BIJBELTEKSTEN en hun VERBORGEN BETEKENIS

Jakob Lorber

Uitgeverij De Ster - Breda

       Ginnekenweg 124,4818 JK Breda, Tel.: 076 - 226700.


Druk ICG-Printing - Dordrecht

Oorspronkelijke titel: 'Schrifttexterklärungen - Bibeltexte und ihr

geheimer Sinn' - Jakob Lorber.

Copyright 1985 by Lorber-Verlag, 7120 Bietigheim/Württ.

 

Ontwerp omslag: Lisanne Franken

Vertaling onder auspiciën van de Jakob Lorber Stichting voor het

Nederlands taalgebied

 

Copyrights @ 1986 Uitgeverij De Ster - Breda ISBN 9065563415


Inhoud

 

            Voorwoord

    1.      Een goede regel om het Oude en Nieuwe Woord met vrucht te lezen

    2.      Vervolg van de inleidende regel uit het eerste hoofdstuk: Een tegenwerping en zijn weerlegging.

             (Bijvoegsel bij 'De Geestelijke Zon')

    3.      De gelijkenis van de wijze en de dwaze bouwmeester en de verklaring daarvan (Matth. 7:24 - 27)

    4.      "Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij". (Joh. 14 :6)

    5.      "Ik heb dorst!" - "Het is volbracht!" (Joh. 19: 28, 30)

6.     "En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem, maar sommigen twijfelden" (Matth. 28 : 17)

7.         "Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus"(Luc.23:52)

8.         "En Hij, Jezus, begon ongeveer dertig jaar oud te worden, en was, naar men meende, een zoon van Jozef". (Luc.3:23)

9.         "En toen het avond was geworden, kwam Hij met de twaalf" (Mark.14:17)

10.      "Hij kwam tot Zijn eigendom, en de zijnen namen Hem niet aan" (Joh. 1 : 11). "Pilatus antwoordde: Wat ik heb geschreven, heb ik geschreven" (Joh. 19: 22)

    11.    "Hij nu wierp zijn kleed af, sprong op en kwam bij Jezus" (Mark.10:50)

12.      "Wees niet bang, Paulus, u moet voor de keizer ver­schijnen; en zie, God heeft u allen geschonken die met u varen"(Hand.27:24).

13.      "Want zoals de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn" .(Matth. 24: 37

14.      "Als zij dan tot u zeggen: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen. Zie, (Hij is) in de binnenkamers, gelooft het niet!" (Matth. 24 : 26) ­ "Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen". (Matth.24:28)

15.      "En ze brachten de ezelin en het veulen en legden hun kleren daarop, en Hij ging erop zitten" (Matth. 21 : 7) 

16.      "Jezus zei: Neemt de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: Heer, hij riekt al, want hij is (daar) vierdagen!" (Joh. 11 :39) (Bijzonder bijvoegsel bij 'De Geestelijke Zon')

17.      "Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijk­heid binnengaan?" (Luk.24:26)

18.      "Als Ik echter door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen" (Luk.11 :20).

19.      "Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u!" (Joh.14:18)

20.      "En toen Hij zag dat zij zich aftobden met het roeien, want zij hadden de wind tegen, kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake tot hen, terwijl Hij op de zee liep; en Hij wilde hen voorbijgaan" (Mark.:6:48)

21.      "Gelukkig echter uw ogen, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen!" (Matth.13:16)

22.      "En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken, voordat zij hebben gezien dat het koninkrijk van God is gekomen met kracht!" (Mark. 9 : 11)

23.      "Blinde leidslieden, die de mug uitzift maar de kameel in slokt!"

24.      "En Jezus weende" (Joh.11:35)

25.      "Weest dan niet bezorgd, door te zeggen: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden?" Want naar al deze dingen zoeken de volken, want uw hemelse Vader weet dat u al deze dingen nodig hebt" (Matth. 6 : 31 - 32)

26.      "Die vijanden van mij evenwel die niet wilden dat ik over hen regeerde, brengt ze hier en slacht ze in mijn bijzijn af!" (Luk. 19 : 27)

27.       "Eer van mensen neem Ik niet aan". (Joh. 5 : 41)

28.      "Van toen af trokken velen van zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem". (Joh.6:66)

29.      "En de duivelen smeekten Hem aldus: Zend ons in de varkens, opdat wij daarin gaan". (Mark. 5 : 12) .

30.      "En Ik zend de belofte van mijn Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit de hoogte" (Luk.24:49)

31.      "En hij (Zacheüs) liep snel vooruit en klom in een moer­bei vijgeboom om Hem te zien; want Hij zou daar langs komen" (Luk.19:4)

32.      "Toen Jezus nu zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn ' huis"(Joh.19:26-27)

33.      "Zie, er komt een uur en het is gekomen, dat u verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten: en toch ben Ik niet alleen; omdat de Vader met Mij is" (Joh. 16 : 32)

34.      "Wie in Mij gelooft, zoals de schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien" (Joh 7:38) 135

35.      "Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen" (Joh. 16 : 33)

36.      "En nadat Hij het boek had opgerold en aan de dienaar teruggegeven, ging Hij zitten, en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht" (Luk. 4 : 20)

37.      "Maar Ik ken u, dat u de liefde van God niet in uzelf hebt" (Joh.5:42)

 


 

Voorwoord

 

Het innerlijk woord en Jakob Lorber

 

Te allen tijde waren er vrome, godvruchtige mensen, die de Stem van God in hun hart hoorden. Wij kennen allen de vele plaatsen in het Oude Testament, waarin de profeet zegt: "En de Heer sprak tot mij". Ook in het Nieuwe Testament staat veel, dat zijn ontstaan dankt aan een innerlijke openbaring, zoals de 'Open­baring van Johannes'. In het na-apostolische tijdperk kenden kerkvaders als Hiëronymus en Augustinus, later de mystici van de Middeleeuwen, Bernhard van Clairvaux, Tauier, Suso, Thomas à Kempis en anderen grote waarde toe aan de innerlijke open­baring. Jakob Böhme (omstreeks 1600) en Emmanuel Sweden­borg (omstreeks 1700) schreven op grond van visioenen en in­tuïties, - men kan hen niet als profeten in de eigenlijke betekenis aanduiden, omdat zij het innerlijke woord niet bezaten. Echte hoorders van het innerlijk woord waren daarentegen de koopman Rulmann Merswin uit Straatsburg, die omstreeks 1350 de 'Negen Rotsen' schreef, de Noord-Duitse dominee J.W.Petersen rond 1700, schrijver van de 'Duizend Openingen van de Geest' en Johannes Tennhardt uit Neurenberg, die in 1712 zelfs een 'On­derricht van het Innerlijk Woord van God' uitgaf.

Maar veel belangrijker dan de geschriften van de laatst genoemde drie verlichte vrome mannen zijn de openbaringen, die ons mensen van deze tijd door de Oostenrijkse ziener en profeet Jakob Lorber werden gegeven. Door deze eenvoudige man met een reine ziel heeft God in de jaren 1840 - 1864 aan de mensheid een allesomvattende, de Heilige Schrift aanvullende, bevestigen­de en uitleggende Nieuwe Openbaring van Zijn Goddelijke wil, Zijn eeuwig plan met de wereld, Zijn doel met de mensen en Zijn allesomvattende liefdeleer gegeven.

Jakob Lorber (1800 - 1864) was afkomstig uit Stiermarken en heeft zich na zijn opleiding tot leraar en veelzijdig musicus geves­tigd in Graz, waar hij muzieklessen, bij gelegenheid ook concer­ten gaf en componeerde. Daarbij bewaarde hem de warme vriend­schap met de familie van Anselm Hüttenbrenner (directeur van het conservatorium in Graz) en diens broer Andreas Hütten­brenner (gedurende vele jaren burgemeester van Graz) vooral in de latere jaren niet altijd voor de ervaringen van bittere ma­teriële nood. Want ondanks zijn vele bekwaamheden kon Lorber geen goede betrekking vinden, tot hem door bemiddeling van Anselm Hüttenbrenner de baan van tweede kapelmeester bij het Opera theater van Triëst werd aangeboden, die hij besloot aan te nemen.

Maar tijdens zijn voorbereidingen voor de reis beval hem een innerlijke stem, die hij in de vroege morgen van 15 maart 1840 tijdens zijn ochtendgebed duidelijk hoorde: "Sta op, neem je griffel en schrijf!" Zeer geschrokken ging Lorber aan tafel zitten, legde pen en papier klaar en ontving nu op dezelfde manier het begin van 'Gods Huishouding': "Zo spreekt de Heer tot en in mij voor iedereen en dat is waar, getrouwen gewis. . . "

Zijn naaste vrienden, die hij deze buitengewone gebeurtenis toe­vertrouwde, waren daarover in hoogste mate verbaasd, ja op het eerste moment ernstig bezorgd om de geestestoestand van de door hen zeer gewaardeerde man.

Vaak woonde nu iemand van de ingewijden, die door de wijsheid van hetgeen door Lorber werd opgeschreven spoedig beter wer­den ingelicht, zijn mysterieuze schrijven als getuige bij.

Lorber zat daarbij rustig aan zijn tafeltje, had geen enkel boek noch een ander hulpmiddel bij zich en liet zijn pen, geheel in zichzelf gekeerd, tamelijk snel over het papier gaan, zonder een pauze om na te denken te maken of aan het geschrevene iets te verbeteren, volkomen als iemand die door een ander iets krijgt gedicteerd.

Laten wij luisteren naar wat hij over deze innerlijke stem op 16 mei 1858 aan een vriend op diens vraag meedeelt: "Over het innerlijk woord, hoe men dat verneemt, kan ik als van mijzelf sprekend weinig of niet veel zeggen dan slechts, dat ik het heilige woord van de Heer steeds in de hartstreek als een uitermate duidelijk uitgesproken gedachte verneem, helder en zuiver als uit­gesproken woorden. Niemand, hoe dicht hij ook bij mij staat, kan iets van een stem vernemen; maar voor mij klinkt deze genade stem nochtans helderder dan elke nog zo luide stoffelijke klank".

Nog gemakkelijker dicteerde hij wat hij innerlijk hoorde. Daarbij zat hij naast de schrijvende, rustig voor zich uit ziende en nooit stokkend in zijn gelijkmatige woordenvloed. En als zijn dicteren onverwacht voor langere tijd werd onderbroken, kon hij, zonder na te lezen wat reeds geschreven was, dadelijk weer bij het laatst geschreven woord beginnend, in de juiste samenhang verder gaan.

Aan deze roeping tot 'schrijfknecht van God' offerde Jakob Lorber in onwankelbare trouw zijn verdere leven, tot aan zijn heengaan op 23 augustus 1864.

Van de omvangrijke werken van Jakob Lorber zijn het tien­delige 'Johannes - het grote Evangelie' (de elfde band ontving later Leopold Engel door het innerlijk woord) en het driedelige 'De Huishouding van God' de omvangrijkste en ook wel de be­langrijkste; maar van niet minder betekenis mogen voorde meeste lezers de boeken over het hiernamaals zijn. De voornaamste daarvan zijn 'Bisschof Martin' (1 deel), 'Von der Hölle bis zum Himmel' (2 delen) en 'Die geistige Sonne' (2 delen).

 

Als 'Bijvoegsel' bij het tweede deel van het werk 'Die geistige Sonne' schreef Jakob Lorber een reeks van uitleggingen van Bijbelteksten op. die hier onder de titel 'Bijbelteksten en hun verborgen betekenis' worden aangeboden.

Indien u eerst wat meer informatie wenst over de persoon Jakob Lorber en zijn leer, kunt u het beste de informatie op blz. 152 e.v. lezen alvorens met dit boek te beginnen.

 

De Uitgever

 


.

 

Hoofdstuk 1

 

Een goede regel om het Oude en Nieuwe Woord met vrucht te lezen.

 

20 december 1843 ’s avonds

 

1. Mijn lieve kinderen! Met de volgende 'Aanvullingen' wil Ik u een heel belangrijk en nuttig voorschrift geven, zonder welk men geen nut kan hebben van het lezen van wat voor goede geestelijke boeken ook. Je kunt de Heilige Schrift, evenals dit Nieuwe Woord duizend maal achter elkaar lezen en toch zul je dan zonder deze regel niet vooruitkomen.

2. U hebt uw geheugen door het vele lezen wel tot aan de rand toe volgepropt, vraag nu eens aan uw geest wat hij daarmee heeft gewonnen en dan zal zijn vermoeide antwoord zo luiden:

3. "Ik ben wel chaotisch door allerlei bouwmateriaal omringd en er liggen balken en stenen op grote hopen op elkaar gestapeld; maar uit al dit materiaal werd nog niet eens een schamele hut gebouwd, waarin ik vrij zou kunnen wonen. Je stapelt het bouw­materiaal wel voortdurend op -louter edelstenen en het mooiste cederhout liggen hier in verwarde hopen voor mij - maar ik ben niet in staat het te ordenen. En ben ik hier en daar begonnen een beetje orde te brengen, dan komt er alweer een kolossale hoeveel­heid nieuw materiaal aan, zodat ik er wel moe van moet worden en huiver bij het zien van al dat nieuwe materiaal, dat ik weer moet gaan ordenen. En dan bedenk ik met weemoed wanneer toch eindelijk al dit materiaal eens zo geordend zal zijn, dat er een woning van gebouwd kan worden".

4. Zie, dit is een gefundeerd antwoord van de geest, dat elk veellezend mens duidelijk in zichzelf zal kunnen vinden.

5. Als zo iemand in zijn hele leven een paar duizend boeken heeft doorgelezen, wat heeft hij dan tenslotte niet een chaos in zijn geheugen! En als het goed gaat, dan zal het met al zijn be­lezenheid ternauwernood tot hem doordringen, dat hij nu pas inziet dat hij niets weet.

6. Hoe moeten we deze bekentenis zien? Het is niet anders dan een en dezelfde weemoedige klacht van de geest. die hiermee wil zeggen dat hij door deze ontzettend grote hoeveelheid bouw­materiaal niet eens een schamel hutje kan bouwen om daar vrij in te wonen!

7. Er zijn mensen die het Oude en Nieuwe Testament letter­lijk uit hun hoofd kennen; als men ze echter naar de innerlijke betekenis van slechts één vers vraagt, blijken ze daar evenveel van te weten als degenen, die geen enkel vers uit hun hoofd kennen en dikwijls nauwelijks weten dat er een Heilige Schrift bestaat. Wat heeft dit prachtige materiaal hun dan voor nut?

8. De geest woont slechts in het geestelijke: als er uit dit ma­teriaal niet eens een schamel hutje voor hem kan worden ge­bouwd in de innerlijke geest der waarheid, waar moet hij dan wonen, waar zijn zaken ordenen, en van welk punt af zal hij het materiaal moeten beginnen te sorteren?

9. Is het dan niet beter minder materiaal te bezitten, maar daar voor zij n geest wel dadelijk een kleine respectabele woning van te bouwen, zodat de geest daar een vaste vrije plaats heeft van waar­uit hij nieuwe plannen kan maken en het nieuw aankomende materiaal daarvoor kan gebruiken?

10. Hoe zal een akker die uit de vruchtbaarste grond bestaat er wel gaan uitzien, als j e duizenderlei gemengde zaden tegelijker­tijd daarop uitzaait? De zaadjes zullen zeker opkomen; maar wat kan de zaaier ermee doen? De opbrengst van de akker zal nauwe­lijks voor wat slecht veevoer kunnen dienen. De sterkere planten zullen de zwakkere verstikken, het onkruid zal woekeren en het koren zal slechts hier en daar spaarzaam en erg verkommerd tevoorschijn komen.

11. Hieruit volgt echter, dat overal waar je iets nuttigs wilt tot stand brengen er een ordening geschapen moet worden, zonder welke je doornen. distels, groente en knollen door elkaar heen verbouwt. wat nooit voor iemand nuttig kan zijn.

12. Waaruit bestaat deze ordening?

13. Als je uitgelezen tarwe hebt. zaai het dan op een goede en schone akker uit en je zult een goede, zuivere oogst krijgen.

14. Wie een goed bouwterrein heeft en ook materiaal, moet niet wachten tot hij een overvloedige hoeveelheid bouwmateriaal heeft bijeengebracht om dan pas met bouwen te beginnen; want met die grote hoop materiaal zou tenslotte het hele bouwterrein vol liggen.

15. En als dan de architect komt en vraagt: "Vriend, waar wil je het huis eigenlijk hebben staan?" Wat zul je hem dan antwoor­den? Zeker niets anders dan: "Daar waar de grote hoop bouw­materiaal ligt!"

16. En de architect zal tegen hem zeggen: "Waarom liet je dan van tevoren dit materiaal neerleggen op de plaats waar gebouwd moest worden nog voordat we een plan gemaakt hebben en de grond hebben uitgegraven? Als je het huis nu op deze plaats wilt hebben, dan moet je eerst al het materiaal weghalen en de plaats helemaal vrij maken. Dan zal ik terugkomen, zal alles opmeten, het plan maken, de grond laten uitgraven en tenslotte pas het materiaal onderzoeken of het wel voor het bouwen van het huis geschikt is.

17. Zie, uit deze gelijkenis kun je al enigszins de gevolgtrekking maken hoe weinig nut een grote belezenheid voor iemand heeft, als hij daarmee niet in de juiste volgorde werkt.

18. Waaruit bestaat echter deze orde? Deze bestaat heel een­voudig daaruit, dat iedereen elke nieuwe lading of zending van het materiaal direct gaat ordenen met het oog op de woningbouw en niet eerder naar een tweede lading grijpt, voordat hij de eerste heeft verwerkt. Op deze manier zal hij met het bouwen vlug op­schieten en zal dan ook altijd genoeg ruimte overhouden om een voldoende hoeveelheid goed gesorteerd nieuw bouwmateriaal te plaatsen.

19. In goed verstaanbare taal en heel duidelijk gezegd bestaat deze ordening daarin, dat ieder na het gelezene dadelijk er naar handelt en zijn leven daarnaar inricht; het gelezene zal hem dan van nut zij n, in het tegenovergestelde geval echter schaden, want een ieder moet niet alleen luisteren naar het woord, maar hij moet er ook naar handelen.

20. Spoedig meer uitleggingen!

 

Hoofdstuk 2

 

Een tegenwerping en de weerlegging ervan.

 

21 december 1843 's avonds

 

1. Iemand kan hierop wel zeggen: "Het is waar dat men het lezen slechts vruchtbaar kan maken door na het lezen ernaar te handelen; maar als iemand zoveel materiaal krijgt, dan kan hij dat toch al doende opzij leggen en daarvan slechts zoveel lezen als waarvan men overtuigd is daar metterdaad naar te kunnen leven.

2. Denk eens aan de grote hoeveelheid gegevens in het Oude en Nieuwe Testament en daarnaast de overgrote massa werkelijk geestelijk exegetische boeken! Als men dat alles slechts naar de graad van handelen zou lezen, dan kon men gedurende zijn hele leven op zijn hoogst een paar hoofdstukken doorwerken".

3. Ik zeg echter: Als men van dit standpunt uit de zaak bekijkt, dan heeft degene die bedenkingen heeft wel gelijk; want als men slechts zoveel wil lezen als datgene waarvan men overtuigd is dat men het in de daad kan omzetten, dan waren een paar hoofd­stukken nog te veel! Maar als je het van een andere kant bekijkt is het gegeven materiaal nooit teveel en kan de lezer alles dadelijk in de praktijk brengen.

4. Want men zou bijvoorbeeld ook kunnen zeggen: Als een landman een groot stuk vruchtbare akker bezit, die hem een honderdvoudige oogst oplevert, waarom bezaait hij dan niet de hele akker? Want een tiende deel ervan brengt zoveel op als hij voor eigen gebruik nodig heeft.

5. Ik vraag u: Als deze landman de hele akker bezaait met goed koren en de akker brengt hem honderdvoudige oogst, waar­van een tiende voor zijn onderhoud voldoende is, zal het over­tollige negen-tiende deel hem dan schaden? Zeker niet! Want de helft van de overvloed kan hij onder de behoeftigen verdelen, die hem daarvoor zeer dankbaar zullen zijn en de andere helft kan hij op de markt brengen. En daar het van goede kwaliteit is zal hij veel kopers vinden die het tegen een gunstige prijs van hem willen kopen en het gewonnen geld. kan hij dan gebruiken voor zijn verdere bedrijf en hij zal daardoor een rijke en geachte landman worden.

6. Welnu, uit dit voorbeeld volgt duidelijk, dat als iemand een goede akker heeft en daarbij veel en goed zaad, dan moet hij bij het uitzaaien niet zuinig zijn. Want wie rijkelijk zaait zal ook rijkelijk oogsten, maar wie zuinig zaait zal zuinig oogsten. En wat heeft men daarvoor dan nodig? Als de akkergrond goed be­werkt is dan kun je daarop veel koren uitzaaien en geen korrel zal te gronde gaan in die goede aarde. maar elke korrel zal tot een zware aar uitgroeien.

7. Zo is het ook met deze zaak gesteld, wat het geestelijk uit­zaaien van het woord betreft door middel van het lezen.

8. Voor de bewerking van de geestelijke bodem heeft de mens niet meer nodig dan de twee geboden der liefde; hiermee kan hij zijn geestelijke akker heel gemakkelijk bewerken. Is dat gebeurd, dan kan een ieder zoveel in zijn eigen grond zaaien als hij kan en wil; ofwel hij kan zoveel goede lectuur tot zich nemen als hij zich maar kan verschaffen - de hele Heilige Schrift en alle daarop betrekking hebbende verklaringen - en hij zal niets in zich op­nemen wat hem niet een rijke oogst zal opleveren.

9. Want het verschil tussen het onvruchtbare en het vruchtbare lezen bestaat hierin:

10. Als iemand bijvoorbeeld alleen door lezen zich zou willen opwekken en geestelijk beïnvloeden, dan lijkt deze werkwijze precies op die, waarbij iemand op een onbeploegde en niet be­meste akker de zaden zou uitstrooien. Zullen dan niet al gauw de vogels uit de lucht neerstrijken en ze in korte tijd grotendeels opeten? En zal een klein deel dat onder het onkruid viel hierdoor niet spoedig verstikt worden, zodat tenslotte als er geoogst wordt niet één in de halm geschoten zaadje is te bekennen?

11. Daar de zaaier of de lezer echter niets ziet opkomen wat de moeite waard is, zal hij dan niet mismoedig worden en de akker en al het gezaaide graan dat geen oogst opleverde tenslotte ver­wensen? !

12. Duidelijk gezegd: Zulke mensen worden dan ongelovig, vallen de goede zaak af en houden hem tenslotte voor puur be­drog.

13. Maar het is heel anders als iemand daarvóór al door de ware liefde tot Mij en de naaste zijn geest levend heeft gemaakt of beter gezegd vanuit Mij vrij heeft gemaakt en zo zijn akker goed bemest en geploegd heeft; die leest dan de geschriften van Mijn genade en erbarming niet opdat ze hem tot een goede akker zullen bewerken, maar nadat Ik in hem de geest van zijn liefde tot Mij heb gewekt, leest hij ze omdat hij Mij steeds meer van aangezicht tot aangezicht wil zien en daardoor mogelijkerwijs steeds meer zal groeien in de liefde tot Mij en daaruit tot de naaste.

14. Zal hij dan in dit geval niet elk woord van Mij levend en eeuwig waar in zich opnemen, als hij van tevoren in zichzelf al levend is? Is hij echter niet van tevoren in zichzelf levend, zal dan niet zelfs het meest levende woord in hem gedood worden?

15. Werp goudstukken in een stinkende poel en het zwavel­houdende zout van de poel zal de goudstukken oplossen en ze ook in vuile modder omzetten. Gooi je echter onedele metalen in een echte goudtinctuur, dan zullen die tenslotte aan het edele goud gelijkwaardig worden.

16. Dat is ook hier het geval! Door het lezen van Mijn woord zowel als door het luisteren ernaar kan elk mens voor zichzelf en voor zijn broeders een onmetelijke winst boeken, als hij zich van tevoren door het nakomen der twee geboden in een goudtinctuur heeft veranderd. Als hij echter nog een poel is, dan zullen nog zo­veel daarin geworpen goudstukken hem zeker niet tot een goud­tinctuur maken.

17. Zo staat immers ook geschreven: "Want wie heeft, hem zal worden gegeven en hij zal overvloed hebben; wie echter niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen". '*' (* Matth. 13 : 12) Onder 'hebben' wordt hier verstaan: in het bezit zijn van een goede, be­meste en geploegde akker of het in zichzelf een volkomen vat zijn vol van de ware goudtinctuur, die bestaat uit een vrije, levende geest. Onder 'niet hebben' wordt echter verstaan: zaad op een niet bewerkte grond strooien, waardoor de zaaier niet alleen geen oogst kan verwachten, maar ook het zaad verliest dat hij heeft gestrooid; of het betekent ook: in zichzelf een zwavelzout hou­dende poel te zijn, die niet alleen nooit tot een goudtinctuur kan worden doordat men daar goud inwerpt, maar dat goud gaat dan bovendien nog verloren.

18. Ik geloof, dat dit nu wel duidelijk is! Wie bij het licht van deze fakkel de waarheid nog niet inziet, die zal wel moeilijk ooit van zij n ogenstaar bevrijd worden. Daar echter, zoals Ik reeds zei, de blinde mens nooit een teveel aan licht kan hebben, wil Ik ook nog bij de gift van deze zon tenslotte het licht van alle centrale zonnen op één punt samentrekken, opdat zich in zo'n hevig fel licht des te duidelijker laat zien, wie in alle ernst volkomen blind is! ­

Hierna dus meer van dergelijke nadere uitleggingen.

 

Hoofdstuk 3

 

De gelijkenis van de wijze en de dwaze bouwmeester en de verklaring daarvan.

(Mattheus 7:24 - 27)

 

                                                          22 december 1843 ’s avonds

 

1. In het Nieuwe Testament leest men een gelijkenis van een wij­ze en een dwaze bouwheer. die de volgende inhoud heeft: de ene bouwde zijn huis op een rots en de ander op los zand. En de stormwind kwam en er viel een slagregen neer. Het huis dat op de rots stond trotseerde beide, maar het huis op het zand ging verloren.

2. Wie deze gelijkenis slechts op een afstand beziet, moet al dadelijk op het eerste gezicht twee centraalzonnen zien.

3. Op wie lijkt de wijze bouwheer? - Zeker op degene, die zich al eerder door de twee bekende geboden volkomen zeker heeft gesteld. En als dan de stormen en de hevige regens komen, dan kunnen deze niet alleen de bouwheer geen schade berokkenen, maar ze maken zijn huis op de rots nog steviger, want de winden drogen het gemetselde huis uit en maken het dorstig naar vocht. Komt dan de regen, dan wordt die door de droge muren van het huis opgezogen, lost hier en daar in de voegen kleine deeltjes op die lijmachtig worden en die dan als dit zich vaker herhaalt, het metselwerk steeds vaster maken.

4. Natuurlijke voorbeelden van deze waarheid kun je bij elke oude ruïne van een burcht vinden, die vaak eeuwen trotseert; en als ze eens afgebroken zou moeten worden, dan breekt men gemakkelijker nieuw gemetselde stenen dan dergelijk metselwerk af. De oorzaak daarvan is de regen, die door zijn oplossende kracht bepaalde delen van de steen in een kalkachtig slijmerige massa verandert en daardoor in de loop van de tijd het hele metselwerk tot één geheel verbindt.

5. Welnu, zo gaat het nu ook met een door de wetten der liefde gewekt mens! Hij is een bouwwerk op een rots. De winden die om het bouwwerk waaien en het doen drogen en dorstig maken, zijn de edele begeerten om de Schepper van alle dingen steeds meer en meer te Ieren kennen, om dan met zulke kennis in liefde tot Hem te kunnen groeien. De daarop volgende stortregens zijn de werken die de dorstige te verwerken krijgt. Begerig zuigt hij deze in zich op en merkt daarna steeds, hoe door hun invloed de nog lege, niet verbonden kloven in hem langzamerhand opge­vuld worden en tot een vesting gemaakt worden. En hoe langer de stortregens op dit gebouw neervallen, des te steviger is na elke bui het gebouw weer geworden.

6. Maar wat voor een heel andere uitwerking hebben de wind en de slagregens op het gebouw dat daar beneden op los zand werd gebouwd. Als daar de winden komen en op het losstaande gebouw stoten en het doen trillen en als dan het water komt, waardoor de slagregen werd veroorzaakt, dan is dat ook het einde van het bouwwerk. De slechte grond is de oorzaak dat er scheuren en barsten in het metselwerk kwamen en nu stoten de winden dat reeds gescheurde metselwerk verder stuk; en komt dan het water erbij, dan trekt dat het hele gebouw zonder moeite omlaag en spoelt alles in een nabij zijnde stroom van verderf.

7. Ik geloof, dat dit wel net zo duidelijk is als het licht van een centraalzon! Want een mens die geen flauw idee heeft van een geestelijke voorbereiding moet toch wel te gronde gaan, als hij met het doel voor ogen om een vast bouwwerk of een geestelijk wijs mens te worden, de geestelijke winden en de geestelijke slag­regens over zich heen laat komen.

