheim te openbaren van Zijn kruisdood: 'Het geheim van het kruis moet voor alle komende tijden de grondsteen wor­den van het Godsrijk, en tegelijk de toe­gangspoort ervan. Mijn kruis mag je dus niet bang maken!' En voorts: 'Slechts drie dagen lang zal Ik dood zijn naar het lichaam... en op de derde dag zal Ik weer opstaan uit de dood als de eeuwige Overwinnaar van dood en hel; Mijn Almachtige Gerechtigheid zal dan allen die kwaad deden, straffen!'

Maar voor hen die met Mij één zijn van har­te,' luidt deze goddelijke apotheose, 'zal Ik dan de hemelpoortwijd open zetten, zoals zij zelf zullen mogen zien.'

 

W.L.