8. Geef een geheel of tenminste half wereldlijk mens de bijbel in handen en zeg tot hem: "Vriend! Lees hier vlijtig in en je zult vinden wat je ontbreekt: een verborgen schat waarnaar je altijd vraagt, bestaande uit goud, zilver en edelstenen, die het volkomen leven voor je ziel is". - En de vriend zal na deze raad dadelijk de bijbel met grote opmerkzaamheid lezen.

9. Maar hoe begeriger en opmerkzamer hij dit werk zal lezen, op des te meer uiterlijke tegenspraken zal hij stuiten en hij zal al gauw tegen zijn vriend zeggen: "Vriend. ik heb nu het door jou aangeraden boek al wel zes - of zevenmaal doorgelezen, maar hoe vaker en hoe opmerkzamer ik het doorlees, op des te meer tegenspraken en onzin ik stuit. Wat moet ik eigenlijk met al die nonsens en wat met die mysterieuze profetieën, die evenveel samenhang vertonen als de Chimborasso in Amerika met de Himalaja in Azië?

10. Dat beide gebergten zich zeker op één en dezelfde aarde bevinden is duidelijk; zo staan ook soortgelijke profetieën in een en hetzelfde boek, dat is ook duidelijk. Maar hoe zulke profetieën zinvol samenhangen, of hoe in elk geval de Chimborasso via het middelpunt der aarde met de Himalaja in Azië samenhangt, dat vast te stellen zal een aardse natuuronderzoeker moeilijk geluk­ken, zolang hij nog bang is voor het vuur en voor zijn geringe dorst een te machtig blusapparaat vindt in het vele water van de zee.

11. Ik kan je zeggen, beste vriend en broeder, toen ik dit boek voor de eerste keer had doorgelezen, kwam het mij in ernst voor als was er één of andere wijsheid in verborgen; maar naarmate ik het daarna vaker en met meer kritische opmerkzaamheid weer doorlas, werd ik er ook meer en meer van overtuigd dat dit hele boek niets anders is dan een schatkamer met de meest omvat­tende inhoud van de allerbaarlijkste onzin. Want afgezien van enige praktische oude wijsheidsspreuken wordt de éne onzin door de andere verdrongen en afgezien van die enkele spreuken, die nu ook niet bepaald van het zuiverste goud zijn, is dit boek zeer ge­schikt om vanwege zijn mystieke vorm de mensen nog eeuwen­lang bezig te houden, omdat ze zo dom zijn.

12. Uit deze spitsvondigheid kan men voldoende opmaken, wat de wind en de slagregens uit de bijbel, bij ons wereldse gebouw op het zand voor een effect hebben gehad. Is zo'n op het zand gebouwd mens echter tenslotte zo vernield, dan moge wie dat wil hem samenrapen: want Ik en al Mijn engelen vinden zo'n werk één van de allermoeilijkste, en het is gemakkelijker om tien­duizend mensen uit alle stegen en straten tot het grote gastmaal van het Leven binnen te brengen. dan één enkel mens die met het lezen van de bijbel een soort koehandel ging maken.

13. Zoals het gaat met het lezen van de bijbel, zo is het ook gesteld met het lezen van al haar innerlijke geestelijke exegesen (*Verklaring van geschriften) Want dan zal iedereen zeggen: "Als dat de betekenis is, waarom is het dan niet zo geschreven?"

14. En al verklaar je hem de reden van deze beeldspraak ook nog zo duidelijk, dan zal hij je daarom alleen maar in het gezicht uit­lachen en hij zal zeggen: "Als de daad volbracht is, is het gemak­kelijk te profeteren! Want elke onzin laat zich als deeg keren en wenden en men kan het de vorm geven die men wil; want de chaos is de oorzaak van alle dingen - daaruit laat zich in de loop van de tijd alles vormen. Maar waarom niet een profetie zo geven, zoals daadwerkelijk plaats vindt? De reden is: omdat men dat van tevoren niet kan weten; en daarom geeft men dan een mystie­ke onzin, waaruit zich elke daad laat vormen die in de toekomst plaats vindt.

15. Dat is dan ook het eindoordeel, dat geen centraalzon beter belicht kan tonen. - Ik ben van mening dat dit ook duidelijk zal zijn; maar desalniettemin zullen we nog meer centraalzonnen erbij halen. De volgende keer daarom nog een centraalzon!

 

Hoofdstuk 4

 

"Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij."

(Joh.14:6)

 

27 december 1843 's avonds

 

1. Zal het moeilijk zijn om nog een centraalzon hierheen te ha­len? O neen, niet in het minst! Want we hoeven alleen maar de eerste de beste tekst uit het boek van het Nieuwe Testament aan te halen en er staat al een nieuwe centraalzon voor u met hetzelfde oerlicht en met dezelfde kracht en uitwerking. Bijvoor­beeld: "Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader - dan door Mij".

2. Kijk, daar hebben we dadelijk alweer een centraalzon. Wie haar licht in zijn binnenste kan zien, die zal met een dergelijke belichting zeker inzien, dat alleen maar lezen zo goed als geen uitwerking heeft om daarmee het eeuwige leven te verkrijgen.

3. De Vader is de eeuwige liefde in Mij, zoals ook Ik in Mijn hele goddelijke Wezen van eeuwigheid her volkomen in haar ben. Want Ik en de Vader zijn één, of Ik en Mijn eeuwige liefde zijn één, of, zoals de liefde eeuwig in haar wijsheid levend woont, zo woont ook de wijsheid eeuwig in de liefde, waar ze uit voortkomt.

4. De Vader of de liefde is de grond van alle leven; wie niet terugkeert tot deze levende oerbron van alle leven, die blijft dood en hij kan nergens anders een leven verkrijgen.

5. Waar is echter de deur tot de Vader? En wie is deze deur? Zijn het de vele boeken en geschriften die iemand leest, of ben Ik het?

6. Ja, men zal hier goedwillend wel dadelijk mee instemmen en zeggen: "Ja zeker, als men de leer van Christus nauwkeurig onder­zoekt, dan zal men niet licht een andere mening zijn toegedaan dan deze, dat men alleen door navolging van deze leer een eeuwig leven voor geest en ziel kan bereiken. En in dit opzicht is het ge­heel juist wat Christus over Zichzelf heeft gezegd, dat namelijk alleen Hij de weg, de waarheid en tevens het leven Zelf is!"

7. En waarlijk, Ik zeg u: Er zijn er duizenden en nog eens dui­zenden, die zulk een bekentenis afleggen en dat wel op grond van hun goede inzicht; en toch zeg Ik: Zij zijn dood en hebben noch de weg noch de waarheid, noch de deur en het leven gevonden.

8. Men zal hier zeggen: "Dit klinkt grof en meedogenloos! Hoe kan de allergrootste liefde van God dit zeggen? Wat kan een mens meer doen, dan door ijverige studie tot een volkomen inzicht in de grote waarheid en goddelijkheid van de grote Leermeester te geraken? Wat hogers kan een mens doen dan pogen om de ware, hoogste, heilige waarde van het goddelijke woord duidelijk te er­kennen, en door zijn vlijt ook werkelijk tot die erkenning ko­men?"

9. Ik zeg echter: Dat is aan de ene kant wel waar - het is beter zo iets te doen dan alles te verwerpen en dan de hoogmoed van de wereld de vrije teugel te laten, maar in de Schrift staat ook: "Velen zullen in die tijd tot Mij zeggen: 'Heer, Heer!", en dan staat er wat Ik tegen hen zal zeggen: "Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij!"

10. Dat is de reden van die u zeker bekende plaats in het Nieuwe Testament. Door de uitspraak 'Heer, Heer!' wordt uitgedrukt, dat Christus wel als de weg, de waarheid en het leven wordt erkend. Maar wat voor nut heeft dat erkennen als niemand op de weg wil wandelen en geen zin heeft daadwerkelijk naar die waarheid te handelen om zo door haar tot het leven te komen?

11. Ik ben toch zeker geen toneelspeler, die zich tevreden laat stellen met de lege bijvalsbetuiging van het handen klappen, maar Mijn doel is eeuwig en ernstig en daarom verlang Ik ook een ernstige daad en niet alleen maar lege bijvalsbetuigingen.

12. Hoe zou een rijke bruidegom wel staan te kijken, als ver­schillende bruiden hem bijval betuigden en hem loofden en pre­zen; en wanneer een van hen, wanneer hij haar zou willen aan­nemen, zou weglopen en hem bovendien in haar hart zou honen over zulk een driestheid?

13. Zeg eens, zal de bruidegom wel één van zulke dwaze brui­den tot vrouw nemen? Waarlijk, hij zal naar buiten gaan en zal een hoer opzoeken en tot haar zeggen: "Ik weet dat je een hoer bent, maar ik zeg je: laat af van die bezigheid en ik zal je tot vrouw nemen!"

14. En de hoer zal van haar bezigheid afzien, omdat ze door haar pas ontwaakte echte liefde daartoe wordt aangezet en ze zal een zeer geliefde vrouw van de bruidegom worden - en ze zal zijn als een Magdalena, die eerst onder alle vrouwen van Israël de laatste was; toen de ware bruidegom haar echter riep, werd ze de eerste onder alle vrouwen, die met de Bruidegom Zelf de grote opstanding tot het eeuwige leven vierde!

15. Voorwaar, zij las geen boeken, maar toen ze de Ware had herkend, deed ze dadelijk afstand van haar wereldse bezigheden en vatte een vaste onuitroeibare liefde op voor Degene, die zij als de Ware had herkend, en ze bracht Hem vanwege haar grote liefde alles ten offer wat ze op deze wereld bezat.

16. Zie, voor zulk een bruid was Ik in de echte levende werk­zaamheid de weg, de waarheid en het leven!

17. In die tijd waren er heel veel, die Mij ook als zodanig had­den herkend, maar die van het handelen daarnaar niets wilden weten; daarom slaat op hen ook de tekst: "Vele eersten echter zullen de laatsten zijn en laatsten de eersten".

18. Maar is dan de weg, de waarheid en het leven metterdaad werkelijk zo moeilijk? Staat er niet: "Mijn juk is zacht en Mijn last is licht"? - Ja waarlijk, zo is het ook! De hele weg, de waar­heid en het leven en het zachte juk en de lichte last zijn besloten in de twee geboden der liefde.

19. Is het dan werkelijk zo moeilijk Hem lief te hebben die die eeuwige liefde Zelf is, en is het moeilijk de eigen broer lief te hebben? Voorwaar, niets is gemakkelijker dan dat! - Verwijder alleen maar de wereld, deze oude pest van de geest, uit je borst en je zult ervaren hoe heerlijk en gemakkelijk het is de eeuwige liefde en ook zijn broeder lief te hebben!

20. Maar het is inderdaad moeilijk de eeuwige liefde en de broe­der lief te hebben, als het hartvol is van de wereld, vol van wereld­se berekeningen, vol van geld, vol speculatie en vol van helse mathematiek, die op een haar weet te berekenen wat een stuiver per jaar voor rente oplevert als je ermee woekert.

21. Ja waarlijk, waar het hart vervuld is met dit soort vaardig­heden, daar zal het "Heer, Heer!" niet veel helpen, en de weg, de waarheid en het leven zal daardoor zo smal en doornig worden, dat hij wel bezwaarlijk ooit bewandeld zal kunnen worden.

22. Wat heeft het lezen van duizenden nog zo waardevolle boe­ken dan voor zin? Zullen ze iemand tot leven wekken die dage­lijks bezig is zijn hart meer en meer met alle afval van de wereld vol te stoppen?

23. Zeg eens, zal iemand van u met een standbeeld kinderen kunn en verwekken? Of zal een nog zo kunstig geschilderde zaad­korrel opkomen, als jullie die in de aarde leggen? Toch zeker noch het één noch het ander! Het levende kan slechts met het levende nieuw leven verwekken; zo kan ook het levende woord slechts in het levende hart weer vrucht dragen.

24. Voor de geestelijk dode echter is ook het levende woord niets anders dan een geschilderde zaadkorrel en hij kan talloze van dergelijke zaadkorrels in zich strooien, maar dan zal hij toch nooit een vrucht tot stand kunnen brengen; omdat hij het woord niet levend maakt, wordt het ook niet levend in hem.

25. Wie echter slechts weinig hoort maar wel ernaar handelt, die handelt naar Mijn woord en zoekt het Rijk van God werkelijk, en al het andere wordt hem erbij gegeven. Ik geloof dat dat ook duidelijk is; maar de volgende keer nog meer centraalzonnen!

 

Hoofdstuk 5

 

"Ik heb dorst!" - "Het is volbracht!"

(Johannes 19:28 en 30)

 

28 december 1843 's avonds

 

1. Opdat u tenslotte niet kunt zeggen dat niet elke tekst een volledige centraalzon zou zijn, maar alleen die, welke Ik Zelf hier aangeef, kunt u zelf een tekst kiezen, welke u maar wilt. En we zullen dan zien of deze niet een en dezelfde hoofdreden helemaal zoals een centraalzon voor het geestesoog zeer helder verlicht. Kies dus maar!

2. U hebt de beide kleine teksten genomen: "Ik heb dorst!" en "Het is volbracht!"

3. Voordat wij nu tot de belichting overgaan, moet Ik u nu al de verzekering geven, dat Ik u de keus volkomen vrij heb gelaten; want anders zou u tenslotte kunnen zeggen, dat Ik juist datgene zou hebben ingegeven wat Ik kan gebruiken. ­ En nu pas gaan we over tot de hoofdzaak.

4. "Ik heb dorst!" Waarnaar? Naar de liefde, die de wereld niet heeft, - zodat ze Mij ook azijn en gal gaven om Mijn dorst te lessen in plaats van het leven brengende water en ze geven het nu nog steeds.

5. "Ik heb dorst!" Waarnaar? Naar het leven, dat Ik van eeuwig­heid her Zelf ben en dat Ik in zo rijke mate van het oerbegin af aan talloze wezens heb gegeven!

6. Naar dit leven dus ben Ik dorstig. Eindeloos vele malen is dit leven in de dood overgegaan. Ik kwam om het aan de dood te ontrukken. Daarom had Ik zeer veel dorst op het ogenblik van de grote verlossing naar dit kwistig gegeven leven; maar de dood had zozeer de overhand genomen, dat het eeuwig levende bloed der Liefde hem niet vermocht op te wekken.

7. Toen Ik het leven verlangde te drinken, gaf men Mij niet het leven, maar men gaf Mij de dood te drinken. De drank bestond uit azijn en gal; azijn als het symbool van het samentrekkende en verhardende en de gal als het symbool van de haat, toorn en woede.

   8. Dit beeld is helder en duidelijk weergegeven en we zullen zien of we het verder kunnen gebruiken.

   9. Zie, zo roep Ik tot eenieder, en ook tot u: "Ik heb dorst!", of wat hetzelfde is: "heb Me lief, geef Me je liefde te drinken! Heb God boven alles lief en uw naaste als uzelf. Het is het water des levens in u, waarnaar Ik dorstig ben.

   10. Vraag: Geeft u Mij dit water wel? Of is het zo, dat u Mij ook azijn en gal aanreikt?

11. Het weinige dat Ik van u verlang is alleen maar liefde en het handelen ernaar. Als u echter alleen maar leest in plaats van de ware levende liefdedaad te volbrengen en daarbij alleen maar doet wat uw wereldse zin bevredigt, is de vraag: Is het niet azijn en gal in plaats van levend water wat u Mij geeft? Ja, Ik zeg u: Hoe meer u bij elkaar leest en daarbij niets doet dan wat uw wereldse zin bevredigt, des te zuurder wordt de azijn en des te bitterder de gal.

12. Er staat dan wel: "Het is volbracht!" Maar wat? - Mijn eigen strijd voor u; want meer kan Ik niet doen, dan als uw Schep­per, God en Heer en het eeuwige leven Zelf, uw dood op Mij nemen.

13. Dat Ik echter in Mijn eeuwige geest niet gedood kan wor­den, behoeft geen verdere verklaring. De strijd voor uw leven kan Ik eindeloos lang voortzetten. Maar omdat u zelf eindig bent, moet deze strijd ook een zo hoog mogelijk doel hebben. Is dit doel bereikt, dan is de strijd volbracht, tenminste van Mij uit be­schouwd, maar niettemin soms ook bij u, die Mij, die voor uw leven de strijd heeft volbracht, uit louter dankbaarheid in plaats van levend liefdewater slechts azijn en gal aanreikt?!

14. Het is weliswaar volbracht; maar niet voor u, doch helaas alleen voor Mij Zelf, of: Ik heb alles voor u gedaan wat ook maar in de goddelijke mogelijkheid staat; daarom heb Ik Mijn werk ter­wille van u volbracht. Maar doet u ook daarnaar, alsof dit werk in u volbracht zou zijn?

15.O ja, u leest ijverig, u schrijft ook ijverig en u praat ook graag onder elkaar over Mij; maar als Ik zeg: "Wijd slechts een vol uur

per dag aan Mij in plaats van uw tijd te besteden aan wereldse gedachten en genoegens; heilig dat uur daarvoor, dat u daarin met niets dan met Mij in uw hart bezig bent!" - oh, dan zult u honder­den bezwaren hebben en honderd wereldse gedachten zullen als een wervelwind om één enkele zwakke geestelijke gedachte heen ­draaien.

16. Allerlei wereldse overwegingen zullen dan in u opkomen; en als iemand dan toch zou besluiten zo'n uur aan Mij te wijden, dan zal hij zich zeker niet zo erg daarop verheugen, maar hij zal eerder een enigszins onbehaaglijke schroom ervoor hebben en hij zal de minuten tellen en niet zelden met ongeduld op het eind van het aan Mij gewijde uurtje wachten.

17. En komt er dan ook maar een nog zo onbelangrijk werelds gebeurtenisje tussenbeide, dan wordt dat uurtje helemaal ge­schrapt of tenminste tot een tijdstip verschoven, waarop gewoon­lijk de weldoende slaap zich al aankondigt en waarin, vooral bij het vrouwelijk geslacht geen aangenaam bezoek meer te ver­wachten is en men geen hartversterkende wandelingen meer kan maken.

18. Zie, dat alles is azijn en gal! En het is in u daardoor niet volbracht, wanneer Ik tengevolge van Mijn oneindige liefde al het denkbare doe om u op de rechte levensweg te brengen; want tot het volbrengen in u is het nodig dat een ieder zichzelf wil verloochenen uit ware liefde tot Mij, dat hij zijn kruis op zich neemt en Mij getrouw navolgt.

19. Wie doet dat echter? Sommige vrouwen kunnen wel als het mogelijk is de hele dag naaien en stikken om hun lichaam te bekle­den en ze kunnen zich mooi maken en zich vaak bovenmate ver­heugen op een of ander bezoek; maar als Ik daarvan zou willen zeggen: "Blijf thuis in je kamer en denk aan Mij in je hart!", dan worden ze verdrietig, laten hun gezicht geheel betrekken en zeg­gen dan: "We hebben ook nooit iets prettigs op deze wereld!"

20. Vraag: Is dat niet azijn en gal, als je dat zo hoort? En stellen dezulken in hun hart niet een nog zo nietszeggend werelds plezier boven Mij? Hebben zulke mensen het ook in zichzelf vol­bracht, zoals Ik aan het kruis voor hen de grote strijd heb vol­bracht?

21. Geef ze aardige boekjes met allerlei verhaaltjes, die wat Mij betreft ook op Mij betrekking kunnen hebben; ze zullen ze heel graag lezen en dat vooral als er zo nu en dan van een romantisch huwelijk sprake is of daarin wonderbaarlijke sprookjes voor­komen. Geef ze echter een iets ernstiger boekje en ze zullen dat met evenveel smaak lezen, als een aan goed eten gewende hond een droge broodkruimel eet, die hij hoogstens besnuffelt, dan echter al gauw met de staart tussen de benen en hangende oren wegloopt.

22. Daar echter het doen toch altijd nog een ernstiger zaak is dan het alleen maar lezen van zelfs het ernstigste boek, is het gemakkelijk te begrijpen met hoeveel moeite het doen te kampen zal hebben.

23. Veel mensen luisteren graag naar goede muziek van kunste­naars; maar hoe weinigen van hen willen zoveel zelfverlooche­ning opbrengen om door een inspannende studie zelf kunstenaar te worden?

24. Luisteren is gemakkelijk en lezen niet moeilijk en even gemakkelijk is het toekijken; maar het zelf doen heeft voor nie­mand grote aantrekkingskracht. Wat voor nut heeft iemand aan het weten en het niet daarnaar doen?

25. Zie, dat alles is azijn met gal en brengt het volbrengen niet tot stand! Wel in Mij, want Ik geef iedereen al het mogelijk denk­bare voor het volbrengen, - maar niet in de mens die het niet zo­danig en daartoe wil gebruiken, als waarvoor Ik het hem geef.

26. Weest daarom niet alleen maar hoorders, maar daders van het woord! Want alleen door te handelen les je Mijn dorst met het levende water der liefde, anders reik je Mij altijd azijn en gal.

27. Ik denk dat dit ook duidelijk zal zijn; de volgende keer evenwel nog meer centraalzonnen!

 

Hoofdstuk 6

 

"En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem, maar sommigen twijfelden".

(Mattheüs 28:17)

 

29 december 1843 's avonds

 

1. Ook hier hebt u weer de vrije keus van een tekst; kies dus, en wij willen zien of hij ook als centraalzon deugt voor ons voor­nemen.

2. "En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem, maar sommigen twijfelden".

3. U hebt deze tekst genomen en daarmee ook weer de spijker op de kop geslagen.

4. "Toen ze hem zagen, aanbaden ze Hem". Wie zagen ze dan, waarmee zagen ze Hem en hoe aanbaden ze Hem?

5. Ze zagen Mij, de Heer. Waarmee dan? Met hun ogen. En hoe aanbaden ze Mij? Met hun mond. Waarom aanbaden ze Mij dan? Omdat ze door het wonder wisten wie Ik ben; ze wisten namelijk dat Ik de Heer ben. Hoe wisten ze dat? Ze wisten het door Mijn leer en door Mijn daden en door het wonder van Mijn opstanding.

6. Nu willen we zien of u niet net zo doet!

7. U ziet Me weliswaar niet met uw ogen, maar u ziet Me des te meer met uw oren en met de ogen van uw ziel, die uw goede begrip vertegenwoordigen. Want het zien met de ogen is wel het minste, omdat de beelden die op het oog vallen erg vluchtig zijn en niet blijven bestaan. Het oude spreekwoord "Uit het oog, uit het hart" is juist.

8. Maar wat je met de oren waarneemt is al meer blijvend, want een vernomen woord kun je elk ogenblik even getrouw weergeven als je het hebt gehoord. Maar probeer hetzelfde eens met een ge­zichtswaarneming. Zelfs voor een bekwame tekenaar of schilder zal het niet gemakkelijk zijn om een gezien voorwerp even getrouw weer te geven als hij het zag.

9. Maar door het oor opgenomen objecten, beelden en begrip­pen worden onthouden en wel zeer getrouw; en vanwege deze be­trouwbaarheid kun je praten en wel in verschillende talen en kun je dat wat je eens gehoord of gelezen hebt, ja zelfs hetgeen je gezien hebt, getrouw weergeven, zoals je het gehoord, gelezen en gezien hebt, zelfs na lange tijd nog zonder dat de indruk vervaagd is - terwijl je door het licht van je ogen niet eens een voor je liggend beeld even getrouw kunt natekenen, als je het ziet.

10. Hieruit blijkt toch duidelijk dat het waarnemen met het oor onvergelijkelijk veel hoger staat dan het zien met het oog. Dus ligt het horen van de klank van een woord op een hoger plan dan het uiterlijk beschouwen van de vorm van een beeld.

11. Een blinde kan heel goed een wijze zijn, maar iemand die stom is zal het niet gemakkelijk zover brengen; want de stomheid is gewoonlijk het gevolg van doofheid. En toch hebben de stom­men gewoonlijk een veel scherper oog dan degenen die wel horen en dus niet stom zijn.

12. Hieruit volgt dat het waarnemen met het oor veel hoger staat dan het waarnemen met het oog. Het zien met het oog kan iemand wel verrassen en tot verrukking brengen, vooral als hetom zeldzame voorwerpen gaat: maar de leer wordt alleen maar met het oor opgenomen.

13. Hieruit volgt weer dat het beter is te horen dan te zien. Want wat door het gehoor naar binnen komt, dat verheldert en ordent het verstand, maar wat door het oog naar binnen gaat, dat ver­wart het verstand vaak erg.

14. Als bijvoorbeeld een bepaald soort vrouw iets over een nieuwe mode zou horen maar niets daarvan zou zien, dan bleef ze bij haar eigen smaak en ze zou zich dan niet gemakkelijk bij een nieuwe dwaze mode aanpassen; als ze echter daarbij ook nog pla­ten zou zien, dan verwarren deze de goede eenvoudige smaak en kunnen uit haar soms een domme ijdeltuit maken, die meer erger­nis opwekt dan tienduizend dwazen.

15. Hieruit blijkt weer, hoeveel in elk opzicht het horen beter is dan het zien.

16. Zo ziet u Mij ook elke dag, en wel door het oor van uw lichaam, als u Mijn woord leest, en door het oor van uw ziel, dat uw betere begrip vertegenwoordigt. En omdat u Mij op deze wijze ziet, zoals Ik ook in u tot opstanding kom, daarom herkent u Mij zeer goed en aanbidt u Mij ook en wel met uw verstand en daarna ook met uw mond. Nu vraag Ik: Was dat voor degenen die Mij na de opstanding zagen en aanbaden ook al genoeg om daardoor het eeuwige leven te verkrijgen?

18. De drie vragen die Ik Petrus stelde, of hij Mij liefhad, laten meer dan duidelijk zien, dat het alleen maar zien en aanbidden nog niet voldoende is om Mijn rijk binnen te gaan en het eeuwige leven te verwerven - evenmin als het voldoende is om alleen maar 'Heer, Heer!' te zeggen.

19. Precies op dezelfde manier ziet ook u Mij, als u Mijn woord leest en Mij ook aanbidt door het verstand en door de opmerk­zaamheid, waarmee u Mijn woord leest. U kunt dus ook zeggen: "We zien U en aanbidden U!"

20. Maar Ik verschijn nog een keer en vraag u, Petrussen, niet driemaal, maar meerdere malen: "Hebt u Mij lief?" - Dan zegt uw mond: "Ja!" - Maar als Ik eens goed in uw hart kijk, dan ziet dat er vaak uit als een treurige herfstdag in allerlei vuile wereld­nevelen verhuld en van louter nevelen kan Ik dan niet zien of dit 'Ja' wel met gloeiend schrift in de grond van uw hart staat ge­schreven. Het is mogelijk dat het daarbinnen geschreven staat; maar waarom zoveel nevels die het hart niet zelden zodanig ver­duisteren, dat men dit levende schrift van liefde tot Mij niet goed onderscheiden kan?!

21. Daarom weg met die nevelen! Weg met het alleen maar zien en aanbidden, zodat deze inscriptie, dat een werkzaam handelen naar het woord is, zeer duidelijk zichtbaar wordt - en tenslotte Ik Zelf vanwege het steeds helderder wordende licht van dit ge­heiligde levende schrift in uw harten!

22. Wat heeft het vele lezen en begrijpen voor nut als de daad uitblijft? Wat heeft zien en aanbidden voor zin, als daarbij voort­durend nog moet worden gevraagd: "Petrus heb je Mij lief?"

23. Magdalena zag Mij ook; maar Ik vroeg haar niet: "Magda­lena, heb je Mij lief?" Ik moest haar juist vanwege haar liefde tegenhouden; want dadelijk bij de eerste aanblik ontwaakte haar liefde voor Mij te hevig. "Raak Mij niet aan!" moest Ik tegen haar zeggen, omdat haar hart bij de eerste aanblik vurig oplaaide.

24. Maar tegen Thomas moest Ik zeggen: "Leg je hand in Mijn litteken!" en aan Petrus moest Ik vragen of hij Mij liefhad. Daar was het "Raak Mij niet aan!" niet goed op zijn plaats geweest; want niet in Petrus en nog minder in Thomas klopte voor Mij een hart zoals dat van Magdalena.

25. Daarom hoef Ik tot u ook niet te zeggen: "Raak Mij niet aan!" Maar Ik zeg tot u nog nadrukkelijker dan tot een Thomas: "leg niet alleen je hand in Mijn litteken, maar leg je ogen, oren, handen en voeten in Mijn hele schepping, in al Mijn hemelen en in al Mijn aan u onthulde wonderen van het eeuwige leven, en geloof dan dat Ik het ben, die dit aan u geeft!

26. Maar dan zie Ik altijd nog de Petrus aan de oever van de zee in u, die zich steeds maar laat vragen: "Petrus, heb je Mij lief?" Wan t in het geloof ben t u wel Petrussen, maar nog lang geen Mag­dalena's en geen Johannesen, aan wie Ik ook niet vroeg of hij Mij lief had; want Ik wist wel waarom hij Mij volgde, hoewel Ik tegen hem niet, zoals tegen Petrus, zei: "Volg Mij!"

27. Petrus volgde Mij, omdat Ik hem zei Mij te volgen; maar Johannes volgde Mij, omdat zijn hart hem ertoe dreef. Wat zou hier het beste zij n?

28. Petrus werd jaloers op Johannes, omdat hij hem voor minder achtte dan zichzelf; maar Johannes werd door Mij verdedigd en op dat ogenblik werd hem verzekerd dat hij zou blijven en dat is meer dan het "Volg Mij!" Want het is beter dat Ik tegen iemand zeg: "Blijf zoals je bent", dan dat Ik hem gebied Mij te volgen.

29. Zo is ook de ware daadkrachtige liefde beter dan het geloof, zien en aanbidden en ook beter dan veel over Mij te lezen, veel te begrijpen, maar weinig lief te hebben!

30. Ik denk dat dat ook weer duidelijk zal zijn; maar de volgen­de keer toch nog meer centraalzonnen!

 

Hoofdstuk 7

 

"Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus"

(Lucas 23:52)

 

2 januari 1844 's avonds

 

1. Weer wordt u ook hier de vrije keus gelaten zo’n centraalzon uit het boek des levens te citeren; kies daarom een tekst.

   2. "Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus".

3. U hebt de tekst gekozen; maar Ik heb u niet geholpen, dat u juist zulke teksten kiest, die voor onze zaak schijnen te zijn ge­maakt.

4. Jozef van Arimathea ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van de Heer, dat hem door Pilatus ook werd gegeven.

5. Deze Jozef van Arimathea was een vriend van Nikodemus en deed dat meer in naam van zijn vriend, die goed bekend stond, dan in zijn eigen naam. Want Nikodemus was in het geheim een groot vereerder van Christus: maar uit een zekere vrees voor de hogepriesters en de Farizeeën durfde hij dit niet helemaal openlijk te doen; daarom droeg hij dit over aan zijn vriend, die eveneens een grote vriend van Christus was, maar heel in het geheim. Deze korte verklaring is noodzakelijk om beter te begrijpen hetgeen volgt.

   6. Hoe past dan echter deze tekst en tenminste dit kleine voor­ val in onze bedoeling?

   7. Stel je onder Nikodemus de verborgen liefde voor de Heer voor; en onder Jozef van Arimathea het geloof aan de Heer.

S. Wat is het geloof met betrekking tot de liefde? Hij is daarvan de handlanger. Zo was ook Jozef van Arimathea hier een hand­langer van Nikodemus, die de Heer in het geheim liefhad.

9. Maar wat verlangde het geloof van Pilatus? Hij verlangde het lichaam van de Heer, wikkelde het, toen hij het van het kruis had genomen in wit linnen, nadat hij het van tevoren met koste­lijke specerijen had gezalfd en legde het daarna in zijn eigen tuin in een rotsgraf, waar nog nooit iemand in had gelegen.

10. Wat betekent dat allemaal ? Dat alles betekent de weetgierig­heid van het geloof, dat bevredigd wil worden. Deze op zichzelf edele weetgierigheid zoekt alles wat maar te bedenken is op, om daarin dan een levendige bevrediging te vinden.

11. Ze gaat naar Pilatus en vraagt toestemming; dat wil zoveel zeggen als: zulke weetgierigheid gaat naar de wereld en probeert daar al het mogelijke te vinden, wat haar tot bevestiging van de waarheid kan dienen.

12. Heeft ze van de wereld alles ontvangen wat ze zocht, dan wendt ze zich tot de Gekruisigde. Maar hoe? Ze probeert daar alle woorden en alle verklaringen in een helder licht te stellen, om ze te bevrijden van de geheimzinnige schijnbare tegenspraken, die in de Heilige Schrift voorkomen.

13. Dit gelukt haar ook; ze heeft het lichaam met recht van het kruis, dat in zijn vorm een tegenspraak voorstelt, bevrijd. Maar wat heeft zij, die edele weetgierigheid namelijk, nu verkregen? Kijk, een dood lichaam, waar nu geen leven meer in is!

14. Deze edele weetgierigheid ziet dat ook in, maar toch is ze innerlijk verheugd over deze gelukkige bevrijding van het kruis. Ze balsemt het lijk met kostelijke specerijen, wikkelt het in wit linnen en legt het dan in een nieuw graf, waarin nog nooit iemand heeft gelegen.

15. Wat wil dat zeggen? Door zulk een zo grondige belichting van het woord uit de Heilige Schrift wordt ongetwijfeld de godde­lijkheid daarvan zichtbaar en wordt ook daardoor geacht en zeer geëerd. Dat is de zalving. Want niet zelden spreekt iemand in de meest verheven termen over de waarde en de goddelijke grootheid van de heilige schrift; maar dat alles is de balseming van het lichaam.

16. De mens met deze edele weetgierigheid ontwikkelt zo'n er­kende waarheid met de hoogste en zuiverste hoogachting - ja, hij huivert van de grote wijsheid in dit boek; en dat is niets anders dan de omwikkeling van het lichaam met wit linnen. Zo onschul­dig en zuiver zulk linnen op zichzelf is, zo is dat ook de gelijk­waardige deemoedige erkenning; maar het lichaam, de balsem en ook het linnen, zijn niet levend en geven ook geen leven.

17. Men zal dit lichaam nu in een nieuw graf leggen. Wat is dat dan? - De kennis, die de mens tengevolge van zijn edele weetgierigheid zich heeft eigen gemaakt, geeft hem geen leven, geen levendige overtuiging; daarom neemt hij alles bijeen en legt het in het graf van zij n diepere verstand, legt daar een steen over­heen, wat zoveel wil zeggen als dat hij over deze zuiver erkende waarheid een heel zware twijfel legt, want hij zegt: "Al deze op­lossingen van de verborgen geheimen uit de Heilige Schrift lijken erg mooi, maar een duidelijke overtuiging geven ze toch niet".

18. En kijk, dat is toch letterlijk de toestand van iemand die veel leest! Hij mag al het gelezene nog zo goed begrijpen vanaf de natuurlijke tot de innerlijk geestelijke betekenis; als hij echter van al het gelezene een werkelijk bewijs wil hebben, dan komt hij tot de ervaring, dat niet eens een zonnestofje voor zijn wil buigt. En wil hij het leven van de geest, dan ontmoet hij in plaats daar­van altijd de nacht van het graf, waarin hij het lichaam heeft ge­legd; of met andere woorden: hij krijgt over het hiernamaals geen in zichzelf zichtbare zekerheid, maar alles is bij hem een hypo­these, helemaal niets meer, dus een lichaam in een graf.

19. Maar wat is hij daarmee geholpen? Al heeft hij nog zoveel gelezen, maar hij kan door al dat gelezene niet tot een levende overtuiging komen, dan lijkt hij op Jozef van Arimathea, die wel een lichaam van het kruis neemt en zalft en in wit linnen wikkelt, - maar het lijk blijft een lijk en wordt altijd naar het graf gedra­gen.

20 Laten we daarnaast weer naar onze Magdalena kijken! Ze heeft dit gebeuren ook wel bijgewoond; maar ze wikkelde het lichaam of het woord niet in linnen en legde het niet in het graf, maar in haar van liefde gloeiend hart; en toen ze dan bij het graf kwam, was de steen van de twijfel door de macht van de liefde weg gewenteld. Het linnen was ordelijk bij elkaar gelegd in het graf, wat zoveel wil zeggen als: haar liefde heeft het goddelijke woord in haar levendig geordend. Ze vond geen lichaam meer, maar ze vond daarvoor in de plaats de Levende die uit het graf was opgestaan.

21. Wat is nu beter; het lichaam in het graf te leggen of de Leven­de buiten het graf te vinden? - Ik denk dat het tweede duidelijk beter is dan het eerste.

22. Waarom dan vond Magdalena wat Jozef van Arimathea niet heeft gevonden? Omdat ze weinig heeft gelezen, maar veel heeft liefgehad. Jozef van Arimathea had echter veel gelezen ­net zoals Nikodemus - maar daardoor minder liefgehad. Daarom bekommerde hij zich ook om het dode lichaam, - maar Maria Magdalena om de Levende!

23. Ik ben van mening dat dit ook duidelijk is; de volgende keer nog een nieuwe centraalzon!

 

Hoofdstuk 8

 

"En Hij, Jezus, begon ongeveer dertig jaar oud te worden, en was, naar men meende, een zoon van Jozef". (Lucas 3:23)

 

3 januari 1844 's avonds

 

   1. Neem meteen maar weer een door u gekozen tekst, en we zul­len zien, of daarin voor ons doel ook licht aanwezig is.

   2. "En Hij, Jezus, begon ongeveer dertig jaar oud te worden, en was, naar men meende, een zoon van Jozef".

3. De tekst is gegeven en daarmee ook een machtig stralend licht! Waarlijk, bij deze tekst zou u zelfs vanaf het eerste ogen­blik de zaak, die hier voor ons doel dient, in alle diepte moeten waarnemen. We willen echter zien of u na een kleine inleiding niet zelf het licht kunt gewaar worden.

4. Hij was ongeveer dertig jaar, toen Hij met prediken begon en men meende dat hij de natuurlijke zoon was van Jozef, de timmer­man.

5. Wie is deze 'Hij'? - Deze 'Hij' is de Heer zelf, die van alle eeuwigheid dezelfde Heer was en zal zijn!

6. Maar hoe kan het dat hij ongeveer dertig jaar oud was, Hij, die eeuwig was? De Eeuwige schiep Zichzelf hier voor de eerste en laatste keer tot mens en als mens moest Hij ook rekening houden met de tijd, die Hij vanuit de eeuwigheid had geschapen.

7. Hij was bijna dertig jaar. Wat wil dat zeggen? Kon hij als God dertig jaar zijn? Zeker niet, want Hij was eeuwig; dus slechts als mens kon Hij dat.

8. Hij begon toen met prediken. Hoe dan? Als God of als mens? Door de bijzin: "En men meende dat Hij de zoon van Jozef, de timmerman, was" wordt duidelijk bewezen, dat de nauwelijks dertigjarige 'Hij' niet als God maar als mens met prediken begon; want de God in Hem verhield zich tot de nauwelijks dertigjarige timmermanszoon zoals zich de innerlijke geest verhoudt tot elk mens. Deze moet eerst door overeenkomstige uiterlijke werk­zaamheid, die voortkomt uit de liefde, worden gewekt, tot hij dan pas als een eigenmachtig zelfstandig wezen handelend optreedt.

9. Deze nauwelijks dertigjarige zoon van de timmerman Jozef naar men meende, begon dus Zijn predikambt geheel als mens en geenszins als God. De Godheid trad in Hem slechts bij bepaalde gelegenheden daadwerkelijk naar voren als Hij als mens doorzijn daden deze Godheid in zich vrijmaakte, maar als er geen daden nodig waren kwam de Godheid niet naar voren.

10. Vraag: Hoe kon deze nauwelijks dertigjarige mens als leraar beginnen, waarvoor men toch noodzakelijkerwijs zeer geleerd moet zijn, wat veel studie en een grote belezenheid veronderstelt? Waar kwam deze wijsheid vandaan?

11. "Want we kennen Hem immers? Hij is de zoon van de tim­merman en we hebben Hem het beroep van Zijn vader vaak ge­noeg zien uitoefenen. We weten dat Hij nooit scholen heeft be­zocht; ook kunnen we ons niet herinneren dat Hij het boek wel eens ter hand nam en daarin las. Hij was tot nu toe een gewone handwerksman, en zie, nu is Hij een leermeester en Zijn leer is stichtelijk en vol diepe wijsheid, ofschoon voor het overige nog duidelijk de timmerman in Hem te herkennen is. Hoe lang is het eigenlijk geleden, dat Hij met zijn broers een ezelsstal voor ons bouwde? Kijk maar eens naar Zijn vereelte handen, echte tim­mermanshanden en ziedaar, nu is Hij een leermeester en zelfs profeet zonder dat Hij ooit de profetenschool van de Esseeërs ook maar van binnen gezien heeft. Hoe zullen we dit opvatten?"

12. Kijk, dit is een woordelijk verslag van de getuigenis die over de timmermanszoon in Kapernaüm* (* Lorber: Kapharnaüm) werd gegeven! Uit deze ge­tuigenis blijkt duidelijk, dat zo van buitenaf niet zoveel van de Godheid was te zien aan deze nauwelijks dertigjarige timmerman; want anders had men toch wel een andere getuigenis over Hem gegeven.

13. Waarvandaan haalde deze geheel zuivere mens dan Zijn leraarsbekwaamheid, daar Hij noch veel gelezen, noch gestu­deerd had? Deze mens had Zijn geschiktheid tot leermeester alleen te danken aan zijn optreden.

14. Zijn handelen kwam alleen maar voort uit Zijn aanhoudend grote liefde voor het goddelijke en dus ook uit Zijn liefde tot de naaste. Elke handeling was een otter aan God en Hij handelde zo dat Hij daarbij nooit Zijn voordeel, maar alleen dat van Zijn naasten voor ogen had. Daarbij wijdde Hij elke dag drie uur aan algehele rust in God.

15. De in alle volheid in Hem sluimerende Godheid wekte Hij zo steeds meer in Zich op en maakte die, al naar de wijze waarop en de mate waarin Hij handelde, aan zich schatplichtig. En toen Hij, zoals gezegd, amper zijn dertigste jaar bereikt had, was de Godheid in Hem tot in die mate ontwaakt, dat Hij door haar geest van wijsheid een zodanig verheven vermogen had verkre­gen, dat hij het bekende 'predikambt' waartoe Hij was geroepen, kon beginnen.

16. Na deze inleiding vraag Ik u, of u het in deze tekst zo sterk schitterende licht al ziet? Ja, u ziet het al en u ziet ook waar het naar toe gaat, en daarom zullen wij de nabeschouwing ook kort maken, om de zaak niet overbodig uit te breiden.

17. Hoe moet derhalve het nawoord luiden? Welnu, heel kort aldus: "Ga heen en doe hetzelfde!"

18. Denk niet dat men alleen maar door veel lezen en studeren een goddelijke geest in zich kan opwekken; eerder doodt men hem daardoor en draagt hem dan als een lijk naar het graf. Handel daarom volgens de grondregels van het leven, dan wordt je geest levend en zal alles in zich vinden, wat je anders door het lezen van duizend boeken zeker niet gevonden zou hebben!

19. Als de geest echter levend is, dan kun je ook lezen en je zult dan door het lezen of door het horen naar Mijn woord vruchten verzamelen, die een levende kern en vaste bodem heb­ben. Maar zonder een voorafgegane verwekking van de geest oogst je slechts lege bolsters van de vrucht, waarin geen levende kern aanwezig is; want de levende kern is het innerlijk, levend geestelijk begrijpen.

20. Waar moet dat dan vandaan komen, als de geest niet van te voren vrij en levend gemaakt wordt? Het lichaam is een uiterlijk omhulsel, dat afvalt en vergaat; de ziel is de voeding en het lichaam van de geest. Als je echter alleen maar leest om de uiter­lijke natuurlijke kennis te verrijken, wat moet er dan van de geest worden, die nog niet in voldoende mate actief in het leven is, en daarom niet elk gelezen woord dadelijk met zijn levende gees­telijke kennis tegemoet treedt en het van buiten komende verhuld gelezen woord met zij n levende kern vervult en het daardoor pas levend en effectief maakt.

21. Daarom geldt hier dealoude grondstelling: We est niet alleen hoorders van Mijn woord, maar handelt er ook naar, dan pas zal het Goddelijke erin je levend bewust worden!

22. Ik denk dat dit wel duidelijk is; maar omdat de mens, zoals al vaker gezegd, nooit genoeg licht heeft, willen we ons nog eens naar een door u gekozen centraalzon begeven.

 

Hoofdstuk 9

 

"En toen het avond was geworden, kwam Hij met de twaalf".

(Marcus 14:17)

 

4 januari 1844 's avonds

 

1. Geef maar weer een tekst aan en we zullen zien, hoe hij in onze zaak past!

2. "En toen het avond was geworden, kwam Hij met de twaalf".

3. We hebben dus de tekst voor ons liggen en Ik moet weer de oude opmerking maken dat u nog steeds geen tekst hebt kunnen vinden, die voor ons niet uitermate geschikt zou zij n. De genoem­de tekst schijnt zo naar het uiterlijk geoordeeld met onze zaak niet zo'n grote overeenkomst te vertonen, maar dat is niet het geval; hij staat integendeel met onze zaak in zeer nauwe betrek­king en had u hem niet gekozen, dan zou Ik het hebben gedaan!

4. "Toen het avond was, kwam Hij met de twaalf".

5. Wie kwam? De Heer van eeuwigheid kwam.

6. Wanneer dan? 's Avonds.

7. En waar ging Hij heen? - In de door Zijn discipelen klaargemaakte eetzaal.

8. Met wie? - Met de twaalf apostelen die Hij had uitgekozen. 9. Wat deed Hij dan in de eetzaal? - Hij hield een avondmaal, waaraan sommigen zich verzadigden en sommigen zich ergerden; en ook werd op diezelfde avond de verrader aangeduid tijdens het avondmaal.

10. Hier zie je het volledige beeld voor je en het belang ervan is gemakkelijk te begrijpen.

11. Wat betekent de avond? Dat is een halflichte toestand van de dag, waarbij het licht geleidelijk verdwijnt, zo lang, tot einde­lijk geen werking van zonnestralen meer te ontdekken valt.

12. Wanneer is het bij de mens zo'n avond? - Zeker, als men het namelijk van de geestelijke kant beziet, dan, als hij al heel veel heeft gelezen en bestudeerd, welk vele lezen en bestuderen lijkt op het de gehele dag gestadig invallen van de zonnestralen. Daar echter deze zonnestralen in hun verschijning van natuurlijke aard zijn, zijn ook de lees - en studeerstralen natuurlijk. Maar de zon gaat aan het eind van de dag onder en dan wordt het al gauw daarna avond en uiteindelijk ook nacht.

13. Zo gaat het ook met het lees - en studeerlicht. De lezende en studerende wordt moe en verdrietig, omdat hij door al zijn lezen en studeren zijn innerlijk licht niet kon vergroten, evenmin als het licht van de zon niet vermeerderd kan worden, maar steeds in zijn gelijkmatige verhouding hetzelfde blijft. In de zomer is het sterker en in de winter zwakker en het neemt altijd in gelijke ver­houding toe en af. Zo is het ochtendlicht ook zwakker; tot tegen de middag neemt het toe, en tegen de avond wordt het weer zwakker.

14. Precies zo gaat het met de uiterlijke lees - en studievorming van de mens. Als hij in een goed voorziene bibliotheek begint te lezen en te studeren, dan is dat voor hem de lees - en studeer­ochtend.

15. Als hij zich in de loop van vele jaren zijn ogen stuk heeft gelezen, en al van mening is dat hij Salomo’s wijsheid in pacht heeft, dan is het bij hem middag, of ook wel zomer.

16. Hij leest en studeert dan verder, vindt echter helaas niets nieuws meer, maar stuit alleen op hem reeds bekende ideeën. Daardoor wordt hij vermoeid, omdat hij ten eerste geen nieuwe verkwikkende voeding meer kan krijgen en ten tweede vindt hij bij al die verdere lees - en studeerpartijen helemaal geen bewijs voor de door hem aangehangen theorieën, maar niet zelden de grootste weerleggingen van al datgene, dat hij zich met zoveel ijver en moeite heeft eigen gemaakt.

17. Niet zelden wordt zijn als echt vermeende goud tot lood, en als hij dit weinig waardevolle metaal in plaats van het goud in zichzelf heeft herkend, dan wordt hij boos en mismoedig, verliest alle grond onder de voeten en voelt zich tenslotte als een wan­delaar op een berg, wanneer dichte nevels hem hebben omsloten.

18. Kijk, deze toestand is de avond van de mens; gewoonlijk zegt men: "Als bij de mens alles tegenloopt, komt hij tot het kruis!" - wat weliswaar beter is dan wanneer men zou moeten zeggen: "Het kruis komt over hem".

19. Dus in zijn nood begint de mens dan te denken, of misschien de leer van Christus toch wel iets bevat en deze gedachte wordt uitgedrukt in de tekst: "En Hij, de Heer namelijk, kwam daar 's avonds met de twaalf". Want de Heer wordt hier voor degenen die gekweld worden, als de stichter van de leer, en de twaalf als de leer zelf beschouwd.

20. Waarheen gaat Hij dan met de twaalf? Naar de zaal die van spijs en drank is voorzien!

21. Wie is deze zaal? De mens zelf in zijn avond. Want hij heeft veel spijs en drank in zich. Maar omdat Degene, voor wie deze spijs bereid of bedoeld is, er niet is, staan de spijzen daar zolang totdat Degene komt, die de spijzen zegenen wil en daarna genie­ten: want zonder consument staat de spijs daar vergeefs en heeft geen waarde.

22. Evenzo heeft ook alle wetenschap en belezenheid geen waarde en de mens heeft tevergeefs zijn geestelijke eetzaal en tafel daarvan voorzien, als Degene niet aanwezig is, die deze spijzen moet zegenen, verteren en omzetten in een sap, dat de geest op­wekt.

23. De Heer komt 's avonds met de twaalf, of de stichter met Zijn leer. Hij gaat de zaal binnen, zet Zich aan tafel, zegent en ver­teert de spijs. Omdat de spijs echter van natuurlijke aard is, daar­om is zijn werking gelijk aan die van dat Avondmaal, waarbij de Heer een waar, levend Avondmaal houdt in de werken der liefde­ waaraan zich dan veel discipelen ergeren en zeggen: "Wat is dat voor een harde leer! Wie kan dat geloven en navolgen?" De disci­pelen gaan daarna weg en weldra wordt de verrader aangewezen.

24. Wie zijn dan de discipelen die zich ergeren en weggaan? Dat zijn de verkeerde gevolgtrekkingen uit al het gelezene en be­studeerde. Deze worden als in strijd met de grondslagen van de Christelijke leer voorgesteld; daarna volgt al gauw een algemeen protest dat als volgt luidt: "Een leer, die zo vol tegenspraken is, kan onmogelijk van goddelijke oorsprong zijn; dus is ze slechts een oppervlakkig, tijdelijk produkt van wetenschappelijk onont­wikkelde en daardoor inconsequente mensen, die in een of andere ruwe voortijd langs de weg van het eclecticisme'* (,Eclecticisme = het uit verschillende denkvormen van anderen iets overnemen, wat het beste lijkt.) moeizaam iets samengeraapt hebben, om de arme mensheid daardoor aan zich te binden.

25. Daardoor wordt, zoals u pleegt te zeggen, het kind met het badwater weggegooid, of de verrader wordt aangewezen, verwij­dert zich dan al gauw en doet datgene wat van hem was gezegd: Hij levert het levende aan de dood over en gaat daarbij zelf te gronde en dat is dan de op de avond gevolgde nacht, of nu is alles dood in de mens.

26. En zo kom Ik in ernst 's avonds met de twaalf naar iedereen toe, vind dan de eetzaal bezet en de tafel vol spijzen, maar dat zijn louter natuurlijke spijzen. Verteer Ik deze ook, of keur Ik ze goed onder voorwaarde dat men deze spijzen in daadwerkelijke liefdes­spijzen moet omzetten, zeggende, dat men dit tot Mijn gedach­tenis of in Mijn naam en niet ter wille van zichzelf voor zijn eigen eer en lof zal doen, dan beginnen de discipelen zich te ergeren en zijn ze Mij niet meer genegen; Judas is al gauw ontmaskerd en het duurt niet lang meer, tot Mij langs de weg van een dergelijk ver­raad Mijn doodsvonnis wordt bekendgemaakt.

27. Wacht daarom de avond niet af, maar roep Mij liever 's mor­gens als je nog heel krachtig en tot opnemen in staat bent, en dan zal Ik bij u komen en tot u zeggen: Loop niet teveel rond in de stralen van de zon, die vermoeien u en maken dat u niet meer tot werken in staat bent, maar versterk u onder de koele schaduw van de levensboom, opdat u de hele dag energiek blijft! En kom Ik dan ook 's avonds naar u toe, dan zult u me zeker herkennen en als Ik dan zal vragen: "Hoe staat het met uw eetzaal, hebt u misschien iets te eten, hebt u ook honger?" Dan zult u Mij welis­waar slechts een geringe en schamele etensvoorraad kunnen tonen, maar Ik zal hem zegenen en zal Mij samen met u aan tafel zetten, waar geen verrader meer op Me wacht, of: de weinige ken­nis die u hebt, zal Ik tot centraalzonnen vergroten, opdat u daar­uit het licht in eindeloze overvloed kunt putten.

28. Ik geloof dat de tekst: "En Hij kwam daar 's avonds met de twaalf. . . " hier wel overduidelijk en helder voor ieders ogen zal staan en dat de zaak heel uitputtend bekeken werd. Maar des­alniettemin wil Ik aan Mijn vrijgevigheid nog geen grens stellen.

 

Hoofdstuk 10.

 

"Hij kwam tot Zijn eigendom, en de Zijnen namen Hem niet aan".

(Johannes 1:11)

"Pilatus antwoordde: Wat ik heb geschreven, heb ik geschreven".

(Johannes 19:22)

 

8 januari 1844 ’s avonds

 

1. U kunt, als tevoren, weer een tekst kiezen; doe dat dus vrij! ­2. "Hij kwam tot Zijn eigendom, en de Zijnen namen Hem niet aan". "Pilatus antwoordde: Wat ik heb geschreven, heb ik geschre­ven!"

3. De teksten zijn heel goed gekozen en kenmerken de zaak meteen al, zoals u pleegt te zeggen, op een haar nauwkeurig.

4. Wie kwam tot zijn eigendom, en de zijnen namen hem niet aan? Wie die 'Hij' is, zal hopelijk bekend zijn: Zijn eigendom zijn de mensen, zoals ze zouden moeten zijn in de door Mij ge­schapen orde, namelijk liefdevol tegenover hun broeders en vol ernstige liefde tegenover God hun Schepper.

5. "Maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen" - De zijnen zijn diegenen, die Hij vanaf het begin merendeels voor Zich had opgevoed en aan wie Hij altijd leraren en profeten gestuurd heeft en die Hij altijd wonderbaarlijk heeft geleid.

6. Waarom namen ze hem dan niet aan? - Omdat Hij ze de ware weg van de daadwerkelijke liefde, die tot het eeuwig leven voert, leerde; de zijnen waren echter vrienden van de traagheid, vrien­den van het goede leven en vrienden van de macht en pracht en die kan zich niet verenigen met de leer van de deemoed en van de daadwerkelijke liefde.

7. Ze zeiden: "We hebben Mozes en de profeten, die we lezen; wat h ebben we dan nog meer nodig? Wat hebben we van jou nodig die de Sabbat schendt, en die Mozes en de profeten gering acht, daar je hun geboden niet onderhoudt? Is het niet genoeg, dat we de Schrift lezen en bestuderen en ellenlange verklaringen daar­over schrijven? Wat wil je dat we voor andere handelingen zul­len verrichten om God waardiger te zijn?

8. Is God niet een Geest, Wiens Wezen men niet in beeld kan of mag brengen? Hoe zou men deze wel waardiger kunnen eren en prijzen, dan wanneer men Zijn woord, dat Hij door Mozes en de profeten heeft gesproken, voortdurend van begin tot eind leest en het zichzelf en anderen uitlegt, opdat God in Zijn wil steeds duidelijker wordt begrepen?

9. Wat doe je uit jezelf? We hebben Abraham als vader en we hebben Mozes en de profeten. Ben jij dan meer dan deze? Wat wil jij ons leren, dat zij ons al niet geleerd hebben?

10. Wat is de menselijke daad van liefde tegenover God? Ze is niets dan een ijdele gedachte. De mens kan niets doen. Want in God alleen woont alle energie. Dus je bent een valse leraar en een valse profeet en een volksopruier!

11. We hebben de Schrift van A tot Z in het hoofd, is dat niet genoeg? Of zouden we misschien de Schrift niet moeten bestu­deren en daardoor de heilige gave gering achten, die ons de Heer God Zebaoth door Mozes en de profeten heeft doen toekomen?

12. Je bent iemand die de goddelijke wil weerstreeft en zich toch voor een leraar en profeet van God uitgeeft. Staat er echter niet geschreven, dat elke valse profeet en tovenaar met de vuur­dood bestraft zal worden?

13. Deze gewone timmermanszoon, die nauwelijks kan lezen en mogelijk evenmin in staat is zijn naam te schrijven, waagt het ons oude schriftgeleerden een leer op te leggen, die lijnrecht tegen­over de leer van Mozes staat!"

14. Zie, dat zijn heel veel antwoorden, volgens welke Degene, die bij de Zijnen was gekomen, niet door de Zijnen werd opge­nomen.

    15. Waarom? Omdat de Zijnen Hem, zoals het ook staat ge­schreven, niet hebben gekend.

16. Waarom herkenden ze Hem niet? Omdat ze alleen maar louter lezers en uit het hoofd leerders, maar geen daders van Gods woord waren.

17. Op dezelfde wijze kom Ik ook nu voortdurend tot Mijn eigendom, maar de Mijnen willen Mij niet opnemen en erkennen, dat Ik het ben!

18. Waarom willen ze dat dan niet? Omdat hun ook, zelfs in het beste geval, het lezen en horen en ook het aangapen van Mijn werken liever is dan een kleine daad volgens Mijn woord. Maar daarom wordt ook de geest in Mijn eigendom, dat het hart is, niet levend en kent deze Mij niet, omdat de Mijnen Mij niet in de levende daad willen opnemen.

19. Ik zeg echter: "Al deze schriftgeleerden zullen eens zeggen: 'Heer, Heer!, we hebben toch in Uw naam geprofeteerd, gepredikt en onderwezen!"

20. Ik zal echter tegen hen zeggen: "Ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend! Ga maar naar degene, die u tot leraren en wij­zen heeft aangesteld, opdat u uw loon krijgt! Ik kwam wel naar u toe en heb aan de deur van Mijn eigendom geklopt, maar niemand van u zei: 'Kom binnen en maak onze geest levend, opdat we actief en sterk worden volgens Uw woord!' U neemt genoegen met de schatten in uw hoofd, maar Mijn voorraadschuren in uw hart hebt u leeg gelaten en u hebt alles wat van Mij was voor uzelf gebruikt. Daarom mag u nu 'Heer, Heer!' roepen, zoveel u maar wilt, maar dan zal Ik u toch niet herkennen; want de Mijnen herken Ik aan Mijn eigendom dat in hen is. Maar u hebt geen eigendom van Mij in u, daarom kan ik u ook niet herkennen!"

21. Pilatus beleed Mij ook op deze manier: Hij liet eerst de Levende geselen en aan het kruis slaan en bevestigde daarna zijn bekentenis boven deze smadelijk gedode. Zijn bekentenis staat geschreven boven het hoofd van de Gekruisigde tot getuigenis voor allen die de belijdenis van God wel in hun hoofd, maar niet in hun hart dragen. Op hun voorhoofd staat wel geschreven: Jezus Nazarenus, Rex Judaeorum, en ze houden ook vast aan dit opschrift, dat zoveel wil zeggen als 'Heer, Heer!'; maar in hun hart is geen opschrift, dat zou moeten zeggen: "O Heer, wees mij, arme zondaar genadig en barmhartig!" "Het Onze Vader" is in het hoofd; maar "Lieve Vader" is niet in het hart.

22. Pilatus bleef wel bij zijn opschrift en wilde niets anders erop zetten, want hij zei zelf: "Wat geschreven is, is geschreven!" Waarom bewees hij echter aan de levende niet dezelfde eer als later aan de dode?

23. De reden is dezelfde als die, waarom ook alle geleerden liever bij die redeneringen blijven die in hun hoofd zij n ontstaan, en bij de daaruit volgende dode verering, dan ook maar op de kleinste daad van de levende ware liefde te willen ingaan. Want ze zijn mensen van de schemering, die het volgende geloven of veeleer van mening zijn: "Zit er iets waars in deze zaak, dan wil­len we door onze bekentenis haar niet in de weg staan; is er ech­ter niets waars bij, dan hebben we er ook niets bij verloren. Want bewijst men iemand die een hoge positie gaat bekleden eer, dan wint men erbij als hij die krijgt, en verliest niets als hij die positie niet krijgt.

24. Daarom dacht Pilatus ook: "Is de gekruisigde een hoger wezen, dan heb ik hem mijn eer betuigd, is hij het echter niet, dan ben ik ook gerechtvaardigd, want in dat geval dient mijn op­schrijft als een ambtelijk spotschrift, waaruit iedereen kan zien, waarom deze hier werd gekruisigd.

25. Denkt u, dat bij Mij de eerste reden zal gelden, als de twee­de zeer bedenkelijk is? ­

Ik zeg u: Daar zal het vooral op neer komen, dat degenen die zo 'Heer, Heer!' tegen Mij roepen, zeker niet door Mij gehoord, ge­kend en aangenomen worden. Want het verstandelijk geloof zal niemand het eeuwige leven ook maar een stap naderbij brengen: want wie tot Mij wil komen, die moet Mij eerst door de levende liefde in zich opnemen, en zijn eigen liefde tot Mij zal het hem zeggen, dat Ik ben en tot hem zal komen en hem het eeuwige leven zal geven.

26. Niemand kan echter datgene wat niet bestaat liefhebben. Maarwel kan hij in zij n hoofd allerlei drogbeelden over al wat niet zou bestaan opstellen, en dus ook Mij Zelf daarbij betrekken. Maar daar ben Ik niet en daar zal ook nooit iemand Mij vinden en zo zal ook nooit iemand tot de levende overtuiging van Mij en van het eeuwige leven komen: want dan zou Ik dood onder het op­schrift van Pilatus hangen!

27. Slechts wie naar Mijn woorden zal handelen, die zal aan Mijn graf, waar hij de dode zocht, met de vlam van zijn hart de Opgestane en de eeuwig Levende vinden!

28. Ik geloof dat ook dit weer duidelijk zal zijn; daarom vol­gende keer nog een centraalzon.

 

Hoofdstuk 11.

 

"Hij nu wierp zijn kleed af, sprong op, en kwam bij Jezus".

(Markus 10:50)

 

9 januari 1844 's avonds

 

1.    Als u hebt gekozen, schrijf de gekozen tekst dan maar vlug op.

2.    "Hij (Bartimeüs) nu, wierp zijn kleed af, sprong op en kwam bij Jezus".

3. U hebt een buitengewoon passende tekst gekozen; deze tekst moest allen die blind in deze wereld staan tot een machtige lei­draad dienen, opdat ze zouden doen wat deze blinde heeft ge­daan, om het ware licht voor het oog van de geest te verkrijgen.

4. Waarom wierp de blinde het kleed weg? Hij had ook wel met zijn kleed aan naar de Heer kunnen toesnellen, toen Deze hem had geroepen. De blinde was verstandig, hij wist en berekende het ook, dat de zware mantel bij het snel naar de Heer toelopen hem zou hinderen. Daarom wierp hij het zware kledingstuk vlug weg en ontdeed zich zo van het obstakel, dat zijn lopen zou heb­ben gehinderd. En het voordeel was, dat hij daardoor des te snel­ler bij de Heer kwam en van Hem het licht in zijn ogen terug­kreeg.

5. Wie is dan eigenlijk deze blinde? Deze blinde is de geleerde wereldmens, die echter de goede zelfkennis heeft, dat hij zich van zijn blindheid bewust is en ook is het goed dat hij weet wie hem van zijn blindheid genezen kan.

6. Er zitten veel van die blinden langs de wegen en ook velen tasten op allerlei plaatsen rond. Maar die aan de weg zitten, sla­pen in, helemaal bedwelmd door de opiumdrank van hun geleerd­heid en dromen dan zo, alsof ze konden zien. Ze weten in de ver­doving van hun geleerde droom niet wanneer de Heer hen op de weg voorbijgaat, en ze weten ook niet dat ze blind zijn; daarom roepen ze ook niet: 'Zoon van David, help mij!'

7. Anderen echter, die op alle mogelijke plaatsen rondtasten en zo half en half Diegene zoeken, die hun ziende zou kunnen maken, verwijderen zich van de weg; en als de zoon van David langs komt, zijn ze er niet en verzuimen door hun domme gezoek het ogenblik, waarop de zoon van David zich op de weg naar Jericho bevindt: daarom roepen ze ook niet, maar verblijven in hun blindheid.

8. Wat is deze weg dan? Deze 'weg' is het pad door deze wereld, waarop men beproefd wordt; en 'Jericho' is de uiteindelijke ver­zamelplaats voor diegenen, die deze weg hebben afgelegd of, met andere woorden: het is allereerst de wereld der geesten.

9. Onze blinde was niet bang voor de hem dreigende discipelen, want hij wist heel goed, dat de Heer machtiger en barmhartiger is dan Zijn discipelen, die hem hadden bedreigd; daarom ver­hoorde de Heer hem ook en toen Hij hem riep, wierp hij zelfs de laatste belemmering van zich af, namelijk zij n mantel, om zo snel en zeker mogelijk Diegene die hem geroepen had, te bereiken.

10. Deze blinde is dus een goed voorbeeld en Ik zeg u: Doe evenzo, want u bent ook blinden langs de weg. Wacht met onge­duld langs de weg op de Heer en als Hij voorbijtrekt, laat je dan niet afschrikken door de wereld, maar roep Hem in je hart toe of Hij Zich over u wil erbarmen en u het licht van het eeuwige leven wil geven. En waarlijk, Hij zal zich over u erbarmen en zal u geven waarom u Hem hebt geroepen!

11. De blinde wierp zijn kleed weg. Wat is dat kledingstuk? Het is de wereld en ook alle belezenheid en geleerdheid van het uiterlijke verstand. Werp deze weg, opdat ze je niet hinderen in het komen tot Mij, want Ik roep u immers dagelijks.

12. Maar zou het verstandig van de blinde geweest zijn, als hij, toen Ik hem had geroepen, zich met nog meer mantels had inge­pantserd? Waarlijk, die hadden hem tenslotte zo bezwaard, dat hij zich niet van de grond zou hebben kunnen oprichten en dan met een paar vlugge schreden naar Diegene had kunnen toesnel­len, Die hem had geroepen.

13. Maar als Ik u elke dag roep, zoals Ik de blinde heb geroe­pen, zou het dan verstandig zijn, als u zich daarvoor met alle mogelijke jassen en mantels van wereldse geleerdheid zou willen bekleden? Dat zou zeker de grootste dwaasheid zijn. Gooi liever alles weg en snel in uw hart naar Mij toe en Ik zal u de ogen openen en u ziende maken en levend in de geest, zodat u dan met één blik meer kunt uitrichten dan wanneer u in uw blindheid duizenden jaren rond zou tasten!

14. Wat helpt een blinde zijn gefantaseerde licht in de ogen in zijn droom? Als hij ontwaakt dan is hij toch blind en blinder dan ooit tevoren.

15. Wat voor nut heeft een kledingstuk van zware geleerdheid en wijsheid? Het bezwaart hem, want hij kan zich nooit oprich­ten als hij wordt geroepen om het levende licht te ontvangen.

16. De geest van de mens heeft bovendien alles al in zich: hij hoeft alleen maar zijn ogen open te doen om het eindeloze wonder van het leven in zichzelf te zien.

17. Maar wat wint de geest daardoor, als de mens met louter dode hulzen en schaduwen zijn geheugen en verstand aanvult? Niets - maar hij verliest er zelfs nog bij en wordt in een chaos van uiterlijke omhulling, door hulzen en allerlei schaduwen zo inge­pantserd, dat hij niet gemakkelijk ooit tot een vrijheid en nog minder tot het ontvangen van het levende licht in zijn ogen kan geraken.

18. Veronderstel dat u de hele bijbel uit het hoofd zou kennen; een ander heeft maar een paar verzen eruit geleerd, maar heeft daar zijn hele leven streng naar geleefd. Bij deze worden die twee verzen levend en maken zijn geest vrij; bij u echter is de hele schrift dood, er is ook zelfs niet één vers levend voor u.

19. Wat is nu beter, die twee leven gevende verzen of de hele letterkraam van de Heilige Schrift, waarvan niet één enkel vers in het leven werd opgenomen? Zeker zullen hier de twee leven brengende verzen beter zijn.

20. Men zal hier misschien zeggen: "Als iemand meer weet, kan hij ook des te meer in zijn levende werkzaamheid opnemen". Ik zeg echter: de mens is Mijn werk en daarom weet Ik het best wat goed voor hem is.

21. Neem bijvoorbeeld een scholier - Ik neem een voorbeeld uit de muziekwereld - stuur hem dadelijk naar een hele grote school en laat hem met alle vakken tegelijk beginnen. Wat denkt u dat dan het resultaat is? Niet veel! Want hij zal moe worden van de grote hoeveelheid en weldra de hele studie eraan geven.

22. Neem echter een kleine school en begin bij de eerste toon­ladder en laat hem deze goed oefenen. Als hij met weinig moeite de eerste toonladder al heel vlug kan spelen, geeft dat dan niet een beter resultaat dan wanneer hij met al het werk tegelijk be­gonnen was?

23. Daarom zeg ik u: Werp het overbodige kledingstuk weg­maak de school klein, en u zult net zoals de blinde langs de weg des te gemakkelijker op kunnen staan en met des te vluggere schreden daarheen snellen, waar Ik u dagelijks, zoals ook nu, roep.

24. Waarlijk, u kunt alle bibliotheken van de wereld aan elkaar lezen, maar dan zult u voor Mij geen haartje beter zijn en ook niet meer weten, dan wanneer u nooit iets gelezen had. Waarom dan? Omdat u dat alles moet laten schieten, als u het licht van Mij wilt ontvangen; want dat is alles niets anders dan leeg omhulsel en leeg stro, dat voor het vuur bestemd is.

25. Verwijdert u die lege hulzen en dat stro niet uit u, voordat Mijn vlammend licht van liefde tot u komt, dan zal dit vuur het stro in vlam zetten en dat zal tot een vertwijfelde brand in u leiden. Gooi toch al die rommel naar buiten en werp het domme en ijdele kledingstuk weg en als dan het licht van Mijn vuur in u zal komen, dan zal het geen brand veroorzaken, maar het zal u dadelijk heerlijk doorwarmen en de hele geest verlichten, - net zoals ook de blinde op de weg in één ogenblik ziende werd, toen hij tot Mij kwam.

26. Ik geloof dat dit beeld onmogelijk helderder en duidelijker gegeven kan worden; maar het moet, zoals ook alle voorgaande, in het leven opgenomen zijn, als het een levend licht wil afwer­pen. Zolang dat niet het geval is, zult u het wel met instemming lezen en dan zeggen: "Dat is werkelijk heel mooi!" En Ik kan daarop niets anders zeggen dan: Dat is werkelijk heel dom van u: want zolang u Mijn levende roep niets anders dan alleen maar mooi vindt, bouwt u huizen op het zand, en Mijn levend zaad valt bij u op de weg en wordt gemakkelijk platgetreden en zal dan geen vrucht voortbrengen.

27. Als u dat echter dadelijk levend in u opneemt en ernaar handelt, dan bent u verstandig; want dan bouwt u uw huis op de rots en Mijn zaad valt in goede aarde.

28. Er is Mij weinig aan gelegen of u Mijn woorden mooi vindt of niet; maar het is heel belangrijk voor Mij, dat u daarnaar han­delt: want niet om bewonderd te worden, maar terwille van uw eigen heil geef ik ze u.

29. Wil dat goed overwegen; want anders zal het u niet helpen! - Volgende keer nog een centraalzon!

 

Hoofdstuk 12

 

"Wees niet bang Paulus, u moet voor de keizer verschijnen; en zie, God heeft u allen geschonken die met u varen".

(Handelingen 27:24)

 

10 januari 1844 's avonds

 

1. Schrijf maar op wat u hebt!

2. En (de Engel van God) sprak: "Wees niet bang, Paulus, u moet voor de keizer verschijnen, en zie, God heeft u allen ge­schonken die met u varen".

3. U hebt de tekst gekozen - deze keer wel geen centraalzon, maar een nevenzon; want de centraalzonnen zijn alleen bij de profeten en de vier evangelisten te vinden, voorzover het de vier evangeliën betreft. Wat daarbuiten valt heeft meer betrekking op bepaalde historische gebeurtenissen en heeft minder betrekking op de algemeenheid, maar veel meer op de beperktere sfeer, waar­in het historische deel zich afspeelde.

4. En daarom is de gekozen tekst, ofschoon door een engel ge­sproken, een boodschap aan Paulus, die dan ook in zijn geldigheid geheel is afgesloten en daarom is hij, zoals u gemakkelijk kunt be­grijpen geen centraalzon, maar slechts een neven - of planetaire zon.

    5. Maar desalniettemin bevat hij toch geestelijke betekenis en geeft hij dus ook ver in de omtrek licht; want het maakt een groot verschil of er een engel namens de Heer spreekt of handelt, of wanneer de Heer Zelf uit Zichzelf spreekt of handelt.

6. Het was noodzakelijk hier van tevoren aan te herinneren, opdat u de woorden van de Heer en de handelingen van de Heer tegenover die van de engelen en apostelen, op waarde weet te schatten en goed vermag te onderscheiden. En nu u dit weet, zullen we zien wat en hoeveel van het algemene licht in de aan­gehaalde tekst voor onze zaak voorhanden is.

7. "Wees niet bang Paulus", spreekt de engel, "want je moet voor de keizer verschijnen!" Dat wil zoveel zeggen als: 'Jij, die naar de woorden van de Heer handelt, wees niet bang, want de Heer wil dat de wereld je in je handelen herkent. En zal de wereld je herkennen, dan zal ze je navolgen! En in deze navolging bestaat de beloofde schenking van die mannen, die met Paulus op het schip zijn. Want ze geeft te kennen, dat deze mannen evenals Paulus zelf, niet alleen toehoorders van Gods woord zullen wor­den, maar dat ze er ook naar zullen handelen.

8. Uit deze korte uiteenzetting volgt dan ook duidelijk, dat de Heer Paulus daardoor niet heeft willen zeggen dat hij aan de kei­zer voorgesteld zou worden om een beroemd redenaar of een to­neelspelervan hem te maken, of dat de Heer hem de mannen van het schip niet daarom gegeven had opdat Paulus redenaars of een toneelgezelschap uit hen zou vormen, die dan onder zijn lei­ding misschien voor de Keizer van Rome zou optreden.

9. De Heer heeft dus de scheepsgenoten niet aan Paulus ge­schonken terwille van schitterende wereldse doeleinden en heeft ze ook zeker niet tot lijfeigenen van Paulus gemaakt, maar het ge­schenk bestond daaruit dat de Heer de harten van de scheeps­genoten van Paulus verwarmde door een nieuw aangewakkerd vuur van liefde, waardoor ze de korte leer van Paulus begrepen en al spoedig volgens deze gingen handelen.

10. Dus het geschenk van de Heer aan Paulus bestond uit de levende navolging van het voorbeeld van Paulus door zijn scheepsgenoten en daarom moest Paulus ook niet als een geleerde filosoof of als iemand die goed van de tongriem gesneden was aan de keizer worden voorgesteld, maar als een mens die goed handelde en wel met alle scheepslieden als getuige, die door de krachtdadige wijsheid van Paulus, tot welzijn van Rome zowel als van de keizer, voor de ondergang werden bewaard.

11. Hieruit kunt u alleen nog des te duidelijker zien dat het daar, namelijk bij Mij, noch op veel woorden noch op allerlei onbelang­rijke ceremoniële schouwspelen aankomt, maar alleen maar op het ware handelen volgens Mijn woord, om tot het ware licht te geraken. Want zou het op veel woorden aankomen, dan had de engel die naar Paulus werd gestuurd wel drie dagen kunnen praten; maar hij sprak maar weinig, en Paulus deed daarna veel. En dat was beter dan wanneer de engel veel tot Paulus had ge­zegd, maar Paulus heel weinig had gedaan.

12. Bij Mij gaat het niet zo toe als bij uw advocaten in de wereld, die veel schrijven en ook veel spreken en als dan tenslotte veel geschreven en gesproken is, dan komt daar tenslotte voor de cliënt een bespottelijk klein resultaat uit.

13. En bij Mij gaat het ook niet zo als bij de predikers in de wereld, die vanaf de kansel wel een heel uur lang luid van alles staan te verkondigen; als de preek ten einde is, dalen ze zelfs zo van de kansel, dat ze daarna zelfs niet met één vinger datgene daadwerkelijk aanroeren, waarover ze gepreekt hebben, en negen tiende van de toehoorders gaat het bedehuis uit zonder ook maar drie woorden van de hele preek te hebben gehoord, en één tiende van de toehoorders, die wel wat van de preek opgestoken heeft, zegt aan het eind: "Vandaag heeft hij weer heel mooi gepreekt!"

14. Als hem echter enkele schreden buiten de kerk een arm, behoeftig mens tegemoet komt en om een aalmoes vraagt, dan krijgt die als resultaat van zo'n mooie preek, als het goed gaat, wel een koperen geldstuk, dat de gever niet zelden geïrriteerd met veel moeite uit een beurs vol betere geldstukken tevoorschijn haalt; of de aangesprokene zegt tegen de arme, die om een aal­moes vraagt: "God zal je helpen! Een volgende keer; Vandaag heb ik geen kleingeld bij me!"

15. Kijk, uit deze uit het leven gegrepen voorbeelden zal toch wel duidelijk genoeg blijken hoe schandelijk weinig er werd gedaan en gehandeld na zo'n verbazend lange preek. Zou het niet beter zijn, als de preek maar uit weinig woorden had bestaan, en dat na die woorden de prediker zelf zijn toehoorders met een prediking metterdaad, zoals Paulus dat deed, voor zou gaan, welk voorbeeld dan een groot aantal van zijn toehoorders tot een gelijkwaardige handeling zou aanzetten, opdat Ik dan ook tot deze prediker zou kunnen zeggen: Zie, allen die hier in dit huis zijn, heb Ik u ge­schonken, omdat u ze door uw daad tot daders van Mijn woord hebt gemaakt.

16. Er staat wel geschreven, dat men iemand weldaden in stilte moet bewijzen. Dat is ook waar en goed. Als het alleen maar om ondersteuning gaat, dan moet de daad verborgen blijven; maar als de daad een leer inhoudt, dan mag haar licht niet onder een ko­renmaat geplaatst worden, maar dan is het nodig, dat Paulus aan de keizer wordt voorgesteld. En aan hem, die leert door de daad, zullen ook diegenen gegeven worden, die hij door zij n daad heeft opgewekt!

17. Als iemand echter alleen maar door praten anderen tot een goede daad heeft bewogen, dan blijft het gewoonlijk ook alleen maar bij die ene daad; en moet er dan een tweede daad geschie­den, dan is daarvoor ook weer een ellenlange redenering nodig, waarvan je in de vele oproepen tot weldadigheid de meest spre­kende voorbeelden vindt.

18. Als in een of andere krant een geprivilegieerde markt­schreeuwer, meestal volgens een ambtelijk verzoek, zulk een op­roep tot weldadigheid plaatst, dan doen velen wel wat, omdat hun naam eventueel ook in de krant bekend zal worden gemaakt en mogelijk de overheid van zulke weldoeners goede nota zal nemen - maar werkelijk uit liefde doet niemand iets. En is de op­roep eenmaal voorbij, dan kraait er geen haan meer naar de behoeftigen, waarvoor de oproep was geplaatst.

19. Zullen zulke weldoeners dan ook nog tot een geschenk wor­den voor degene die de oproep gedaan heeft? O neen, die gaan hem zo weinig aan als u het middelpunt van die zon, die eerder zal vergaan dan dat haar licht op uw aarde zal aankomen.

20. Ik denk dat het licht van deze 'nevenzon' ook helder genoeg zal zijn; wie het benut, wordt met een centraalzon beloond. Wij willen echter, ongeacht haar helderheid, toch weer verder gaan naar een andere centraalzon!

 

Hoofdstuk 13

 

"Want zoals de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn".

(Matth. 24:37)

 

11 januari 1844 's avonds

 

1. Schrijf maar op wat u hebt!

2. "Want zoals de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn".

3. U hebt de tekst aangegeven en alweer de goede getroffen; maar waar het in deze tekst om gaat is maar al te duidelijk, of: deze centraalzon staat erg dichtbij, zodat het in alle ernst ver­wonderlijk is, als u zelf haar niet op het eerste gezicht zou zien ­ des te verwonderlijker, omdat de tijd van Noach nu al bij na geheel onthuld voor u ligt.

4. U weet, hoe ook in Noachs tijd de volkeren der laagte aller­lei literatuur en wetenschap hebben beoefend. Een u bekende koning van de laagte was een groot schrijver. Zijn voorbeeld werd door duizenden gevolgd en in korte tijd was de toenmalige wereld door een onnoemelijke hoeveelheid boeken en geschriften over­spoeld.

5. Hoe meer deze literatuur de overhand kreeg en hoe meer de mensen gingen lezen en studeren, des te kouder werden zij in hun harten, - maar tegelijk ook werden ze geraffineerder in het uit­vinden van alle denkbare boosheid.

6. Men begon de mensen door de politiek te vangen, en weldra schuwde men geen enkel middel meer, al was het nog zo ten hemel schreiend, om daardoor een of ander ijdel, zelfzuchtig doel, dat men zich gesteld had, te bereiken. Tenslotte kwam het zo ver, dat men de mensen alleen naar hun goud ging waarderen; wie dat niet bezat, werd als slaaf, ja gewoonweg als lastdier gebruikt, en men ging zo ver met deze gruwelijke toestanden, dat Mijn ge­duld tenslotte geheel op was en Ik de aarde alleen door een alge­meen gericht voor de ondergang kon behoeden.

7. Zo stonden de zaken in Noachs tijd, wat u redelijk bekend is. Maar hoe staan ze nu?

8. Ik heb u al enige tijd geleden in de zgn. 'Twaalf Uren'* (* 'Die Zwölf Stunden' is een reeds eerder door Lorber ontvangen geschrift.) ge­toond hoe de zaken staan. Als Ik u nu weer opnieuw zo'n ont­hulling zou doen, dan zou u grote vooruitgang in de wereldpoli­tiek en in de wreedheid ontdekken, en Ik zeg u: er is niet veel meer voor nodig om u weer opnieuw geheel in de tijd van Noach te bevinden, waar men tenslotte zelfs glazen huizen moest bouwen, opdat de mannen van de zeer geraffineerde politiek altijd zonder veel moeite konden gadeslaan wat de onderdanen deden.

9. Maar er zijn geen glazen huizen nodig - de geheime politiek is ook in uw tijd zo ver gevorderd, dat ze geen middel onbeproefd laat om daardoor haar heerszuchtig doel te bereiken.

Zou u zijn ingewijd in de geheimen van zo menige staat, waarlijk, u zou zo hard mogelijk roepen: "Heer, sla toch eens toe! Want in de diepste hel kan het toch niet erger toegaan dan daar!"

10. Ik wil u echter in zulke geheimen niet inwijden: want als u slechts een kleine blik werpt op de vruchten, dan kan het u niet ontgaan heel duidelijk te zien wiens geesteskinderen zulke profe­ten zijn, die dergelijke heerlijke vruchten produceren. En wat is de oorzaak van dit alles?

11. Gaan we naar dat koninkrijk, dat door de zee omspoeld wordt. In dit koninkrijk vindt u bibliotheken en tijdschriften in zulke grote hoeveelheden, dat men met deze bladen Europa en Azië drie keer zou kunnen bedekken en nergens wordt zoveel gelezen als in dit koninkrijk; maar men vindt ook niet gemakkelijk ergens een grotere gevoelloosheid en een totale verharding van het hart, dan juist in dit koninkrijk. Met de grootste onverschil­ligheid van de wereld kan daar een door het goud opgeblazen, veelbelezen en geleerde beroemdheid duizend arme, weeklagen­de brood - en dakloze mensen voor zijn paleis de hongerdood zien sterven, zonder in het minst ertoe bewogen te worden, ook maar één van de vele stervenden een stuk brood aan te bieden.

12. Vraag: Is dat niet een heerlijke vrucht van grote belezenheid en niet zelden van diepe mathematische en mechanische wijs­heid?

13. Is het niet heerlijk, als men door dergelijke mathematische en mechanische wijsheid werkende machines kan bouwen, waar­door duizenden arme mensen met één slag brodeloos worden en aan de hongerdood worden prijsgegeven?

14. Is het niet heerlijk spoorwegen op te richten, waardoor in de eerste plaats een heleboel voerlui en andere ambachtslieden hun verdienste kwijtraken en ten tweede juist door het aanleggen van deze prachtige straten zoveel landerijen van de boeren ver­nield worden, dat deze weldra tot de bedelstaf geraken? En wat is er ten derde voor groot nut aan verbonden: dit bestaat daaruit, dat langs zulke wegen allerlei luxe en daarmee verbonden indu­strie des te sneller bevorderd kan worden, opdat de arme mensheid des te vlugger lichamelijk en geestelijk te gronde wordt gericht en de harten van de rijken zo snel mogelijk zo hard worden als de straten, waarop ze met elkaar verkeren krachtens handel, ruil en bedrog.

            15. Zijn dat geen heerlijke vruchten van grote belezenheid en daaruit voortkomende geleerdheid?

    16. Noemt men niet degene die zijn verstand te gelde weet te maken een schrandere man?

17. Maar juist omdat het verstand zoveel geld oplevert, is de liefde geheel op de achtergrond geraakt en het handelen volgens haar kent men bijna niet meer. Want men heeft immers genoeg machines, die vanuit het verstand zijn ontwikkeld en werken; waarvoor heeft men dan nog mensen­handen nodig?

18. Want mensenhanden zouden wel eens door hun werk bij de een of andere grote zakenman liefde tot zijn arbeiders kunnen op­wekken. Om zich niet aan dit gevaar bloot te stellen, laat men maar ijverig machines fabriceren, want die werken veel sneller en leggen nooit beslag op het hart van de bezitter, hoogstens zo nu en dan als er toevallig iets aan beschadigd is, op het verstand, dat het beschadigde zo nodig weer voor het tot stand brengen van een Minuendo-Lisitatie'*' (" Korting op het loon.) laat repareren.

19. Zeg maar of het bij u niet precies zo toegaat?

20. Het bedelen is verboden; maar het bouwen van machines wordt met premies beloond. Wat gebeurt er dan later met de ar­men? Oh, daarvoor wordt ook gezorgd! Er zijn veel armenhuizen en instellingen voor armenzorg: er worden inzamelingen gehou­den en er worden theatervoorstellingen en bals gegeven.

Daardoor is voor de armen wel zo goed gezorgd dat die in de armenhuizen zo ongeveer gedetineerden worden en de andere, nog vrije armen, krijgen maandelijks zo'n verbazend bedrag, dat ze daarmee hoogstens eenmaal per dag half genoeg kunnen eten. Hoeveel zo’n arme van de armenkas krijgt, hoef Ik u niet te zeggen; dat weet u hopelijk zelf.

21. Stel naast zo'n bedeling eens de menselijke behoefte aan en het verbod op bedelen, dan wordt het u zeker wel duidelijk hoe 'voortreffelijk' er voor die armen gezorgd is, die nog het geluk hebben uit een of ander fonds betaald te worden. Wat blijft er echter voor diegenen over, die bij de armenzorg nog geen gehoor gevonden hebben?

    22. Kijk eens wat voor heerlijke vruchten van de literatuur, van belezenheid en verstand dat zijn!

23. Zou het dan niet beter zijn, minder te lezen en te leren? En dat zou daaruit moeten bestaan, dat men moet weten wat de plicht van een mens, ja van een Christen is!

24. Zou het, zoals gezegd, niet beter zij n naar zo'n geringe maar nuttige wetenschap volop te handelen en daardoor de werkelijke plicht van een mens te vervullen, dan zijn hele leven te lezen en te schrijven, maar het handelen naar Mij n woord helemaal te ver­geten?

25. Ik sprak: "Wees niet alleen hoorders maar ook daders van Woord!" Waar zijn dan nu degenen die handelen? Zijn het soms de fabrikanten van machines en luxe? Of zijn het de spoorwegdirecteuren en ondernemers? Zijn het misschien de industrie baronnen of de eigenaars van de suiker­plantages in Amerika? Of is het misschien de geld -, goud - en heerszuchtige geestelijkheid? Waarlijk, Ik heb toch ver ziende en scherpe ogen - en ben genoodzaakt Mij ook nog sterk vergroten­ de verrekijkers te creëren, om daarmee degenen die handelen naar Mijn woord op aarde te zoeken. Bij een triljoenvoudige vergroting lukt het Mij nog slecht; want dan zie Ik nog maar zo weinig, dat Ik waarlijk nog niet goed onderscheiden kan of het er een duizendtal, honderd, tien of helemaal geen zijn.

26. Maar daarom heb Ik nu een veel grotere verrekijker aan het werk! U zult zeker begrijpen wat Ik daarmee wil zeggen, omdat u zelf een beetje daaraan meewerkt; een hele centraal-zonnenschijf moet als objectief dienen. Hierdoor wil Ik het aantal mensen dat handelt naar Mijn woord precies bekijken. Zou dat op de hele aarde nog een tiental zijn, dan wil Ik Mijn gericht nog duizend jaar opschuiven; zijn het er echter minder dan tien, dan zal Ik Mijn geduld tot aan een groot algemeen gericht naar het aantal mensen dat naar Mijn woord handelt beperken - en wel voor elke mens een jaar.

27. Men zal wel zeggen: "Heer, er zijn toch nog heel veel recht­schapen mensen!" Maar Ik zeg daarop: "Ja, er zijn heel veel één­honderdduizendste, één tienduizendste en éénduizendste, ook wel éénhonderdste mensen die naar Mijn woord handelen. Als Ik ze echter samen optel, dan komt er nauwelijks één uit!"

28. Hoe dat zo? Wat is de mens die honderdduizenden bezit en daarvan aan de armen jaarlijks hoogstens één tienduizendste deel van zijn vermogen geeft en die toch Mijn woord kent, dat Ik tot de rijke jongeling heb gesproken? Vraag: Is zo iemand meer dan één tienduizendste dader van Mijn woord? Waarlijk, naar zulke mensen vraag Ik niet; die zie Ik in Mijn verrekijker ook niet, Ik zie alleen maar de helen!

29. In Noachs tijd had Ik ook zo'n verrekijker opgesteld; en daar Ik niet meer dan 8 mensen vond, die geheel handelden naar Mijn woord, liet Ik het gericht uitgaan. Ik vrees nu, dat Ik hij een heden­daagse beschouwing het aantal uit Noachs tijd niet zal aantreffen, en wel daarom, omdat de politiek en de industrie deze keer al een veel hogere top heeft bereikt dan in de tijd van Noach; en wat de alom voorkomende wreedheid betreft, is Hanoch geen stap verder! Neem de 'Twaalf Uren' maar ter hand en vergelijk!

30. Zo is er nu, evenals het in de tijd van Noach was, een rijpe vrucht van de literatuur en van grote belezenheid. Daaruit wordt ook duidelijk, dat het heil van de mensen nooit van veel lezen en veel horen, maar alleen van het handelen volgens de wet van de liefde afhangt!

31. Ik geloof dat dit ook duidelijk is; maar daarom volgende keer toch nog een centraalzon, vanwege de vergroting van het objectief van Mijn verrekijker.

 

Hoofdstuk 14

 

"Als ze dan tot u zeggen: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen. Zie, (Hij is) in de binnenkamers, gelooft het niet!"

(Matth. 24:26)

"Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen".

(Matth. 24:28)

 

12 januari 1844 's avonds

 

1. Schrijf maar op wat u hebt!

2. "Als ze dan tot u zeggen: "Zie, Hij is in de woestijn!", gaat er niet heen, - "Zie, Hij is in de binnenkamers!", gelooft het niet!"­"Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen".

3. U hebt juist weer die teksten gekozen, die datgene, wat wij voor onze zaak nodig hebben, open en bloot weergeven. Het zou werkelijk verwonderlijk zijn als u dat zelfs met alleen maar uw verstand niet al op het eerste gezicht duidelijk zou kunnen zien.

4. Wat is dan een woestijn? Een woestijn is een streek waarin geen leven heerst. Maar wat is dan een geestelijke woestijn? Zeker niets anders dan eveneens een veld of een terrein, waarop Ik niet wandel, en waar Ik dan ook nooit word aangetroffen.

5. Waar is dan dit veld of deze streek, waar men zo vaak heen gaat om daar de waarheid en de grond van het leven te vinden?  Deze streek en dit veld is niet anders dan de hele verzamelde literatuur! En daarom zou deze tekst ook zo kunnen luiden:

6. "Als men tot u zegt: Zie, de ware wijsheiden de levende waar­heid is in de boeken te vinden. Lees ze en u zult ze vinden!", dan zeg Ik daarop: "Ga niet de woestijn in; want daar is noch wijsheid noch de innerlijke levende waarheid te vinden!" Maar Ik spreek: "Ga in liefde naar Mij en naar uw naasten; zoek Mijn rijk in de daad, dan zal al het andere u in overvloed erbij gegeven worden."         

7. Ik denk dat deze tekst geen verdere verklaring meer nodig heeft, omdat zijn betekenis zo zeer voor de hand ligt. Even gemak­kelijk als de eerste tekst is, is ook de tweede en niemand moet dan ook geloven, dat Ik in de kamers ben, als men dat van Mij zegt.

8. Wat zijn deze 'kamers' dan? - Kamers zijn in de natuurlijke zin geheime vertrekken, waaruit niet gemakkelijk iets openbaar wordt. Gewoonlijk zijn ze de werkplaatsen van min of meer poli­tieke valsemunterij. Zo heeft ook elk mens een paar hartkamers en hij weet niet wat daarin plaatsvindt. Nu weten we wel zo onge­veer de natuurlijke betekenis van een kamer. Zelfs een zogenaam­de rommelkamer bevat gewoonlijk voorwerpen, die niet openlijk getoond worden; en de bezitter van zo'n rommelkamer weet vaak zelf nauwelijks wat voor onnutte dingen er in haar vergaan en verschimmelen.

9. Wat is dan naar zulk een natuurlijk voorbeeld een geestelijke kamer? Ik behoef u dat niet uit te leggen, maar Ik zal u enkele van dergelijke kamers laten zien en dan zult u dadelijk precies weten hoe het daarmee staat. Deze geestelijke kamers heten: allerlei confessies, sekten, kloosterachtige verenigingen, conclaven, al­lerlei mysticismen, concilies, consistoriën. We hebben er genoeg; want u kunt er zelf nog een heleboel van dergelijke verenigingen, congregaties en broederschappen bij denken. Die horen er alle­maal bij.

10. Daarom zou de tekst ook zo kunnen luiden: "Als men u zal zeggen: 'Het Godsrijk, of de levende waarheid, of de zuivere leer van Christus is in deze of gene confessie of sekte', enz., of: 'Dat is de alleenzaligmakende kamer!', geloof het dan niet; want de Heer is slechts bij hen, die Hem in hun hart en werken liefhebben!"

11. Waar twee of drie in Mijn naam of in Mijn liefde (dat spreekt vanzelf) werkzaam samen zijn, daar ben Ik midden onder hen; maar zeker niet daar, waar men zich slechts beraadt over wereldse, militaire en geldzaken, in plaats van over Mijn woord en Mijn liefde, - en niet waar degenen, die zich Mijn priesters noemen ook vestingen, machinerieën en spoorwegen plannen.

12. Ook hier, denk Ik, is de tekst weer zo duidelijk gegeven, dat iedereen gemakkelijk begrijpen kan hoe hij precies in onze zaak past, waar het ook niet voldoende is, dat men alleen maar in het geheim ervan binnengaat als in een kamer, maar dat men daar­naar moet handelen.

13. Dat is alles waar. We hebben echter nog een derde tekst. Hoe zullen we deze hier zo inlassen, dat hij ook in onze zaak past?  Dat zal nog gemakkelijker gaan dan met de twee vorige!

14. "Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen".

15. Wie is dan wel het 'aas' op deze wereld, waarvoor men de neus dicht knijpt en walgt als men over dit aas spreekt? Helaas heb Ik de eer Zelf dit aas te zijn!

16. Wie zij n dan de weliswaar wat zeldzaam geworden gieren? Dat zijn de weinigen die Degene die u dit hier verkondigt, van ganser harte liefhebben. Deze weinigen, die liefhebben, bezitten

een scherp gezicht en een scherpe neus; of ze hebben een diep levend gevoel en als gevolg daarvan een onbedrieglijk vermogen om te oordelen, wat bij elkaar genomen het levende geloof is.

17. Waarom verzamelen zich de gieren waar aas is? Omdat hun instinct hen zegt: "Daar is voor ons levende kost te vinden!" Daarom vliegen ze er dan ook heen en verzadigen zich over­vloedig.

18. Zo weten ook Mijn werkelijke vereerders en degenen die Mij liefhebben dat Ik het ware brood van het eeuwige leven ben en dit brood is Mijn liefde; deze genieten ze in volle teugen en ze voeden zich daarmee voor een leven dat nooit meer van hen afgenomen wordt.

19. Zo weet de hongerige, dat hij eten moet van het ware brood als hij verzadigd wil worden. Maar wordt hij ook verzadigd, als men hem in plaats van het brood een kookboek te lezen zou ge­ ven?

20. Of hoe zou een gier zich voelen, als u hem zou vangen en dan in een rommelkamer zou vastzetten? Zou hij zich soms verzadi­gen aan beschimmelde en vergane voorwerpen? Zeker niet; hij zal daar zwak worden en hij zal er sterven!

21. Gaat u daarom ook niet in die kamers, waarin een aas des doods tot stof vergaat, een aas van Beliam, een aas van het heiden­dom en van afgoderij, maar vlieg met de gieren op naar omhoog en u merkt gemakkelijk waar het aas is dat u leven brengt!

22. De hoogte is het zuivere erkennen van Mijn woord, en het aas is het levende woord waarvan de wereld een afkeer heeft ge­kregen en dat het als de pest mijdt, waar ze er maar de lucht van krijgt. Wilt u dat ervaren, begin dan maar met een werelds mens te spreken over ten eerste de bijbel en ten tweede over de mogelijk­heid van een innerlijk, levend woord uit Mij, en dan zal hij u in het beste geval rijp vinden voor het gekkenhuis; of als het wat erger toegaat dan zal hij u dadelijk als staatsgevaarlijke dwazen bekend­ maken en u zult dringend uit zijn omgeving weg moeten gaan.

23. Hieruit blijkt toch wel duidelijk wie nu het 'aas' is en wie de 'gier' en wat de 'woestijn' is en wat de 'kamers'!

24. Gaat u daarom ook niet de woestijn in, noch in de kamers, maar zoek in de vrijheid van uw geest het aas, dan zult u het ware leven vinden!

   25. Ik geloof dat dit ook weer duidelijk zal zijn; maar nochtans daarom de volgende keer opnieuw weer een centraalzon!

 

Hoofdstuk 15

 

"En ze brachten de ezelin en het veulen tot Jezus en legden hun kleren daarop en Hij ging erop zitten" (Matth. 21:7)

 

13 januari 1844 's avonds

 

1. Schrijf, zoals gewoonlijk, uw tekst maar op!

2. "En ze brachten de ezelin en het veulen tot Jezus, en legden hun kleren daarop en Hij ging erop zitten".

3. Kort, maar goed is de tekst; die kunnen we juist heel goed ge­bruiken, - want hij toont in een levendig en overduidelijk beeld wat voor ons van belang is.

4. Ze brachten de ezelin naar Hem toe, legden hun kleren daar­ op en pas dan ging de Heer op de ezelin zitten.

5. De ezelin was vastgebonden, toen de discipelen haar vonden en ze was nog het eigendom van een mens van de wereld. Wat wil dat zeggen? Dat betekent de gebonden eenvoud, deemoed en lief­de, die nog door de wereld gebonden is, of de geest in de mens, die nog niet werd vrijgemaakt, ofschoon hij vanwege zijn dee­moedige en liefdevolle aard de Heer volledig is toegewijd en dus zijn hele bestemming in en voor de Heer is. Als de Heer zo'n geest ziet, stuurt Hij dadelijk Zijn dienaren, opdat die hem vrij maken en tot de Heer leiden en de wereld heeft dadelijk elk schijnbaar recht en alle macht over degene verloren tot wie de Heer spreekt: "Ik heb hem nodig!"

6. Waarom is het echter een ezelin en geen ezel? Omdat het wijfje hier nog duidelijker de diepste deemoed en de vrucht­dragende liefde aanduidt dan het mannetje.

7. Nu bevindt de ezelin zich bij de Heer; en de leerlingen be­dekken haar met hun kleren. - Dit geeft aan hoe de ware deemoed en de vruchtbare liefde, zodra ze bij de Heer is gekomen, dadelijk met de ware wijsheid wordt bekleed. Want kleren betekenen de wijsheid, naar haar nuttig gebruik. Hoe eenvoudiger ze zijn, een des te hogere graad van wijsheid uit de Heer geven ze ook aan; want de liefde en de deemoed zonder meer is naakt.

8. Als daarbij nog zeer uitgezochte en prachtige kleren komen betekent dat, dat de wijsheid groter en sterker is dan de liefde. Daarom zijn bijvoorbeeld ook de engelgeesten in de wijsheids­hemel met de grootste pracht bekleed; maar de engelgeesten van de hoogste hemel, die pure liefde tot de Heer zijn, verschijnen zeer eenvoudig gekleed, ja vaak geheel naakt, in het bijzonder als hun liefde tot de Heer de hoogst mogelijke graad heeft bereikt.

9. Dus ook hier betekenen de eenvoudige kleren van de leer­lingen, waarmee de ezelin was bedekt, de zuivere goddelijke wijs­heid en als zulke vruchtdragende liefde vanuit haar deemoed met zulke zuivere goddelijke wijsheid wordt bekleed, dan is ze pas vol­komen geschikt om de Heer te ontvangen en te dragen en is dan ook geheel één met de Heer.

10. Zulke vruchtbare liefde, met de wijsheid bekleed, draagt de Heer; de Heer leidt ze echter Zelf, zodat ze onmogelijk een of andere misstap kan maken en de rit gaat dan regelrecht op de stad van God af, die het eeuwige rijk van God aanduidt of het ware eeuwige leven. - Dat is het beeld en zijn betekenis.

11. Men zal zeggen: "Het is alles juist voorgesteld; maar zoals het hier staat begrijpen we niet precies waarom het voor ons van belang is!"

12. Ik zeg echter: als het licht er eenmaal is, mag u het plaatsen waar u maar wilt, en het past overal precies zo, alsof het al vanaf de eeuwigheid hiervoor bestemd was.

13. Probeer dat maar eens met een brandende kaars! Zet hem op verschillende plaatsen in uw kamer en hij zal nergens vreemd en niet op zijn plaats lijken, maar zal overal heel gezellig passen.

14. Zo veranderen ook de verschillende sterren aan de hemel, tenminste schijnbaar, voortdurend van plaats. Kunt u echter zeg­gen of de Orion bij het opkomen of als hij in het zuiden staat of 's avonds beter uitkomt tegen het firmament? Waar hij zich ook bevindt, daar lijkt hij altijd op zijn juiste plaats te staan. En net zo goed komt ook de zon overal even schitterend uit: en waar zijn licht schijnt verricht hij overal dezelfde dienst.

15. Zo is het ook met het helder aangewakkerde licht van onze tekst. U kunt het plaatsen waar u maar wil, dan zal het overal net zo schitterend passen als was het juist daarvoor geschreven. Of het nu ook hier voor ons past zullen we dadelijk proberen vast te stellen; en we zullen het plaatsen en het zal zich daar precies zo voordoen als was het juist daarvoor gemaakt. Luister dus: we zullen het proberen!

16. Vraag: Had de Heer Zich niet even goed een paard of ten­minste een goed afgerichte ezel kunnen laten brengen in plaats van een ezelin? Zeker! Elk dier zou in dit geval aan de Heer ontegenzeglijk dezelfde dienst hebben moeten bewijzen. Een leeuw, een tijger, een panter, een kameel, een olifant, een paard, een muilezel, die allemaal waren in de eerste plaats veel sterker geweest en hadden aan de Heer der eeuwigheid, de almachtige Schepper van alle dingen op één wenk moeten gehoorzamen; en bovendien was dan zo'n rit toch duidelijk indrukwekkender ge­weest dan de rit op een zwakke ezelin.

17. Dat zou zeker zo zijn geweest, maar alleen ad hominem* ( Bij de mensen, d.w.z. als het ging om een gewoon mens.) ge­nomen, ad Dominem **( Bij de Heer.) verhoudt de zaak zich anders. - Degene die alles geordend heeft en de grondoorzaak van alle dingen is, han­delde niet als een mens, bij wie het er niet zo op aankomt, maar bij Hem is alles in de meest onomstootbare orde een voorbeeld, dat tot in de eeuwigheid de mensen zal beleren.

18. Deze krachtiger dieren duiden hoofdzakelijk kennis en wijs­heid aan: maar hen ontbreken de zegeningen der liefde en dee­moed in hun diepe eenvoud.

19. Had de Heer zo'n dier uitgekozen, dan had Hij daardoor metterdaad aangetoond, dat de mens zich in de eerste plaats zou moeten werpen op de verrijking der wetenschap en op alle mo­gelijke kennis en wijsheid daaruit. Ja, Hij had hem daarmee aan­getoond, dat hij alle bibliotheken van de wereld of tenminste zoveel mogelijk zou moeten bestuderen; maar de Heer wist wat Hij deed en Hij hield Zich hier aan het grondbeginsel dat Hij al van het begin af aan had verkondigd, toen Hij sprak: "Zodra u van de boom van de kennis*** (D.w.z.: in zijn niet gezegende toestand.) zult eten, zult u sterven".

20. Maar juist omdat de Heer een met schamele kleren bedekte ezelin bereed, toonde de Heer in beeld en ook daadwerkelijk aan alle mensen, dat zij op geestelijk gebied hetzelfde moeten doen en zich alleen aan de zegenrijke ware liefde en haar deemoed moeten houden; dan zal de Heer hen van de wereld vrijmaken en zal Hij hen met kleren van de ware wijsheid bekleden, en Hij Zelf zal hen net zo leiden, als zij Hem dragen, met zulke liefde namelijk, in hun hart, en op de rug van hun deemoed.

21. Maar niet op paarden, olifanten, kamelen, leeuwen, panters en tijgers zal de mens rijden; of klaar en duidelijk gezegd: Niet naar kennis en naar geleerdheid en wijsheid moet de mens jagen ­want dat is alles een vrucht van de boom der kennis - maar in de ware liefde en deemoed moet de mens de Heer verwachten! En als die tijd daar is, dan zal de Heer komen en zal hen vrijmaken en zal dan de boom van de kennis zegenen; of op de ezelin wor­den dan de kleren gelegd, en de mens zal dan van deze gezegende boom alle vruchten van de ware wijsheid in alle eeuwigheid kun­nen genieten.

22. Nu vraag Ik of het licht van deze tekst bij onze zaak past of niet! - Ik denk, dat een kind dat begrijpen kan; maar daarom toch volgende keer weer een centraalzon.

 

Hoofdstuk 16.

 

"Jezus zei: 'Neemt de steen weg'. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: 'Heer, hij riekt reeds, want hij is (daar) vier dagen'."

(Joh. 11 :39)

 

15 januari 1844 's avonds

 

1. Schrijf, zoals gewoonlijk, de centraalzon maar op!

2. "Jezus zei: 'Neem de steen weg'. Martha, de zuster van de ge­storvene, zei tot Hem: 'Heer, hij riekt reeds, want hij is (daar) vier dagen'."

3. Als u altijd zo'n gemakkelijke tekst kiest, waarvan vanaf het eerste ogenblik de betekenis al zo voor de hand ligt, dan kan Ik u niet elke keer tien volle bladzijden uitleg daarover geven; want deze tekst houdt in zijn eerste stelling al volkomen hetzelfde in als hetgeen Ik u in het verloop van dit hele aanhangsel voort­durend al duidelijk maak. * (* Oorspronkelijk waren deze teksten een bijvoegsel of aanhangsel van het tweede deel van 'De geestelijke Zon')

4. Ook tegen u zeg Ik: 'Neem de wereldse steen des doods weg van het graf van je liefde! Of, in overeenkomstige zin duidelijk gesproken: probeer niet het leven te verwerven door allerlei ver­rijkingen van het verstand die je verkrijgt uit de geleerdheid van de wereld, maar neem deze steen weg, opdat, als Ik bij uw graf kom, Mijn levende stem daar ongehinderd kan doordringen en uw geboeide en vastgebonden Lazarus uit de dood zal opwekken; Lazarus is uw geest, die nog door veel wereldse banden is ge­bonden en gekneveld!

5. Ook komt Martha nog naar Mij toe, namelijk het verstand dat zich met wereldse zaken bezighoudt en zegt: "Heer, hij ligt al drie dagen in het graf en ruikt al slecht!" Ik zal echter toch, om Gods heerlijkheid te tonen, ook degene die al vier dagen in het graf ligt en daar vergaat, tot nieuw leven wekken, als de steen maar eenmaal is weg gewenteld.

6. Zo echter, als Martha spreekt, spreekt - zoals al opgemerkt - ook het dwaze verstand van de mens en het zegt: "Ja, wat zul­len we dan doen?" In onze kinderjaren, daarna als jongemannen, en dan als mannen en zelfs ook als grijsaards hebben we ons steeds met de wereld beziggehouden; onze geest ligt dus geduren­de deze vier levensdagen in het graf van de wereld, met haar banden gebonden, en het ruikt er kwalijk door alle zonden die we in deze vier dagen hebben begaan!

7. Zal de Heer wel zo barmhartig zijn, dat Hij ons dan nog kennelijk wonderbaarlijk tot leven zou wekken? Hoe kunnen we zoiets van de Allerheiligste verwachten, tegen wiens geboden we zo vaak hebben gezondigd? Door deze zonde hebben we het zo ver gebracht dat onze geest dermate is afgestorven, dat we niet eens meer weten of we een geest bezitten, en wat hij is, ja, we weten niet eens meer zeker of in ons lichaam een levende ziel huist of niet?

8. En al hebben we ook een levende geest en een levende ziel, dan is toch zeker de geest evenals de ziel te zeer in haar vlees­massa begraven en te zeer met diens banden gebonden, dan dat we ooit zouden kunnen verwachten dat de Heer, de boven alles Hei­lige, zich zo diep zou neerbuigen om deze Lazarus in ons met de almacht van Zijn stem weer op te wekken, om hem dan naar zijn eeuwige bestemming te voeren. Bovendien kunnen we ons ook niet gemakkelijk zo helemaal van de wereld losmaken, zoals we dat van de Heer kunnen verwachten.

9. Maar dan zeg Ik daartegen: Ik roep niet en zeg: "Wend u geheel af van de voor uw tijdelijke bestaan noodzakelijke omgang met de wereld!" Want dat heb Ik Zelf toch ook niet gedaan, toen Ik op de wereld was. Ik Zelf heb in de wereld gewerkt en heb met Mijn eigen handen de wereld veel goede diensten bewezen. En daarom zal Ik nooit tegen u zeggen: "heb met de wereld helemaal niets te doen!" Maar dit zeg Ik u:

10. Schuif de steen, ja, de zware steen weg van uw Lazarusgraf en u zult weldra binnenin u Gods heerlijkheid gewaar worden! Maar het graf moet geopend zijn en dan zullen degenen die in de graven zijn Mijn stem horen en gewekt worden!

11. Maar zolang u de steen niet wegschuift van het graf, zult u te zeer gevangenen van de dood zijn en Ik kan roepen als een nachtwaker en dan nog kan uw Lazarus Mij niet horen; want door de steen dringt de stem van de liefde niet heen, omdat de steen zelf het symbool van de ware liefdeloosheid is. Een steen kan slechts door de stem van Mijn toorn verbrijzeld en vernietigd worden; maar Mijn liefde bedient zich niet van een steen voor de mond in plaats van een bazuin.

12. Zo'n steen is uw wereldgeleerdheid die zich baseert op het verstand; hij is log en zwaar en er is veel krachtsinspanning voor nodig om hem van het graf weg te wentelen. Maar niettegen­staande dat, moet hij toch weg, anders dringt Mijn levenwekken­de stem niet tot de dode Lazarus in u door.

13. De steen verhindert wel, dat de wereldse neusgaten de be­dorven lucht van de wegrottende Lazarus in u gewaar wordt. Ik zeg u echter: Het is goed voor degene, bij wie de steen van het graf wordt gewenteld, om in zijn wereldse neusgaten de bedorven lucht van de vergane Lazarus op te vangen; want als dat niet ge­beurt, als de mens nadat de steen is weg gewenteld niet in werke­lijk berouw huivert over de toestand waarin zijn Lazarus verkeert, dan zal Mijn roep tot opwekking niet tot in het graf van de ont­bindende Lazarus doordringen, hem opwekken en hem dan ver­lossen van de banden des doods!

14. Ik denk, dat dit wel nooit duidelijker kan worden uitgelegd en u hebt dan ook een meer dan toereikend en machtig licht ont­vangen, om een volkomen heldere kijk op deze uiterst belangrijke hoofdzaak te krijgen.

15. Het hangt nu helemaal van u af daarnaar te handelen: Zult u daarnaar handelen, dan zult u ook zeker tot de vaste overtuiging komen, dat deze openbaring niet uit de mond van een mens, maar uit Mijn eigen mond komt. Als u het echter alleen maar leest als een werelds boek, dan zal het voor u ook alleen maar als een mensenwerk een werelds boek blijven!

16. En met deze woorden sluit Ik Mijn grote gave aan u af. Wilt u echter toch als extra toevoeging nog meer van zulke lich­ten, dan laat Ik dat over aan uw liefde en uw verlangen. Ik zal dan altijd de vriendelijke Gever zijn. Amen.

 

 

Hoofdstuk 17

 

"Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid binnengaan?"

(Lucas 24:26)

 

17 januari 1844 's avonds

 

      1. "Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid binnengaan ?"

2. In deze boven aangehaalde tekst wordt erop gewezen, dat de heerlijkheid van het eeuwige leven niet door grote belezenheid en geleerdheid, maar door de daad van liefde kan worden bereikt.

3. Men kan hier wel zeggen: Christus was toch zelf al het eeuwi­ge leven en had de heerlijkheid daarvan in zich. Waarom moest Hij dan daarna lijden om deze heerlijkheid in te gaan?

4. Ik zeg echter: Christus was maar een mens en moest Zich de heerlijkheid van God door Zijn daden geheel eigen maken, omdat Hij het eerste en fundamentele voorbeeld was. En had Hij niet zo gehandeld, dan was het met de hele schepping gedaan geweest; want pas in Hem worden Vader en Zoon, of, wat hetzelfde is, de goddelijke liefde en de goddelijke wijsheid weer één. Want daar­vóór had de liefde zich van de wijsheid gescheiden, omdat de wijsheid in haar heiligheid zich onbereikbaar hoog had opgesteld en eisen had gesteld, die onmogelijk te vervullen waren.

5. Maar de wijsheid was niets zonder de innige vereniging met haar liefde: hoe echter kon zij zich opnieuw met haar liefde ver­enigen? Zij moest in de mens Jezus de door haar gestelde ver­zoeningsvoorwaarden zelf op zich nemen: ze moest zich zo diep mogelijk verdeemoedigen en alleen daardoor werd ze weer volko­men één met haar liefde, die de 'Vader' is.

6. Daarom achtte Christus dan ook alle wijsheid en wijzen van de wereld gering, daar Hij Zelf de eeuwige, almachtige, funda­mentele wijsheid van de Vader was. Alle schriftgeleerden moesten wel een gruwel voor Hem zijn, als hun daden niet overeenstemden met datgene wat in de schrift werd geleerd.

7. Hij als de eeuwige wijsheid uit de Vader moest daden van liefde verrichten en de mensen leren, dat alleen de wet van de liefde gold; ja, Hij moest zich tenslotte laten gevangen nemen en kruisigen door de wijsheid van de geleerde priesters en moest op deze manier als het oereeuwige Licht van de Vader of van de liefde de grootste smaad ondergaan en zelf in de diepste duister­nis geraken, waarom Hij dan ook uitriep: 'Vader, waarom hebt Ge Mij verlaten?'

8. Dat Hij echter als het eeuwige oerlicht in zichzelf een totale verduistering moest ondergaan bewijst dit tot nu toe nog door niemand begrepen ogenblik, waarom na de dood van Christus aan het kruis in de oneindige schepping een volkomen duisternis optrad en niet alleen het licht van de zon, maar ook dat van alle zonnen in de gehele oneindigheid gedurende drie uren verdween.

9. En deze verduistering geschiedde op hetzelfde ogenblik als waarop de ziel van Christus na de dood in de hel neerdaalde, om daar de geesten te verlossen, die in de oude wijsheid gevangen waren en om ze naar het nieuwe licht te brengen, dat uit de her­eniging van de Zoon met de Vader alle oneindigheid begon te ver­vullen.

10. Christus moest daarom de oude wet der wijsheid in Zich Zelf tot het uiterste betrachten, om alle ontstane dwalingen daardoor voor de ogen van de Vader te verzoenen; ofwel alle wijsheid moest worden gekruisigd, opdat daardoor de liefde van de Vader gerechtvaardigd werd.

11. Dat deed dus God Zelf; wat wilt u dan doen? Denkt u misschien dat u door de rechtvaardiging van uw wijsheid in de heerlijkheid van het eeuwige leven zult ingaan?

12. Als Christus als de goddelijke wijsheid Zelf werken der lief­de moest verrichten, indringend moest prediken en al Zijn wijs­heid moest kruisigen en in de grote duisternis moest laten opgaan, om daardoor weer volkomen in te gaan in de heerlijkheid van de Vader, die de afgescheiden liefde in Christus Zelf was, dan zullen de mensen toch ook die weg moeten bewandelen, als ze met Hem in de heerlijkheid van Zijn vaderlijke liefde willen ingaan.

13. In de oerkerk van de wereld heette het: u mensen kunt slechts door de liefde van God nader komen tot de anders onbe­reikbare goddelijke wijsheid. Christus zegt echter: "Nu ben Ik als de goddelijke wijsheid Zelf, als de Weg en het Leven de deur tot de liefde of tot de Vader. Wie nu tot de Vader wil komen, die moet door Mij naar binnen gaan".

14 . Hoe dan? Misschien door de wijsheid, omdat Christus als de deur de goddelijke wijsheid Zelf is? O nee, want juist deze wijs­heid liet zich tot op de laatste atoom verdeemoedigen; zij als de onaantastbare heiligheid van god daalde diep neer te midden van de zondaren; die wijsheid die vroeger niet eens door een volkomen engel in haar diepte kon worden aanschouwd, ging nu om met zondaren, at onder hun dak en werd tenslotte door heidense sol­daten en gerechtsdienaars gekruisigd.

15. Uit deze eindeloze verdeemoediging van de goddelijke wijs­heid zelf blijkt wel zonneklaar, dat er niemand met een opgebla­zen wijsheid in de heerlijkheid van het eeuwige leven kan binnen­gaan. Niemand zal zijn studieboeken en geschriften kunnen ge­bruiken om een trap naar de hemel te bouwen; dat kan alleen maar zijn ware deemoed en zijn werkzame liefde voor de Vader.

16. In Christus ging alle oergoddelijke wijsheid over in de liefde tot de Vader; daardoor werd uit de Zoon en Vader de Ene. Dat moet ook zo gaan bij de mensen. De mens zal waarlijk niet in de heerlijkheid van de Vader binnengaan, voordat hij met zijn hoog­moedige verstand en met alle begeerten naar eer tot op de laatste druppel verdeemoedigd wordt - ja, voordat hij niet alles aan de voeten der liefde wil neerleggen en daardoor een korte duisternis van al zijn wereldse wijsheid zal ondergaan.

17. Christus moest dit lijden en doen om in de heerlijkheid van de Vader in te gaan; zo moet ook elk mens dit lijden en hij moet Christus getrouw navolgen, als hij in de heerlijkheid van de Vader wil binnengaan.

18. Christus heeft echter niet op universiteiten gestudeerd om daardoor als een hooggeleerde wijze in de heerlijkheid van de Vader in te gaan, maar Zijn school heette: deemoed en werkzame liefde. Als Christus het voorbeeld gaf, hoe is het dan mogelijk om op een andere manier in Gods Rijk binnen te gaan?

19. Ik geloof dat het niet nodig is meer hierover te zeggen, want uit de diepste wijsheid is dit zonneklaar aangetoond. Doe daarom hetzelfde, dan zult u leven! Amen.

 

Hoofdstuk 18

 

"Als Ik echter door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen".

(Lucas, 11:20)

 

18 januari 1844 's avonds

 

1. "Als Ik echter door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen".

2. Deze tekst geeft juist datgene te kennen, waarover Ik altijd tot u spreek. Wat is 'de vinger van God', wat de 'duivel' en zijn uitdrijving, en wat 'het koninkrijk van God', dat tot u komt? Wat duidt de vinger eigenlijk aan?

3. De vinger duidt de daden in het klein aan, zoals de hand de daden in het groot aanduidt. De 'duivel' is de wereld, die voor de kleine daden van liefde van de mensen moet wijken. Het rijk van God, dat tot u komt is het genade licht van de liefde en de daar­aan verbonden gave van het eeuwige leven.

4. Hier betekent de vinger van God dus Mijn liefdevolle zorg in het bijzonder voor mensen, en de gaven die Ik u schenk zijn af­komstig van Mijn vinger. Want als Ik zou zeggen: "Ik drijf de dui­vel uit u met Mijn hand!", zou dat zoveel betekenen als: "Ik zend een algemeen gericht over u, wat ook in de tijd van Noach ge­beurde!" Ik drijf echter slechts met Mijn vinger de wereld uit u, en daardoor krijgt u ook geen gericht, maar alleen een genade­licht.

5. "Ik drijf met Mijn vinger de wereld uit u" betekent zoveel als: Ik zoek degenen op, die een betere geest hebben, maar toch nog in wereldse benarde omstandigheden leven. Deze raak Ik met Mijn vinger aan, opdat Mijn innerlijke genadelicht hen ten deel valt.

6. In dit genadelicht toon Ik wat u moet doen en hoe weinig en gemakkelijk dat is, om het eeuwige leven te verkrijgen en het Rijk Gods te ontvangen, zoals het in dit genadelicht levend tot u komt; en dat wil ook zeggen dat Ik van u slechts een kleine handeling, dus geen handeling met de hand, maar slechts één met de vinger verlang, wat alleen maar hieruit bestaat, dat u Mij meer dan de wereld zult liefhebben en uw broeders en zusters goed zult doen al naar uw vermogen.

7. Zou Ik een grote daad verlangen, dan zou u moeten doen wat vroeger de apostelen moesten doen, namelijk alles in de wereld verlaten en tenslotte zelf de kruisdood ondergaan.

8. Dus alleen met de vinger drijf Ik de wereld bij u uit en dat vindt u al veel! Wat zou u dan zeggen, als Ik Mijn hand zou op­heffen? Hoeveel scheld Ik u wel niet kwijt en toch komt dat wat Ik van u verlang u nog veel voor!

9. Ik zeg u: doe toch geen moeite voor de wereld; want zij is het niet waard! Waarom stopt u dan zo moeizaam allerlei geleer­de ballast in uw hoofd als Ik u in overvloed het goud des Levens

aanbied en wil geven, indien u de wereld verlaat en Mij in uw hart sluit?

10. Wat zou u dan wel van een mens zeggen, die in zijn tuin een vruchtboom had staan? De vrucht van die boom was rijp en als hij zijn hand even had uitgestoken en de vrucht met zijn vinger had aangeraakt, was die in zijn hand gevallen.

11. Wat deed deze dwaas om de vrucht gemakkelijker te kunnen bereiken en daardoor als het ware te tonen, wat voor grote waarde hij aan deze vrucht hechtte? Hij liet een fundament leggen onder de vrucht en op het fundament een altaar met treden metselen, om de rijpe vrucht dan heel gemakkelijk te kunnen bereiken. Na enkele weken was het altaar klaar, maar ondertussen was de vrucht aan de boom verrot en zo kreeg hij na de voleindiging van zijn grote, dwaze inspanning in plaats van een verse een verrotte en dus een dode vrucht van de boom.

12. Deze dwaze mensen lijken op al diegenen, die in hoge ge­leerdheid het rijk van de waarheid zoeken, terwijl dat heel ge­makkelijk en levend te bereiken zou zijn geweest, als ze maar enigszins hun hart naar Mij hadden opgeheven. Zulke geleerden leggen fundament na fundament en bouwen dan hierop met veel moeite kostbare altaren met treden en zijn ze daarmee klaar, dan hebben ze met al hun moeite en arbeid niet meer bereikt dan een dode vrucht, die noch voor de wereld en nog veel minder voor de geest enige waarde heeft. Voor de wereld niet, omdat deze zegt: "Waarvoor zoveel onkosten en zoveel moeite met zo weinig op­brengst?", en voor de geest nog minder, omdat die vanuit zijn levenssfeer zegt: "Ik kan geen verrotte en dode dingen gebruiken !"

13. De voorheen rijpe vrucht echter is de goed geordende geest in de mens. Waartoe zoveel moeite gedaan de rijpe geest vrij te maken, als iedereen dat met heel weinig moeite kan bereiken, met de moeite van één vinger? Waarom hele bibliotheken in uw hoofd, waar alleen het 'Heb God lief boven alles en de naasten als uzelf' ruimschoots voldoende is?

14. Ik heb geen bewapende legers nodig om de duivel uit te drijven, maar slechts één vinger en dat is Mijn uiterst ernstige liefdevolle wil; doet u dat ook: wees ernstig in het willen lief­hebben en volg de goede raad die Ik u geef, en u zult zonder de minste moeite van de wereld afstand kunnen doen en Mijn Rijk zal zeker levend tot u komen! Amen.

 

Hoofdstuk 19

 

"Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u!"

(Johannes 14:18)

 

19 januari 1844 's avonds

 

1. "Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u".

2. Deze tekst geeft weer hetzelfde te kennen als wat Ik altijd tot u zeg en wat Ik ook weer met deze nieuwe gave getrouwen levendig bevestig.

3. "Ik wil u niet als wezen achterlaten!", maar er staat ook: "Ik blijf bij u tot aan het einde der tijden!", wel niet in uw wereld­verstand en grote geleerdheid, waarvan Ik een afschuw heb, maar in de liefde en deemoed van uw hart.

4. "Ik wil u niet als wezen achterlaten!" wil niet zeggen: "Ik wil u allerlei boeken en ook nog gebedshuizen vol met beeld­houwwerken en met Mijn heilige beeltenissen in alle mogelijke standen geschilderd en uitgesneden schenken, die in het heiden­dom thuishoren!"; want elke uiterlijke zienswijze behoort de wereld toe en is een belemmering voor het in zichzelf schouwen, zoals de mens die zijn ogen niet dicht doet, niet tot slapen komt en in de slaap nog minder tot een droom, die een innerlijke aan­schouwing is van datgene, wat tot de wereld der geesten behoort.

5. Dus het is niet daarom dat Ik u niet als wezen wil achter­laten, dat Ik door het toe te laten u veroorloof veel uiterlijke afbeeldingen die zo nodig op Mij betrekking hebben, te vervaar­digen en tegelijkertijd vanuit uw verstand een even grote, zo niet grotere hoeveelheid boeken te schrijven, waarin naar de waarheid wordt gezocht op dezelfde manier als waarop u in de loterij speelt, waarbij niemand weet of de nummers die hij heeft gekozen ook getrokken worden, maar waar iedereen op goed geluk hoopt. En wordt dan toevallig zijn nummer getrokken, dan weet hij evenmin de reden van dit welslagen als hij in het tegenovergestelde geval de oorzaak van het niet gelukken geweten had. Want iedereen die speelt is van mening dat zijn nummer het beste is; anders had hij het zeker niet gekozen. De uitslag toont hem pas een ander licht, namelijk dat een ander nummer beter was geweest. Dan zegt hij: "Maar ik heb dit cijfer al opgeschreven, - waarom moest ik toch een ander kiezen?"

6. En kijk, dit voorbeeld past precies op de zeer vele schrijvers. Iedereen denkt op een of andere manier de spijker op de kop ge­slagen te hebben. Maar het duurt niet lang of een ander duikt weer op, die de eerste heel nauwkeurig bewijst dat hij de plank hele­maal heeft misgeslagen. En zo gaat het steeds verder en tenslotte weet de laatste evenmin als de eerste of hij de spijker op de kop heeft geslagen of niet.

7. Gelukt het hier en daar de een of ander ergens op de waar­heid te stoten, dan weet hij toch nog niet of hij werkelijk daarop gestoten is of niet. Het enige criterium dat voor hem geldt is, dat hij met zijn werk algemene bijval van de wereld heeft gekregen, maar hij bedenkt niet dat er niet zoveel voor nodig is om deze bijval te krijgen.

8. Men hoeft het met het schrijven alleen maar net zo te doen als men vóór de trekking in een loterij doet, namelijk alle nummers flink door elkaar schudden, zodat niemand er meer uit wijs kan worden wat de schrijver eigenlijk bedoeld heeft, dan blijft elke kritiek op zo'n machtig werk bescheiden op de achtergrond en de schrijver heeft dan met zijn werk een duidelijk succes voor de wereld behaald.

9. Vraagt men echter: "Zit er ook de door Mij beloofde Heilige Geest in zulke werken?" Oh neen! Werkelijk, dat zijn wezen; bij hen ben Ik niet! De tekst waar het hierom gaat, geldt niet voor hen.

10. Maar misschien geldt hij wel voor de schilders, graveurs, beeldhouwers en vergulders, die zich heel speciaal bezighouden met het voorstellen in beeld van de zogenaamde heilige voor­werpen - als ze maar betaald worden, dan leveren ze ook veld­slagen en allerlei andere obscene voorstellingen -, Ik zeg: ook deze zijn wezen en de tekst heeft niets met hen van doen.

11. Maar misschien zijn het de dichters van preken en gebeden­boeken, alsook muzikale componisten van de zogenaamde kerke­lijke muziek? Oh neen! ook voor dezen geldt de tekst niet, want ook zij hangen de huik naar de wind en willen voor geld alles doen. De eerste schrijft vandaag een verheven gezang, een gebed, een psalm die David, van de uiterlijke kant bekeken, geen schan­de had aangedaan als hij hem zou hebben geschreven; morgen echter schrijft hij, als hij ervoor wordt betaald, met evenveel en­thousiasme een verheven gedicht over de hoer van een hoog­geplaatste heer en maakt hij in geval van nood ook een verheven grafschrift voor het gestorven schoothondje van een prinses. De ander componeert een oratorium, maar dadelijk daarna schrijft hij, als hij wordt betaald, ook een ballet of een nog lager staande dansmuziek.

     12. Vraag: Is daarin wel de werking van de Heilige Geest te onderkennen? - Ik vind haar niet; en als Ik haar niet vind, zult u haar nog veel minder vinden, al zou u haar ook met een lantaarn, waarin in plaats van een kaars een centraalzon zou branden, willen zoeken.

13. Maar misschien zal de Heilige Geest in de wijze staats­wetten, in allerlei verordeningen of zelfs misschien in de veel­vuldige scherpe kerkelijk disciplinaire wetten steken? - Voor­waar, Ik vind er geen één!

14. Waarom dan niet? Omdat in dit alles niet Ik, maar slechts de voor heersers wereldse voordelen eraan ten grondslag liggen. Allen willen heersen, de keizer en de koning, de vorst, de graaf, de baron, de ridder, de voorname heer, de koopman, de burger en ook de boer en vanaf de keizer naar beneden gaande natuurlijk ook al zijn beambten, alsof ze nagenoeg overal de persoon van de keizer zelf waren.

15. Er moet nu eenmaal wel een keizer en een koning en een vorst zijn; maar ze zullen het niet zijn om reden van het heersen, maar vanwege het leiding geven, opdat de volkeren door hen tot Mij worden geleid. Maar ze worden maar al te vaak van Mij afge­leid en naar de wereld gekeerd, ze worden niet sterk maar zwak gemaakt, opdat ze in hun zwakheid des te gemakkelijker zijn te beheersen.

16. Vraag: Is het een werking van de Heilige Geest, als de heer­ser zijn onderdanen als lijfeigenen beschouwt, of dat hij elk ogen­blik zijn woord kan terugtrekken zodra hij het maar heeft uitge­sproken? - De heerser moet een leider en trooster van zijn volk zijn en hij moet hen wetten geven, die niet van de heidense wet­ten zijn afgeleid, maar heel duidelijk van de Mijne; dan zou hij een goede regent zijn en de Heilige Geest zou in hem werken, zoals Hij in David en nog andere goede regenten heeft gewerkt.

17. Maar in de uitvindingen van allerlei machines waardoor de mensenhanden overbodig werden, in het opkomen van de in­dustrie, in de aanleg van spoorwegen en het in leven roepen van grote legers werkt de Heilige Geest nooit! Want dergelijke dingen waren ook voor de zondvloed in de tijd van Noach in zwang door de werking van de wereldgeest, die we duivel kunnen noe­men. Zo ging het ook in Sodom en Gomorra en in Babel.

18. Wie zou dan willen beweren, dat zoiets de werking van de Heilige Geest was? Daarom volgde dan ook op zulke handel­wijzen die lijnrecht tegen de Heilige Geest inwerkten, altijd een machtig gericht; iets van dien aard houd Ik ook nu al gereed om daarmee te tonen, dat Mijn Heilige Geest in de tegenwoordige manier van handelen in de wereld helemaal nergens aanwezig is, waardoor deze wereld er voorstaat als een wees. Ik laat haar echter nog enige tijd begaan tot ze de juiste valhoogte zal hebben bereikt en dan - één bliksemflits van het Oosten naar het Westen en in dat licht zal men zien, hoeveel werking van de Heilige Geest er nog in de wereld is.

19. Ja, maar als het zo staat, waar zijn dan degenen die Ik niet als wees wil achterlaten?

20. Ik zeg: Hier en daar vindt men ook zulke mensen; maar ze zijn bijna zeldzamer en kostbaarder geworden dan de grote dia­manten uit een kroon. Deze mensen leven eenvoudig, zoveel mogelijk van de wereld afgezonderd en hun vreugde ben Ik en het onderwerp van hun gesprek ben Ik ook. Waarom dan? Omdat, waar het hart vol van is, de mond overloopt! Dus ben Ik ook de­gene, met wie hun hart zich bezighoudt en al het andere in de wereld kan hen niets schelen.

21. Deze mensen zijn zeker geen wezen; want Ik ben in hun midden, spreek dagelijks met hen en Ik bel eer hen Zelf en voed hen op. Ze horen altijd Mijn stem en erkennen die stem ook als die van de goede herder en niet als die van een huurling die ze niet volgen, omdat het de stem van een omkoopbare huurling is. Deze zijn het dan ook, voor wie de voorliggende tekst is geschre­ven.

22. Ik heb daarom geen geleerden nodig, geen dichters, geen beeldende kunstenaars en geen musici, geen uitvinders van machines en geen wereldse wetgevers, maar slechts deemoedige harten, die Mij liefhebben heb Ik nodig. Waar Ik deze vind, zal Ik hen alles wat ze nodig hebben geven en dat zeker op een betere wijze dan de wereld dat doet: en dan zal dat alles de werking van de Heilige geest zijn en er zullen geen wezen in de wereld zijn. Maar het zij n slechts weinigen, wier oren geschikt zijn om Mijn stem te horen.

23. Ik geloof, dat u uit wat hier gezegd is wel heel gemakkelijk zult begrijpen wie degenen zijn voor wie de tekst is opgesteld. Dat u tot diegenen behoort voor wie deze tekst is gemaakt, bewijst dat hij voor u ligt. Maar pas als u er geheel naar zult handelen zal deze waarheid uw innigste overtuiging zijn geworden.

Bedenk dat wel! Amen.

 

Hoofdstuk 20

 

"En toen Hij zag dat zij zich aftobden met het roeien, want zij hadden de wind tegen, kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake tot hen, terwijl Hij op de zee liep; en Hij wilde hen voorbij gaan".

(Marcus 6:48)

 

22 januari 1844 's avonds

 

1. "En toen Hij zag dat zij zich aftobden met het roeien, want zij hadden de wind tegen, kwam Hij omstreeks de vierde nacht­ wake tot hen, terwijl Hij op de zee liep; en Hij wilde hen voorbij­gaan".

2. Lange verzen hebben een korte verklaring nodig, omdat deze er meestal in besloten ligt. Korte verzen hebben meestal een langere verklaring nodig, ten eerste omdat ze vanwege hun kort­heid de verklaring niet in zich sluiten, en ten tweede, omdat ge­woonlijk het licht in hen nauwer en vaster is opgesloten en het daarom meer vereist om al hun licht vrij te maken, dan bij langere verzen, die zonder meer al sterk genoeg licht geven.

3. Daarom kan Ik u ook geen uitgebreide verklaring over boven­staande tekst geven, omdat zijn licht al zeer sterk is; en als u ook maar even daarover zou willen nadenken, dan ligt het zo voor de hand, dat u het dadelijk begrijpen zult. Opdat u dat inziet, wil Ik dat door korte aanwijzingen aantonen en dat zal genoeg zijn om deze tekst te begrijpen. Luister maar!

4. De 'zee' duidt de wereld aan: de 'tegenwind' is het doen en laten van de wereld en zij n begeerlijkheden, waartegen een echte schipper tot de vierde nachtwake, die zijn laatste levensdagen aangeeft, dus zijn hele leven, moet strijden; want onder 'nacht' wordt het materiële leven op aarde verstaan.

5. De Heer is niet op het schip. Waarom niet? Omdat Hij niet in de wereld is; want het schip stelt de in de wereld levende men­sen voor en de Heer is daar niet, omdat de mensen vrij zijn.

6. Toch wandelt de Heer op wonderbaarlijke wijze achter de schipper aan en loopt even gemakkelijk over alle deiningen en golven van de wereld, alsof het vasteland was. Hij bekommert zich niet om de schippers die op zee zijn; waar Hij er een ziet, daar gaat hij voorbij, opdat Hij ze niet in hun vrijheid stoort.

7. Als Hij echter een schip ziet waarop zich Zijn leerlingen be­vinden, dat wil zeggen zulke mensen die Hem herkennen en aan­roepen, komt Hij toch dichterbij, terwijl Hij anders zou zijn voor­bijgegaan: want op het schip bevinden zich immers Zijn leer­lingen, of: deze mensen hebben een hart, dat de Heer liefheeft, vast in Hem gelooft en Hem aanroept.

8. Het hart is aanvankelijk wel bevreesd en houdt Hem voor een verschijning, dat wil zeggen: een mens die nog veel verwarde voorstellingen van Mij heeft, houdt het voor onmogelijk of zelfs voor een hersenschim, dat Ik hem zou kunnen naderen en zelfs zijn schip zou kunnen betreden.

9. Als hij daardoor in zijn liefde toch niet zwakker wordt, dan nader Ik zijn schip en laat hem weten dat Ik er ben; en als hij Mijn stem heeft gehoord en Ik tot hem spreek: "Wees niet bang; want Ik ben het, je Meester, je Heer, je God en Vader!", dan zal de vrees voor de verschijning weldra verdwijnen en die mens zal Mij met veel vreugde in zijn schip opnemen.

10. Zie, nu heb Ik de hele tekst al verklaard. Maar er blijft één vraag over, namelijk: Wat voor soort schip moet het zijn waarop Mijn leerlingen zich bevinden? Is het misschien een vernuftig ge­bouwd stoomschip, of is het een met drie masten en honderd zestig kanonnen voorzien slagschip, misschien een fregat, een schoener, een brik of misschien een rijk beladen koopvaardij­schip? - O neen! Mijn leerlingen varen niet op zulke schepen en ook Ik ontwijk ze gewoonlijk zo ver, dat ze Mij niet eens als een schim zien. Wie zou ook in de buurt willen komen van derge­lijke schepen, die van kanonnen voorzien zijn? Hun bescherming is de dood; maar de schepen die de dood ter bescherming hebben, zijn dan ook zeker voor de dood - want de dood heeft van de dood niets te vrezen. Maar waar de dood een wijde kring om een schip heen vormt (de reikwijdte der kanonnen) daar gaat het leven er ver aan voorbij.

11. Hoe moet dan het schip er uitzien dat de leerlingen draagt? Ik zeg u: heel erg eenvoudig! Het is slechts een vlot dat bestaat uit veel stevige balken, die goed bevestigd en samengebonden zijn: het ligt bijna even hoog als het wateroppervlak en de schepe­lingen bevinden zich hoogstens een paar voet boven de water­spiegel. Het mag geen zeilen hebben, opdat het niet door de we­reldse winden zal worden overmeesterd, maar het heeft aan elke kant sterke roeiriemen, zodat het zo min mogelijk de invloed van de verschillende wereldwinden zal ondergaan en volgens de wil van de zeevaarder vrij overal heen kan koersen met zijn stevige roeiriemen.

12. Als Ik op zo'n deemoedig schip kom, herken Ik dat als een schip dat Mijn leerlingen draagt; zo'n schip nader Ik dan en Ik ga aan boord. Waarom dan? Ten eerste, omdat het schip niet zo snel loopt, omdat het geen zeilen en geen raderen heeft, er zijn alleen maar roeiriemen, waardoor je nooit zo heel snel vooruit kunt komen: en Ik kan het dan gemakkelijk inhalen; ten tweede, omdat zo'n schip geen doodskring om zich heen heeft, waar Ik geen vriend van ben, omdat Ik Zelf het leven ben; en ten derde, omdat men vanaf de oppervlakte van het water gemakkelijk zon­der enige inspanning op een schip, dat zo laag ligt, kan komen.

13. Ik houd volstrekt niet van grote inspanningen; wat bij Mij niet met het grootste gemak, nagenoeg helemaal vanzelf kan ge­beuren, dat laat Ik gaan, zoals het gaat. U zult best begrijpen waarom. Want elk mens heeft zijn volkomen vrijheid, die door Mij altijd wordt ontzien.

14. Waar Ik dan toch zo'n scheepje waar men gemakkelijk aan boord kan komen over de deinende golven van de wereld zie varen en waar Ik word herkend, stap Ik ook aan boord, al was Ik ook van plan verder te gaan. En ben Ik eenmaal in het scheepje, dan daagt het ook dadelijk en overdag ziet men gemakkelijk de vaste oever - en Ik, als een goede meesterschipper, zal dan ook de oever wel weten te vinden.

15. Ik geloof dat u deze uitleg wel begrijpen zult. Gaat u dan ook aan boord van zo'n scheepje, hoe lager het ligt hoe beter; en dan zal Ik ook dat scheepje naderen en zeker aan boord gaan! Amen.

 

Hoofdstuk 21

 

"Gelukkig echter uw ogen, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen".

(Matth. 13:16)

 

24 januari 1844 's avonds

 

1. "Gelukkig echter uw ogen, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen".

2. Wat denkt u wel dat deze tekst wil zeggen? U zegt dan dade­lijk: "Dat weten we niet!"

3. Want als u zou zeggen: "We weten het!", zou u heel duidelijk liegen. Want u moet de tekst eerst in zijn letterlijke betekenis goed bezien. Vind u volgens uw eigen begrip de tekst heel verstandig, dan bent u nog ver weg van de waarheid en van het licht, dat in deze tekst te vinden is. Als u echter denkt dat voor uw gewone verstand deze tekst onzin is, dan bent u veel dichter bij zijn waar­heid en licht.

4. Hier zou menige grappenmaker kunnen zeggen: "Daarmee ben ik het eens; en wie de hele bijbel onzin vindt, die is reeds het licht en de waarheid zelf". Maar in de zin van deze wereldse grap bedoel Ik het niet, als Ik zeg: "Als u dichter bij zijn licht wilt komen, moet u vanuit uw wereldverstand deze tekst eerst als onzin beschouwen".

5. Waarom zeg Ik dit? Omdat deze tekst een zuiver hemelse betekenis heeft, die lijnrecht ingaat tegen alle werelds verstand.

6. In welk opzicht is deze tekst volgens het wereldverstand onzin? - Luister, Ik zal het u verklaren.

7. U weet, dat slechts het hart of de liefde in u tot een gevoel van verrukking of zaligheid in staat is; en dat wel omdat alleen maar de liefde of de geest in de mens het leven is en daardoor ook alleen maar tot een dergelijk gevoel in staat is. En daarom zijn het oog en het oor ook niet in staat tot zaligheid: want het oog en het oor zijn slechts zintuigen, die alleen maar ervoor dienen om de geest zijn leven brengend werk te laten verrichten en noch het oog noch het oor kan op zichzelf ooit tot zaligheid bekwaam zijn; de geest echter kan dat wel door middel van het oor en het oog en ook door de andere zintuigen.

8. Als daarom dan ook in de tekst staat: "zalig de ogen, die het zien en zalig de oren, die het horen", dan is daarmee volgens het wereldverstand klaarblijkelijk iets onzinnigs gezegd. Nu zullen we eens zien of het werkelijk zo gesteld is.

9. De gewone, wat betere wereldchristenen leggen dat zo uit, als waren slechts die ogen en oren zalig, die Mij in Mijn aardse leven gezien en gehoord hebben en men zegt dan, dat het eigenlijk een wat fraaiere zinsnede is, waarin men het symbool in plaats van de eigenlijke zaak zet, een deel in plaats van het geheel, of, zoals redenaars het geleerder uitdrukken: 'Signum pro re; pars pro toto'*.(* Het teken voor de zaak; het deel voor het geheel. )  In de grond van de zaak echter betekent het zoveel als: zalig zijn de mensen die Mij zelf gezien en gehoord hebben!

10. Is dat niet de juiste verklaring en nota bene uit de mond van de betere wereldchristenen? Dat is het zeker: maar Ik moet er wel dadelijk bij zeggen, dat noch Ik noch de genoemde evangelist ooit de retoriek hebben bestudeerd en ons nooit bezig hielden met een of andere synecdoche, en ook niet met allerlei soorten syllogismen. ** (** Synecdoche: verwisseling van deel en geheel. Syllogisme: sluitrede. )

11. Onze redekunstige figuur heeft alleen maar als naam: inner­lijke goddelijk geestelijke waarheid. En volgens deze redekun­stige figuur die in Mijn retoriek voorkomt, behoort de boven­staande tekst noch tot de synecdoche noch tot één of ander syllo­gisme; het is ook geen parafrase en ook niet een pro - of epiloog, maar zoals reeds gezegd, is het een zuivere allerinnerlijkste godde­lijk geestelijke waarheid!

12. En die bestaat hieruit: alle mensen van de wereld zijn ge­woonlijk heel bang voor de dood van het lichaam en wel daarom, omdat ze van de wereld zijn en daarom niets kunnen zien van hetgeen van de geest is en ook niet in staat zijn om datgene in zich op te nemen, wat een leven brengende leer voor hun geest zou zijn.

13. In deze tekst schuilt echter een hemelse lofzang van diege­nen, die door een waarachtig leven in liefde het zo ver gebracht hebben, dat de wereld met haar nacht als een zware deken van hun ogen wegviel en het oor van hun geest werd geopend om Mijn Vaderstem te horen. In het geheel zegt deze tekst zoveel als: "Gelukkig zijn de wedergeborenen!" En in deze zin gaat het hele­maal niet om één of andere uiterlijke betrekking tot de mensen die Mijn land - en tijdgenoten waren; hij duidt op alle mensen die ooit op aarde hebben geleefd of nog zullen leven, alsook op de bewoners van alle andere werelden.

14. Want alles moet weer geestelijk hernieuwd worden, voordat het in het geestelijke en dus het eeuwig levende, waarlijk zalig­ makende, zal binnengaan. En daarom wordt hier met 'ogen' het erkennen van het goddelijk ware en onder 'oren' het in zich op­nemen daarvan en het ernaar handelen verstaan en het betekent eigenlijk: Zalig is de mens in zijn geestelijk begrijpen, als hij het goddelijk ware geheel erkent; en werkelijk zalig is hij, als hij het goddelijk ware in zijn leven opneemt en uitsluitend daarnaar handelt. Want pas daardoor zal de wedergeboorte van de geest hem ten deel vallen, waardoor hij eeuwig geen dood meer zien, voelen of smaken zal.

15. Dit is dus de werkelijke betekenis van deze tekst! Maar heel verkeerd zou het zijn de tekst toe te passen op diegenen, die door middel van hun ogen heel veel boeken doorbladeren

en doorlezen en op deze manier het licht zoeken, of op mensen die, als ze al niet lezen kunnen, dan toch veel preken, christelijke leringen en biechtverhalen aanhoren; want die verlaten de kerk net zoals ze erin gekomen zijn.

16. Ja, velen weten op de drempel van het bedehuis al geen woord meer van wat er werd gepredikt, en bij veel preken zijn de oren van de toehoorders verre van zalig, vooral als een niet met zoveel broederliefde gezegende prediker voor zijn toehoorders de hel zo heet mogelijk en de weg naar de hemel als buitengewoon smal, stijl en doornig afschildert, zodat zijn toehoorders tenslotte de keus bijna moeilijk valt, welke weg zij wel zullen kiezen en dan denken: "De hel is weliswaar heet, maar de weg daarheen is uiterst gemakkelijk begaanbaar. De hemel biedt wel de hoogste zaligheid, maar wie kan hem eigenlijk bereiken, als alleen maar een bijna onmogelijk begaanbare weg daarheen leidt?

17. Dus zulke oren zullen wel niet de zaligste zijn, evenmin als de ogen van de geleerden, die weliswaar veel zien, maar datgene wat ze het liefst zouden zien, nooit te zien kunnen krijgen. Daarom zijn alleen diegenen zalig, die volhardend naar de wedergeboorte van de geest streven en haar dan ook steeds dichter bereiken.

18. Niemand wordt echter plotseling wedergeboren, het gaat langzaamaan; maar bij niemand ook begint het proces der weder­geboorte, voordat hij begonnen is de goddelijke waarheid te er­kennen en niemand kan eerder geheel wedergeboren worden en tot volkomen innerlijke aanschouwing en innerlijk horen van het levende woord geraken, voordat hij de wereld - wat toch eigen­lijk de zonde is - vrijwillig uit zich heeft verbannen. En dan pas komt in het zuiver hemelse licht van de aangehaalde tekst zijn troostrijke toepassing, en dan pas zijn ook de ogen die dat zien zalig, en ook de oren die het horen.

19. Ik geloof dat ook deze tekst weer duidelijk genoeg uiteen­gezet is. Probeer die dan ook in uw binnenste te verwerkelijken! Amen.

 

Hoofdstuk 22

 

"En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken, voordat ze hebben gezien dat het koninkrijk van God is gekomen met kracht" (Markus 9:1)

 

26 januari 1844 's avonds

 

1. "En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken, voordat ze hebben gezien dat het koninkrijk van God is gekomen met kracht".

2. Dit is weer een iets langere tekst en kan daardoor met een enigszins kortere verklaring volstaan. Men behoeft slechts te weten, wie degenen zijn die de dood niet smaken zullen tot ze Gods rijk in zijn heerlijkheid hebben kunnen zien: weet men dat, dan begrijpt men ook al bijna de hele betekenis van deze tekst.

3. Wie zijn dus die sommigen? Dat zijn de gelovigen en die daarnaar hopen. Wie vast gelooft, die realiseert in zijn geloof ook zijn hoop, want het heet immers ook: "Wie een geloof heeft zo groot als een mosterdzaadje en niet twijfelt aan wat hij gelooft, die kan bergen verzetten met de kracht van zijn geloof".

4. Dus worden onder 'sommigen' de gelovigen verstaan, en dat volgt nog verder daaruit, dat de gelovige aldaar bezield is door de wens om met zijn ogen datgene te zien wat hij gelooft. Daarom is deze belofte ook zo gesteld dat zij aantoont, hoe de innerlijke wens van zulke gelovigen gerealiseerd kan worden; en ze zullen niet eerder de dood smaken dan wanneer ze datgene zien wat ze geloven.

5. Wat geloofden deze sommigen dan? Deze sommigen geloof­den vast, dat Ik de beloofde Messias ben, ze geloofden ook dat door Mij de heerlijkheid van Gods rijk, dus een volkomen theocratie* (Godsheerschappij) op aarde gevestigd wordt, die nooit meer een eind zal nemen. De mensenzoon zal de heerlijkheid van de Vader op de aarde overnemen en voor Zijn macht zullen zich dan alle koninkrijken en alle knieën moeten buigen van diegenen, die zich onder de aarde, op de aarde of boven de aarde bevinden.

6. Dat was het vaste geloof van deze sommigen. Daarom werd ook tot hen gezegd dat ze de dood niet zouden smaken, voordat ze het koninkrijk van God zouden hebben zien komen; weliswaar niet op de wijze waarop zij het geloofden, maar slechts overeen­komstig hun geloof.

7. Wat denkt u echter, waarom voor deze sommigen na het aan­schouwen van de komst van Gods koninkrijk toch het smaken van de dood onvoorwaardelijk blijft voortduren, dat wil zeggen dat ze, nadat ze van de komst van het koninkrijk van God getuige zijn geweest, toch de dood zullen moeten smaken? De reden is deze, dat het geloof als zodanig, al is het nog zo vast, geen leven voortbrengt als het niet geworteld is in de liefde, die alleen on­sterfelijk is.

8. Van zulke mensen zijn er ook nu nog veel op de wereld; ze houden zich uitsluitend vast aan het alleen zaligmakend geloof, maar bedenken niet dat het geloof alleen maar een uitstraling is van het genadelicht van Mijn liefde, die goed voorbereidt en in het binnenste zo werkt, als het natuurlijke licht inwerkt op de aar­de. Als het 's zomers grote kracht heeft, verwarmt het ook het aardrijk en lokt er allerlei vruchten uit tevoorschijn; maar het licht kan niet altijd even sterk zijn en als dan de winter komt en de zonnestralen zwakker en zwakker worden, dan sterft weldra alles wat door het zonlicht is voortgebracht af en wordt het onder sneeuwen ijs begraven.

9. Waarom brengt de aarde dan in de winter haar in de zomer zo pronkende kinderen niet tot leven? Waarom moeten ze de dood smaken, als ze van tevoren de heerlijkheid van het licht uit de zon hebben gevoeld? Omdat de aarde te weinig eigen warmte bezit.

10. Precies zo is het ook gesteld met de geloofshelden. Ze gelo­ven vast en zijn vol ijver en activiteit, zolang ze door Mijn genade­straal doorlicht en verwarmd worden; als ze dan echter op de proef worden gesteld hoeveel eigen warmte ze bezitten, dan ver­welken ze, de vruchten en bladeren vallen van de bomen en ze staan daar naakt en kaal en in plaats van de vroegere vruchten rust weldra sneeuwen ijs op hun takken én twijgen.

11. In Mijn grootste genadelicht in de zomer zien ze zeker de heerlijkheid van Mijn rijk in de vruchten, die door dit licht zijn gerijpt: maar deze vruchten zijn van een vreemde oorsprong, dat wil zeggen: ze werden niet door de kracht van de eigen warmte voortgebracht en daarom blijft tenslotte het smaken van de dood onvermijdelijk.

12. Maar zo gaat het niet met degenen, die door hun grote liefde tot Mij in hun binnenste zelf een zon hebben: tot die zeg Ik: "Waarlijk, waarlijk, die Mij liefhebben en volgens Mijn woord handelen, zullen in der eeuwigheid geen dood voelen noch sma­ken.

13. Het geloof kan ook door het lezen van goede boeken worden bereikt; de liefde echter komt alleen maar uit het hart. Vraag daarom ook meer aan uw hart dan aan de boeken hoe de gevoelens van dat hart tegenover Mij zijn, dan zult u niet tot die sommigen behoren. Bedenk dat altijd! Amen.

 

Hoofdstuk 23

 

"Gij verblinde leidslieden, die de mug uitzift, maar de kameel inslokt".

(Mattheus 23:24)

 

27 januari 1844 's avonds

 

1. "Gij verblinde leidslieden, die de mug uitzift, maar de kameel inslokt!"

   2. Dat is ook weer een vers, dat voor alle tijden geldt en welks betekenis even voor de hand ligt als dat ook bij de andere het geval is.

3. Wie zijn dan deze verblinde of blinde leidslieden? Dat zijn de muggenzifters over kleine fouten of de haarklovers van de wet. Zij zuiveren en kletsen er de hele dag op los; maar van de grote fouten waarvan het hele heil en het leven van de mensen afhangt, weten ze vaak helemaal niets en als ze die al zouden kennen, doen ze uit politieke overwegingen een oogje dicht, als was dat helemaal niet belangrijk.

4. Om dit zo duidelijk mogelijk te maken wil Ik een paar voor­beelden geven! We zullen van het kleine omhoog gaan naar het grote, of van het bijzondere naar het algemene.

5. Laten we naar een familie kijken die dus samen in een huis woont. De vader heeft kinderen van beiderlei geslacht; in een wat meer vermogend gezin worden de jongens naarstig tot studeren aangezet en de meisjes hebben ook verschillende leermeesters. Bij hen leren ze één of andere vreemde taal spreken, tekenen, muziek en daarbij ook andere specifiek vrouwelijke bezigheden.

6. De zonen worden voortdurend tot studeren aangezet. Ze moeten uitmuntend zijn, anders zwaait er wat; elke nalatigheid wordt scherp berispt en strafmaatregelen blijven niet uit. Evenzo worden ook de regels die bij welgestelde lieden gelden streng ge­handhaafd en wee de jongen die ze lichtzinnig overtreedt! En dag-in dag-uit wordt er door de vader, de instructeur en de aan­gestelde leraar vermaand.

7. Men zal vragen: "Ja, is dat dan verkeerd?" Daarop antwoord Ik niets anders dan: Hier worden ook muggen gezift, de kameel echter wordt zonder meer ingeslokt.

8. Wat is hier dan de kameel? De kameel is het studeren zelf en de gepolijste wereldse opvoeding van een jong mens. Door deze verzwolgen kameel verliest de jonge mens het allermeest de laat­ste druppel van datgene, wat in hem het geestelijk leven had kun­nen wekken en hij wordt daardoor geheel aan de naakte wereld uitgeleverd.

9. Zo gaat het ook met de meisjes. De strenge moeder praat de hele dag, tot haar tong pijn doet; want de ene dochter maakte een te grote steek, bij de ander wordt ergens een vlekje ontdekt en de derde kende haar les voor één of ander vak niet goed genoeg; bij één zit het haar niet netjes, kort en goed elk verkeerd gedrag en nog veel meer nauwelijks merkbare fouten worden niet zelden met verbittering verweten en de hele dag wordt volop gecorri­geerd, vermaand en aangespoord.

10. Kijk, daar worden ook weer muggen gezift; maar dat de meisjes door al deze wereldse beuzelarij geheel van al het inner­lijke geestelijke leven afgesloten worden is de kameel, die zonder aarzeling verzwolgen wordt.

11. Ik geloof dat men aan dit voorbeeld niets meer hoeft toe te voegen, omdat het voor zichzelf spreekt. Laten we tot een meer algemeen voorbeeld overgaan:

12. Er wordt door de kerk, zoals die bij u functioneert, scherp erop toegezien, dat vooral het lagere deel van de bevolking de zo­genaamde kerkelijke verordeningen goed nakomt, daar anders de absolutie niet wordt verleend. Van de zijde van de kerk worden dan bij bepaalde gelegenheden geen moeilijkheden gemaakt voor degene die zich daaraan houdt; daarom wordt er alle zon - en feest­dagen dan ook streng gepreekt en iemand die tegen de verorde­ningen der kerk heeft gezondigd, wordt het helse vuur na aan de schenen gelegd en hij zal veel moeten doen voordat de kerk hem weer in genade aanneemt.

Bij iemand die rijk is gaat het wel wat gemakkelijker, maar voor de arme is het zwaar!

13. Maar hoe staat het dan met de verkondiging van Mijn leven­de woord en met de leiding bij het handelen daarnaar? Zo: Als een christen zijn kerkelijke plichten maar vervult, dan mag hij tegen vele van Mijn geboden zondigen en hij kan verzekerd zijn, dat hij niet veel boete daarvoor zal hoeven te doen.

14. Als hij maar bewijzen kan dat hij de kerkelijke ceremonieën zondagsmorgens bijwoont, dan mag hij 's middags zonder enig bezwaar speelhuizen, café's en ook dansgelegenheden bezoeken. Hij kan de hele nacht door spelen, zwelgen, dansen en hoereren; ook kan hij nog bedriegen, kwaadspreken, liegen, gierig zijn, an­deren schaden, maar alles wel op werelds rechtmatige manier.

15. Dit alles kan dan bij de volgende biecht, vooral bij een discrete biechtvader, hem wel voor vijf Onze Vaders, en Weesge­groeten en zeker met een betaalde mis worden kwijtgescholden. Kan ons biechtkind zich nog met een aflaat rechtvaardigen, dan gaat hij als een zon vlekkeloos van de biechtstoel naar de heilige communie en daarvandaan als een engel de kerk uit.

    16. Wie zal in dit voorbeeld niet het ziften van de muggen en het zeer grove verzwelgen van de kameel zien?

17. Ik wil dit weliswaar niet alle biechtvaders verwijten: want er worden er ook verscheidene gevonden die het van de betere kant bezien en het ernstig menen; maar in het algemeen ligt het wel zo.

18. Nikodemus behoorde ook tot de farizeeën en schriftgeleer­den; maar hij was een uitzondering en was dus geen muggenzifter en kameelverzwelger; want hij kende Mij en hield zich aan Mijn woord. Dat moet voor getrouwe biechtvaders genoeg veront­schuldiging zijn. En nu gaan we over naar een algemeen belang­rijk voorbeeld!

19. De vorsten van de wereld vaardigen veel, ja een schrik­barende hoeveelheid wetten uit, en overtreding daarvan - met opzet of per ongeluk - wordt volgens de artikelen streng gestraft. Wat Mijn wetten betreft worden slechts die als staatswetten mee opgenomen, die ten doel hebben de wereld veilig te stellen. Der­gelijke wetten zijn bij voorkeur het zevende, het vijfde en bij een duidelijk boze handeling het zesde gebod; om de andere zeven bekommert de staat zich niet erg - tenzij dan dat politieke redenen hem daartoe aanleiding geven. Dus bij het leiding geven aan het volk bekommert de staat zich bijzonder weinig of helemaal niet om Mijn woord, en zegt daarbij: "het andere laten we maar aan de geestelijkheid over".

20. Daar worden dan van weerskanten muggen gezift en dui­zenden kamelen verzwolgen en de farizeeër is een soort dat nooit uitsterft; vangt men ze aan de ene kant, dan krijgen ze aan de an­dere kant des te meer ruimte en men kan doen wat men wil, maar men komt meestal van de regen in de drop.

21. De wereld wil heersen en om dit te bereiken kan ze alles gebruiken; goddelijke en wereldse wetten worden voor één karre­tje gespannen en trekken het volk in het verderf.

22. Wat heeft het eigenlijk voor zin als een mens nog zo uiter­lijk beschaafd en staatsbekwaam is gemaakt? Wat heeft het voor nut als een staat van werelds standpunt bezien een uitstekende wetgeving heeft, als daarbij aan de hoofdzaak, waar zich al het geestelijk leven omheen beweegt, geheel geen aandacht wordt ge­schonken?

23. Ik geloof toch dat het beter zou zijn, dat iemand als een lichamelijk kreupele in het eeuwige leven binnen gaat, dan als een werelds beschaafd mens in de eeuwige dood.

24. Het is niet nodig hier meer over te zeggen. Let u daarom ook niet te veel op de muggen, maar let er liever op dat u geen kamelen verzwelgt, dan zult u het eeuwige leven verkrijgen! Amen.

 

Hoofdstuk 24

 

"En Jezus weende".

(Joh.11 :35)

 

29 januari 1844 's avonds

 

1. "En Jezus weende".

2. Deze tekst is erg kort. Hij bestaat uit drie woordjes; maar in al zijn kortheid is hij zo veelzeggend, dat men een wereld vol boe­ken zou moeten schrijven om deze tekst maar enigszins duidelijk te verklaren. Zijn volledige onthulling zult u wel nooit in haar volheid kunnen omvatten.

3. Talloze malen staat het voegwoord 'en' in de Schrift, maar nergens verbindt het zoveel als hier; want hier verbindt het twee oneindige dingen, namelijk de oneindige liefde en de oneindige wijsheid, kracht en macht van God tot één geheel. Want Jezus is de wijsheid, de macht en de kracht en daardoor de heerser over alles wat de eeuwigheid en oneindigheid geestelijk en natuurlijk vervult.

4. Deze Jezus echter weende. Waarom dan? Omdat Hij met de Vader en de eeuwige liefde in alle volheid één was. Want er staat in het boek Mozes geschreven, toen hij God verlangde te zien: "Niemand kan God zien en tegelijk leven". Velen zagen echter God in Jezus en Hij werd hun leven; maar ze stierven niet toen ze Hem zagen.

5. In Mozes' tijd weende de Godheid niet, maar Zij bracht de overtreder van de wet ter dood en niemand werd gewekt, die een­maal de dood stierf. Hier was dezelfde Godheid; doch Zij hield in Haar ondoorgrondelijk centrum Haar liefde en erbarmen niet meer verborgen, maar Zij weende en verloste daarna degenen, die in het graf vergingen van hun doodsbanden.

6. Begrijpt u nu enigszins wat het wenen van Jezus hier bete­kent? - Het wenen betekent hier een eindeloos diep erbarmen van de oneindige liefde in God!

    7. Over wie erbarmt Zij zich? Over degene die reeds vier dagen in het graf ligt.

8. Wie van u is dan zo wijs, dat hij volledig de diepe betekenis van dit beeld kan vatten? Denkt u dat Jezus hier slechts een plaatselijk wonder verrichtte, om daardoor ten eerste de twee treurende zusters hun geliefde broer terug te geven en ten tweede, om daardoor de Joden een bewijs te leveren, dat nog niemand vóór Hem had geleverd?

9. Kijk, dat zijn geheel onbelangrijke bijkomende omstandig­heden; want ten eerste had Jezus vóór die tijd al genoeg wonderen verricht, die gelijkwaardig waren met dit. Wat echter het troosten van de beide zusters betreft, zo was het voor Hem, die de harten van alle mensen in Zijn hand houdt, zeker niet moeilijk geweest ze met één blik of met een zachte wenk zo zalig te maken, dat ze de gestorven broer niet treurend maar slechts jubelend herdacht zouden hebben.

10. Dat was dus niet de hoofdreden; wat dan wel? Hier komen we bij de eigenlijk voor u onbegrijpelijke diepte in deze daad van God. Ik kan hem voor u slechts aanduiden door het noemen van herkenningstekens, maar kan het niet volledig verklaren, omdat een volledig licht in deze zaak u het leven zou kosten. Want juist bij deze daad wordt gezegd dat zij geschiedt, opdat de heerlijkheid des Vaders in de Zoon openbaar zal worden.

11. Wat stellen Martha en Maria, de twee treurende zusters, voor? Zij zijn beelden van de voorafgaande en de volgende tijd; het ene meer uiterlijk, aanschouwelijk, het andere meer geestelijk, dus innerlijk, de volle waarheid bevattend. In ruimere zin wordt onder Martha de gehele natuurlijke schepping, en onder Maria de gehele hemels geestelijke schepping verstaan. Zie, dat zijn de twee treurende zusters!

12. Over wie treurden ze dan? Over een broer die al vier dagen lang in het graf vergaat. De vier dagen betekenen de vier schep­pingstoestanden.

13. Wie is de broer nu? Hier gaan we niet verder!!! ­Wie van u ook maar een vonkje wijsheid bezit, die mag het be­denken; maar een nadere verklaring van Mij zou levensgevaarlijk zijn!

14. Uit dit alles kunt u in elk geval begrijpen wat voor een grote diepte er ligt in de woorden: "En Jezus weende", en hoe ondoor­grondelijk ze zijn. Als u bedenkt wie Jezus is, dan zult u tenmin­ste kunnen aanvoelen, dat Zijn tranen iets heel anders en groters betekenen dan die van een half verblinde lezer van een roman. Het gemoed van Jezus was niet als door lectuur geprikkeld - maar het was de eeuwige liefde Zelf als van de Vader in de Zoon.

15. Als na te volgen voorbeeld tonen de tranen dat ook u vanuit de ware levensdiepte barmhartig zult zijn:want een door romanlectuur ontstane weekhartigheid en erbarming heeft voor Mij geen enkele waarde en is niet veel beter dan een blinde liefde en huwelijk op het toneel. Zulke 'barmhartige' mensen zal Ik ook eens het loon geven dat de oorzaak was van hun barmhartigheid. Zij zullen aan gene zijde ook grote bibliotheken met talloze ro­mans aantreffen en ze zullen niet eerder daarvan los kunnen ko­men, voordat ze aan zichzelf duidelijk ervaren hebben dat een ge­schreven liefde en een geschreven leven helemaal geen liefde en leven zijn.

16. Wie niet vanuit Mij liefheeft en niet van Mij leert, die doet alles wat hij doet als een dode en zal niet eerder uit zijn graf opstijgen, voordat Jezus over zijn graf zal wenen. - Begrijp dit wel: er ligt hierin een grote diepte en zo zij het leven u ook ge­geven! Amen.

 

Hoofdstuk 25

 

"Weest dan niet bezorgd door te zeggen: wat zullen wij eten, of  wat zullen wij drinken, of  waarmee zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen zoeken de volken. Want Uw hemelse Vader weet dat u al deze dingen nodig hebt".

(Mattheus 6 : 31 - 32)

 

31 januari 1844 's avonds

 

1. "Weest dan niet bezorgd, door te zeggen: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken of waarmee zullen we ons kleden? Want naar al deze dingen zoeken de volken. Want uw hemelse vader weet dat u al deze dingen nodig hebt".

2. Kijk, vrienden, dat zijn weer een paar veel langere teksten; maar daarom zijn ze dan ook wat hun betekenis betreft vrij en open gesteld en men kan hun geestelijke zin zo duidelijk onder­kennen, dat bijna iedereen die ze wil gebruiken dat zonder moeite kan doen. U moet er eigenlijk altijd aan denken dat niet hetgeen Ik zeg het moeilijkst te begrijpen is, maar het moeilijkste ligt altijd in Mijn daden. Waarom?

3. De leer moest immers zo gegeven worden, dat zij ook zonder veel moeite door de wereld kon worden begrepen; want wat voor nut zou een met de diepste wijsheid opgestelde leer voor de wereld hebben? Die zou voor de wereld hetzelfde zijn als de Japanse taal voor u is; ze zou er nooit ook maar een jota van kunnen be­grijpen.

4. Neem bijvoorbeeld de in een wat diepere wijsheid opgestelde openbaring van Johannes! U hebt toch al zoveel uitleggingen daarover gelezen - en weet eigenlijk toch nog niet wat u ervan moet denken en waarom hij naast het evangelie nodig is.

5. Daarom was Mijn leer altijd zo gesteld, dat ze door iedereen dadelijk in haar ware betekenis kon worden begrepen. Wie acht slaat op de voor dit doel zeer geschikte en gemakkelijk begrijp­bare letterlijke betekenis, die komt dan des te gemakkelijker achter de zeer voor de hand liggende geestelijke betekenis.

6. En zo behoren de twee onderhavige teksten tot dat deel van Mijn leer, dat door Mijn leerlingen niet als moeilijk werd be­schouwd; ook niet tot de gelijkenissen, die door Mijn leerlingen niet altijd werden begrepen, maar deze teksten behoren tot dat deel van Mijn leer, waarvan Mijn leerlingen zeiden: "Nu zegt u duidelijk wat u wilt en wij begrijpen u!"

7. Wat houden dan die twee teksten in? Niets anders dan een broederlijk vriendelijke waarschuwing voor de wereld en Ik wil daarmee zeggen, dat de mensen al hun zorgen op Mij zullen leg­gen en slechts daadwerkelijk Mijn Rijk zullen zoeken; al het an­dere zal hen erbij gegeven worden.

8. Dat is dus de natuurlijke betekenis van deze tekst; daarmee is ook de geestelijke betekenis gemakkelijk te vinden. Want wat het lichaam is ontraden, geldt ook voor de ziel en voor de geest en zou ongeveer zo moeten luiden:

9. Streef er niet naar uw geestelijke zielskrachten door allerlei moeizame studie te ontwikkelen! Maak u niet bezorgd over uni­versiteiten en doctoraten, maar heb Mij, uw Vader, lief en Ik zal u de wijsheid der engelen om niet geven; en dat is toch meer dan wanneer u alle doctortitels en diploma's ter wereld had verwor­ven!

10. Want alle nog zulke grote geleerden ter wereld kunnen er met hun diploma's en doctoraten niet achter komen, wat er na de dood van het lichaam met de mens gebeurt, terwijl hij, die Ik de wijsheid gaf, dat in zijn pink met de meest overtuigende zeker­heid weet.

11. Ja, Ik zeg u: In dit opzicht zijn de dieren met hun onbewust vermogen om aan te voelen beter uit dan vele grote wereldse ge­leerden. Hier past dan ook de tekst: "Want wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?"

12. Wie niet weet wat er eens met hem gebeurt, die laat al zien dat hij een geschonden ziel heeft. Zoals een kunstenaar echter met een beschadigd instrument niet in staat is iets belangrijks tot stand te brengen, kan ook een geest in een door de wereld sterk ge­schonden ziel niets belangrijks voor het eeuwige leven tot stand brengen: want hij moet zijn kracht immers gebruiken om de be­schadigingen in de ziel te herstellen. Hoe zou hij echter als een eeuwige schoenlapper ooit een gezonde, volkomen laars kunnen maken, waarin zijn stevige levensvoet een goede steun en vaste ondergrond zou vinden?

13. Daarom moet ook niemand zich ooit in lichamelijk of gees­telijk opzicht zorgen maken over wat hij zal eten of drinken en waarmee hij zich moet bekleden, want voor alles zal Ik wel zor­gen als hij volgens Mijn leer en uit de liefde tot Mij handelt.

14. Dit is de hele, gemakkelijk te begrijpen betekenis; wie dit goed in acht zal nemen, zal er beter aan toe zijn dan allerlei soort speculanten, woekeraars en geleerden. Amen.

 

Hoofdstuk 26

 

"Die vijanden van Mij evenwel, die niet wilden dat Ik over hen regeerde, brengt hen hier en slacht ze in Mijn bijzijn af!"

(Lucas 19:27)

 

3 februari 1844 's avonds

 

1. "Die vijanden van Mij evenwel, die niet wilden dat Ik over hen regeerde, brengt hen hier en slacht ze in Mijn bijzijn af!"

2. Bovenstaande tekst is wel haast te gemakkelijk dan dat Ik er een lange uitleg over zou hoeven te geven en hij hoort ook tot die, waarover de leerlingen niet vroegen: "Hoe moeten we dat op­vatten?" Want deze tekst begrepen de blinde farizeeërs zelfs, want ze wisten heel goed, dat Ik onder de burgers van de stad die zou­den moeten worden gedood, hen heb bedoeld.

3. Dat zou wel een beperkte betekenis zijn geweest: desalniette­min is ook de algemene betekenis helemaal niet moeilijk te onder­kennen, men hoeft alleen maar te weten dat 'afslachten' hetzelfde betekent als 'berechten' en dan begrijpt men het al.

4. Wie zijn dan de 'burgers' van de stad die geen koning wilden? Kijk om u heen in de wereld en u zult zulke burgers die de koning niet willen, in alle straten en op alle hoeken in groten getale aan­treffen! - De 'stad' is de wereld; haar 'burgers' zijn de wereldse mensen, die van Mij niets willen weten.

5. De tien die de ponden ontvangen zijn de weinige uitverkorenen, die temidden van deze wereldburgers leven; en zelfs onder hen is nog een trage, die niet wil werken met de hem toevertrouwde ponden.

6. Met deze 'ene' worden diegenen bedoeld die het woord Gods wel aannemen en erkennen, maar die te traag zijn om daarnaar te handelen; daarom wordt hen tenslotte ook datgene wat ze heb­ben ontnomen en het wordt diegenen gegeven die tien pond heb­ben.

7. Waarom dan? - Omdat, wie volkomen volgens Mijn woord heeft geleefd, Mij dus geheel in liefde is toegedaan en vol vuur en ijver is; daarom komt hem ook, zoals een zon, het complete volle licht toe.

8. Wie echter geen vuur heeft, heeft ook geen licht en lijkt op een planeet, die slechts met het licht van een ander pronkt en dat kan niet altijd bij hem blijven. Wordt hij van zijn zon verwijderd, dan zweeft hij als een duistere klomp, als een door zichzelf ge­richte verworpeling van de ene oneindigheid naar de andere!

9. Uit het hier gezegde kunt u heel gemakkelijk begrijpen, wat de bovenstaande tekst wil zeggen, - namelijk niets anders dan het gericht voor al wat werelds is.

10. Nu is hier nog een derde soort wezen, tot wie de heer of de koning zegt: "Breng de burgers van de stad die mij niet als koning wilden, hierheen, opdat ze gedood worden!"

11. Wie zijn dat? - Wie zouden het anders zijn dan de engelen uit de hemel, van wie u allang weet, dat ze overal de leiders van Mijn gerichten zijn. Zij zullen altijd de wereld richten.

    12. Waarom? - Omdat ze, ten eerste, één zijn met Mij, en daar­om, ten tweede, de scherpste tegenstelling vormen tot de wereld. Omdat ze één met Mij zijn, hebben ze alle macht en kracht uit Mij; en omdat ze in de scherpste tegenstelling tot de wereld staan, wordt deze altijd door hen gericht.

    13. Dit is de heel eenvoudige betekenis van deze tekst, waar men goed op moet letten.

14. Vaak werden onder de verdeelde ponden de verschillende menselijke talenten verstaan die ontwikkeld moesten worden. Maar dat is helemaal fout. Want zou dat zo zijn, dan was daar­door het hoogst godslasterlijke 'St.Simonisme'* ( Handel in geestelijke ambten en waardigheden) een God boven alles welgevallige zaak, die ook de ontwikkeling van de dieven ­en moordenaarstalenten als een redelijke zaak beschouwt. Dat is echter zeker niet de betekenis, die aan de uitgedeelde talenten of ponden ten grondslag ligt.

15. Deze uitgedeelde talenten en ponden zijn alleen maar het uitgedeelde woord van God. Degene die het dadelijk levend in zich heeft, die heeft de tien ponden; diegene heeft het levend in zich, die het in zijn liefde of in zijn hart heeft.

    16. Wie echter de vijf ponden heeft, die heeft het woord in zijn levend geloof, waardoor hij werkzaam in de liefde kan worden.

    17. Wie drie ponden heeft, die heeft het woord in zijn verstand; als hij daarnaar gaat handelen, zal hij tot wijsheid komen.

18. Wie echter slechts één pond heeft, die erkent ook wel Gods woord: maar het doet hem niets. Hij heeft er wel niets tegen, ­integendeel, hij vindt het mooi, goed en waar; maar als hij er ernstig naar moet handelen, zegt hij:

19. "Ja, als men niet aan deze wereld gebonden was en het wereldlijke niet hoefde te doen ter willevan de wereld, dan zou het zeer loffelijk zijn volkomen volgens deze leer te leven. Maar men moet nu eenmaal in de wereld leven en daarom moet men zich ook naar haar richten, anders wordt men gemakkelijk voor een zonderling aangezien; men verliest zijn eer en reputatie en stelt zich daardoor zo geïsoleerd op, dat men dan ook geen invloed meer kan uitoefenen op de wereld, waar dat voor een goed doel nodig zou zijn geweest.

20. De rijkaard zegt: Ik zou met mijn vermogen wel volgens het evangelie willen handelen, als de tijdsomstandigheden anders waren; maar de wereld is nu eenmaal wereld en dat wil zeggen dat men zo met zijn kapitaal moet omgaan, dat men ten eerste als men ouder wordt zelf geen gebrek lijdt en dat ook de kinderen mettertijd die nodige verzorging vinden, die ze onafhankelijk van de wereld maakt.

21. De ambtenaar zegt: "Mijn God! Waar zou ik de tijd vandaan halen? Rijksdienst en herendienst gaan voor godsdienst! Als ik eenmaal met pensioen ga, dan zal ik ook in de naam van God de rozenkrans ter hand nemen of: ik zal volgens het evangelie gaan leven zoveel als dat mogelijk is, zonder mij teveel in mijn om­standigheden te moeten beperken".

22. De geestelijke zegt: "Als men maar de plichten die zijn posi­tie in de wereld meebrengt, vervult, en dat alles aan God offert, dan heeft men genoeg gedaan".

23. Daarop zeg Ik: "Dat zijn allen lieden die hun ene pond be­graven hebben en het zal hen allen net zo vergaan als het de be­zitter van één pond uit het evangelie is vergaan.

24. Waarom dan? Omdat er in hen niet ook maar één vonkje daadwerkelijke liefde tot Mij is te vinden! Zij geven altijd aan een bepaald aards gemak de voorkeur boven Mij.

25. De rijke is met Mij tevreden, zolang hij door zijn geld zich en zijn familie goed verzorgd ziet: welke levende liefde toont hij echter en welk vertrouwen in Mij, als hij zelf met alle kracht werkt om zijn familie later geen gebrek te laten lijden? Voor zulk een vertrouwen zal iedereen wel bedanken!

26. Als een wisselaar een zaakwaarnemer aanstelt en hem nooit ook maar een cent toevertrouwt, zal de zaakwaarnemer dan niet al gauw zeggen: "Hoe nu, vriend, houd je me voor een spitsboef en mijn grote onderpand van nul en gener waarde, dat je mij niet één cent vertrouwen schenkt? Beheer je vermogen zelf; ik vorder mijn onderpand terug.

27. Datzelfde zal Ik ook doen met zulke rijke gelovige Christenen en Ik zal Mijn onderpand van hen afnemen; want Ik laat Me niet door hen voor de gek houden en Mij nog minder voor een leugenaar en bedrieger aanzien, waarvoor ze Mij, gezien hun daden, houden; want zij vertrouwen Mij niet en zorgen zelf voor hun bestaan.

28. En tegen de ambtenaren en geestelijken van alle sekten, die de dienst aan de wereld en de vervulling van de aan hun stand verbonden verplichting voor een godsdienst houden, wil Ik ook zeggen: "Hebt u voor niets gewerkt? Heeft de vervulling van de plicht die u aan uw stand bent verschuldigd u geen winst opge­leverd? Hebt u uit liefde tot Mij, of uit liefde tot de voordelen die u verkreeg door deze standsplicht te vervullen, deze taak ver­vuld ?"

29. Als ze zullen zeggen: "We deden het goede en het recht­vaardige ter wille van het goede en rechtvaardige zelf en we willen en mogen ook met een gerust geweten de voordelen genieten, die het gevolg zijn van goede en rechtvaardige handelingen",

30. dan zal Ik echter zeggen: "Dan bent u dus betaalde arbei­ders geweest en hebt u uw loon al ontvangen. Hoeveel hebt u voor Mij daarbij gewonnen met het ene, u toevertrouwde pond? Toon de winst!"

31. En waarlijk, dan zullen ze alleen maar het ene pond kunnen tonen, zonder iets erbij, en zullen ze moeten zeggen: "Heer, het pond was onder de omstandigheden waarin wij ons in de wereld bevonden, niet te gebruiken; wij hebben het echter als heilig beschouwd, daarom hebben we het niet aangeraakt".

32. En Ik zeg: "Dan zal met u ook dat geschieden, wat met de man uit het evangelie die één pond toevertrouwd kreeg, geschied­de en deze één ponders zullen in het hiernamaals ontzettend lang bezig moeten zijn, voordat ze zich ook maar één penning omhoog­gewerkt zullen hebben. Daar zal veel wenen en tandengeknars aan voorafgaan!

33. Ik denk, dat dit duidelijk is; houd er rekening mee, opdat u niet tussen de 'één ponders' terecht komt! Amen.

 

Hoofdstuk 27

 

"Eer van mensen neem Ik niet aan".

(Joh. 5:41)

 

5 februari 1844 's avonds

 

1. "Eer van mensen neem Ik niet aan".

2. Deze tekst geeft in korte woorden aan, welke band er bestaat tussen de mensen en Mij, namelijk geen band van eer. Want de mensen zijn me, zoals ze zijn, waarlijk niet tot eer. Ik heb de mensen ook niet geschapen, opdat ze me zouden eren.

3. Maar Ik heb met de mensen wel een band en die heet liefde en dat is heel iets anders dan eer bewijzen.

4. Wie zijn degenen, die zich eer laten bewijzen? Dat zijn de vorsten en de groten in de wereld.

   5. Waarom laten ze zich eren? Omdat ze meer willen zijn dan de mensen, ofschoon hun bewustzijn hen zegt dat ze dat niet zijn.

6. Wat is de eer, die men iemand bewijst? Dat is in de grond van de zaak niets anders dan vrees voor degene die machtiger en ster­ker is. Want de zwakkere is bang voor de slagen en de onbarm­hartigheid van hem die machtiger is; daarom kruipt hij voor hem en eert hem en aanbidt hem als het ware, opdat de meer machtige door zulke vleierij omgekocht wordt en het slaan achterwege zal laten. Hoe meer eerbied de zwakkere tegenover de sterkere toont, des te meedogenlozer wordt die sterkere.

7. Vraag hier: Is zulk een eerbewijs een vrucht van goed of van slecht zaad? Ik ben van mening: Zoals de vrucht is, zo zal ook het zaad zijn!

8. Denk je dan, dat Ik dat van de mensen zou willen ontvangen wat voor Mij een gruwel en de meest afschuwelijke stank is?

9. Wat zou de reden zijn, dat Ik Mij door de mensen zou laten vereren? Misschien omdat Ik God ben en de mensen door Mij zijn geschapen? Omdat Ik almachtig ben en de mensen tegenover Mij helemaal niets zijn?

   10. Wat zou Ik aan zo'n eer hebben? Word Ik daardoor meer God en Mijn almacht groter?

11. Het is eerder te begrijpen dat mensen onder elkaar zo zouden handelen, want als een zwakke re een sterkere eer bewijst, wint hij daardoor in macht en aanzien. Maar wat voor winst zou er voor Mij in steken, als de mensen Mij zoals andere groten op aarde zouden eren? Zelfs de meest scherpziende Cherubijn met de aller­beste microscoop die een atoom zou kunnen vergroten tot de grootte van een hoofdcentraalzon, zou deze winst niet kunnen ontdekken; want Ik ben God, almachtig van eeuwigheid her.

12. Zou Ik door de verering der mensen nog meer kunnen wor­den? - Ik denk nauwelijks; daarom heb Ik ook nergens een wet uitgevaardigd: "Gij zult God, uw Heer, boven alles eren!", maar slechts boven alles liefhebben. Daarom wordt in genoemd vers ook gezegd, dat Ik de eer niet bij de mensen zoek; want er is in Mijn innerlijk al Eén, die Mij in waarheid eert vanaf de eeuwig­heid.

13. Wat voor vreugde Ik dan zou hebben aan de 'Ad maiorem Dei gloriam'-daden, of, zoals men bij u op de wereld pleegt te zeggen: "Alles tot Gods eer!" kunt u aan dit korte vers gemakke­lijk zien. Want wie Mij in zijn hart niet eert zoals een van liefde brandende bruid haar bruidegom, diens verering is voor Mij een gruwel!

14. Wat heb Ik aan het duizendmaal herhaalde "Heer, we bren­gen U eer!", waarbij alle harten vol onreinheid zijn? - Zo'n eer heeft voor Mij niet de minste waarde!

15. Want allen die Mij op zo'n ceremoniële manier vereren, zijn de "Heer - Heer"-roepers en ze kunnen Mij duizenden lita­nieën voorbabbelen en zeggen: "Heer, we eren U en prijzen Uw kracht!", "Heer we bidden U, verhoor ons gebed!" en "Heer, er­barm U over ons!" en dan kunnen ze nog duizendmaal erbij zeg­gen: "Ere zij God, de Vader!", enz.

16. Ik zal echter zo'n geklets niet verhoren en zal altijd tegen de "Heer, Heer" - zeggenden spreken: "Ga weg van Mij; want Ik heb u nooit gekend!" U hebt een grote hoeveelheid lofprijzingen en litanieën gehad; maar waarom hebt u ook geen litanie gemaakt, waarin het helder zou klinken - niet: "Heer wij prijzen uw eer", maar: "Lieve, Heilige Vader, wij hebben u lief!"?

17. Men zal hier wel tegen inbrengen en zeggen: "God moet vereerd worden! Want dat is een edele vrucht van de ware vrees voor God, want wie God niet vreest, die is tot alle boze daden in staat".

18. Ik zeg echter: Hoewel godsvrucht beter is dan het verrichten van boze daden, toch zal uit een dergelijke godsvrucht voor nie­mand een eeuwig leven groeien, omdat een bevreesd gemoed al een gericht gemoed is.

19. Want wie het slechte alleen maar nalaat uit vrees voor Mij, die zal zeer op de proef gesteld worden; want uit de vrees voor Mij is geen menselijke geest in staat zalig te worden, en dan zal eerst de vrees van hem afgenomen moeten worden en dan kunnen we pas zien wat hij zonder vrees voor Mij zal doen.

20. Zo zij n er ook op aarde veel gevangenen in hun kerkers door de vrees voor straf binnen de wettelijke orde gebleven; worden ze echter na de straftijd op vrije voeten gesteld, dan zijn ze tien maal zo erg als tevoren.

21. Alle geesten uit de hel leven in de grootste vrees voor Mij; Mij ook alleen maar uit de verte te zien of Mijn naam te horen, is het verschrikkelijkste wat hen kan overkomen. Welke dwaas zal echter beweren, dat de geesten uit de hel daarom goed zijn, omdat ze zo bang voor Mij zijn?

22. Ik geef hier een voorbeeld: Stel, ergens op aarde leeft een heel goed mens, die zeer welgesteld is, maar toch de grootste lief­de, zachtmoedigheid en voorkomendheid bezit en die elk mens die tot hem komt - van welke stand of natie hij ook zijn mag, en of het een vriend of vijand is - altijd zeer liefderijk opneemt.

Vraag: Welk mens zou dan wel zo'n dwaas zijn, dat hij zo'n mens erger zou vrezen dan een scherprechter?

23. Welk mens echter is beter, liefderijker en zachtmoediger dan Ik ben? En toch wil men Mij liever vrezen, dan Mij met de grootste vertrouwelijkheid lief te hebben.

24. En toch zeg Ik: Degenen die Mij vrezen en eren schijnen goede redenen daarvoor te hebben; want ze weten dat hun hart helemaal geen liefde meer bezit. Daarom willen ze daarvoor in de plaats de vrees voor Mij stellen.

25. Maar het vergaat hen daarbij als de bruid, die haar zeer ge­trouwe bruidegom ontrouw is geworden en een hoer werd. Waar­om werd ze dat? Omdat zij aan de liefde voor haar bruidegom in haar hart tekort deed.

26. Als nu de bruidegom zal komen, zal hij dan de met bevende vrees vervulde bruid ook zo aanzien en aannemen, alsof ze hem met vlammend hart tegemoet was getreden? Zal hij niet eerder tot haar zeggen:

27. "Wat heb je? Zo heb ik je nog nooit gezien! Waarom beef je voor mij, ik had je toch boven alles lief? Waarlijk in deze toestand herken ik je niet! Wat heb ik je gedaan, datje bang voor mij bent? hoe heeft zo'n vrees je vroegere liefde kunnen verdringen? Hoe zal ik je nu gelukkig maken, nu je me niet liefhebt, maar vreest?!­ Dus moet ik uit liefde voor jou van je weggaan, opdat de vrees voor mij je hart niet langer kwelt!"

28. Kijk, in dit voorbeeld is het: "Ik ken u niet, u "Heer, Heer"­roepers" duidelijk uiteen gezet; en daarom wil Ik niet de eer van mensen als vrucht van de vrees, maar Ik wil de trouwe, kinderlijke liefde!

29. Streef daarnaar in uw hart, dan zal Ik u naderbij kunnen komen, wat Ik niet kan in uw verering en vrees! Wees door de liefde vrij geworden, maar niet door vrees gerichte daders van Mijn woord; daarin zult u het eeuwige leven vinden en ook Mij, uw Vader! Amen.

 

Hoofdstuk 28

 

"Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem"

(Joh. 6:66)

 

8 februari 1844 's avonds

 

   1. "Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem".

   2. Deze tekst past in elk opzicht op een haar precies, zoals u pleegt te zeggen, op ons onderwerp.

3. Waarom trokken dan velen van Mijn discipelen zich terug en wilden niet meer met Mij wandelen, terwijl Ik hen toch de leer van het tot zich nemen van Mijn vlees en bloed gaf? - De oor­zaak van dit verschijnsel lag ten eerste in de traagheid van Mijn discipelen, vervolgens echter ook direct in hun hoogmoed.

4. De traagheid bestond daaruit, dat ze zich niet zoveel moeite wilden geven om Mij tenminste te vragen, zoals Mijn broeders later wel deden, hoe men die leer moet verstaan.

5. En de hoogmoed was daarop dus het gevolg. Daar deze discipelen eerst te traag waren zich meer kennis te ver­werven, maar toch Mijn leerlingen waren, vonden ze het nu ver­velend dat Ik een leer verkondigde, die boven hun begrip uitging. Ze voelden zich daardoor tegenover het andere volk beschaamd, omdat zij Mij ook niet begrepen hadden. Zij wilden Mij nu echter vanwege deze hoogmoed ook niet om uitleg vragen tegenover het volk, om daardoor niet het stempel te krijgen als zouden zij Mij, als Mijn leerlingen, niet hebben begrepen.

6. Want gewoonlijk was het zo, dat na een belering van Mij aan Mijn discipelen door het volk werd gevraagd, hoe het een en an­der moest worden opgevat. Tijdens die verklaringen gaven Mijn discipelen gewoonlijk vaak nadere uitleg en hun eergevoel werd dan vaak gestreeld door de lof over hun verstandige verklaring van een of andere voor het volk wat moeilijk te begrijpen leer.

7. Ook bij deze gelegenheid werd er aan veel van deze discipe­len de betekenis van deze leer gevraagd, maar ze konden deze keer geen verklaring geven, omdat ze de leer zelf niet begrepen hadden; daarom redden ze zich deze keer op een andere manier uit de moeilijkheid. Ze beschuldigden Mij van een harde leer, die geen mens kon begrijpen. En daar hen dat niet tot eer strekte tegenover het volk, praatten ze liever smadelijk over Mij en ver­klaarden ze al Mijn vroegere uitspraken voor net zo onbegrijpe­lijk; ze geloofden niet meer in Mij en verlieten Mij.

8. Uit deze geheel getrouwe beschrijving uit de toenmalige tijd kan iedereen heel gemakkelijk begrijpen, dat de oorzaak van deze kwalijke gebeurtenis niets anders was dan eerst de traagheid en daarna hoogmoed van Mij n discipelen. De traagheid, omdat ze al­tijd om Mij heen waren en dachten dat ze evenveel begrepen als Ik - waarvoor zouden ze dan moeite doen om dieper in de geest van Mijn leer door te dringen? De hoogmoed echter kwam bij hen op, toen Ik hen op de proef stelde om te weten hoeveel ze begrepen en hen zo toonde, dat de discipel niet boven de meester staat.

9. En zie, deze twee hoofdoorzaken zijn de voornaamste steun­pilaren, waar de meeste verdorvenheid van het menselijk geslacht op rust. Want de mens is in de eerste plaats traag en doet vaak de hele dag niets. Als hem dan echter gevraagd wordt: "Waarom doe je de hele dag niets?", dan zal hij zeggen: "Niemand heeft mij aangesteld!"

10. En als Ik dan tot hem zeg: "Ga dan tenminste nu vanavond een uurtje werken en Ik zal je goed belonen", dan zal hij zeggen: "Heer, hoe kunt U mij de schande aandoen om mij te laten uit­lachen door degenen, die de hele dag hebben gewerkt? Als U mij iets wilt geven, schenk het mij dan liever, maar maak me niet als een luiaard voor de arbeiders kenbaar!"

11. Kijk, hier wil de trage eerst niet werken, en tenslotte schaamt hij zich om te werken voor de ogen van vlijtige mensen. Waarom dan? Omdat dat niet vleiend is voor zijn verborgen hoog­moed. Om zijn hoogmoed te bevredigen wil hij wel graag het­zelfde loon hebben als de vlijtige lieden; maar hij is eerst te traag om te werken en daarna te hoogmoedig.

    12. De Heer zal echter niet zo dom zijn om de traagheid en de hoogmoed gelijk te stellen met de vlijt en beide gelijk te belonen.

    13. Dat dit allemaal volkomen waar is, wil Ik u nog door een paar kleine voorbeelden laten zien.

14. We nemen bijvoorbeeld twee studenten: de één is van begin af aan vlijtig en de ander traag. De vlijtige zal tenslotte ook de vruchten van zijn ijver oogsten; maar met welk voorwendsel zal de trage komen en wat voor redenering zal hij ten gunste van zijn traagheid naar voren brengen? Hij zal zeggen:

15. "De vlijtige was een domme kerel en heeft niet ingezien, dat hij alleen maar onzin in zijn hersens propt; ik heb echter het ontzettend domme van die leerstellingen doorzien en vond het al dadelijk onwaardig, om mijn hoogstaand brein met zulke onzin vol te stoppen. En daar er niets anders werd aangeboden, vond ik mijn eerste kennis veel hoogstaander en beter dan al dit prul­werk dat ik zou moeten gaan leren!"

16. Kijk, hier komt duidelijk de hoogmoed uit de traagheid voort! Wie zich daar in de praktijk van overtuigen wil, die gaat maar eens vertrouwelijk praten met dergelijke individuen en hij zal dit allemaal van a tot z bevestigd zien.

17. Nemen we nu eens twee musici. De een heeft het door zijn ijver tot een grote kunstvaardigheid gebracht, zowel op praktisch als op theoretisch gebied, de ander echter, een zoon van de traag­heid, bleef tengevolge van de weinige moeite die hij zich getroost­te bij de onderste stumperige middelmaat steken. Vraag hem nu eens waarom hij het niet zo ver heeft gebracht als zijn mede­scholier. Hij zal dan zeggen:

18. "Omdat ik er niet, zoals die straatarme stakker, op aange­wezen was, want ik ben toch rijk. Waarom zou ik mijzelf dan pla­gen? Alleen zulke arme drommels hoeven maar zo ijverig te zijn en waarom is het eigenlijk zo belangrijk of je die muzikale prullen zelf kunt spelen of niet? Als men ze maar begrijpt, wat helemaal niet zo moeilijk is; die arme drommels moeten het maar spelen, want dan kunnen ze daarmee hun brood verdienen. Bovendien is die moeilijke muziek geschreven door arme drommels en het zou voor een rijk mens een schande zijn zich met die armzalige pro­dukten bezig te houden.

19. Kijk, hier is weer een uit het leven gegrepen voorbeeld en u kunt daardoor weer zien, om welke reden Mijn discipelen Mij verlieten. Laten we verder gaan!

20. Iemand aan wie wordt gevraagd waarom hij zich niet meer verdiept in de zuiver christelijke grondslagen van de godsdienst, zegt dit: "Ik begrijp deze dingen niet en heb me er ook nooit in verdiept en wel daarom, omdat ik het ten eerste voor kinderpraat houd, waar niet veel aan is, en ten tweede omdat men met derge­lijk religieus gepieker tenslotte hoogstens een dwaas kan worden". 21. Zie, bij deze mens was ten eerste de traagheid en dan zijn

daaruit voortkomende hoogmoed de reden, dat hij, evenals de discipelen, spreekt: "Wie kan zulk een leer voor waar aannemen en er rekening mee houden? Daarom is het beter om evenals deze discipelen de Heer in de steek te laten".

22. Een arme schooier zegt dat ook, als hem wordt gevraagd: "Waardoor ben je in zulke armoedige omstandigheden geraakt? Je had tot nog meer dan een ander de gelegenheid veel te sparen". En zijn verweer luidt: "Ik heb dat sparen voor mijn fijngevoelige natuur te bedelaarsachtig arm gevonden en het is nu een eer voor mij, dat ik in behoeftige omstandigheden verkeer".

23. Kijk, dat is weer een voorbeeld, waarbij een mens eerst traag is en zich niet in zoverre verloochenen kan, dat hij aan zijn aard afbreuk doet door zich daardoor een vermogen te verza­melen; tenslotte echter, als het hem duidelijk wordt dat hij niets bezit, dan wordt hij hoogmoedig en pocht nog bovendien over zijn armzalige toestand.

24. Ik geloof, dat we voorbeelden genoeg hebben om er duide­lijk uit te kunnen concluderen hoe Ik bij vele gelegenheden door Mijn discipelen verlaten werd als er staat: "Van nu af wordt het koninkrijk der hemelen met geweld ingenomen!"

25. Zo gaan ook veel trekkers een tocht maken in een hoog ge­bergte. Zolang het gemakkelijk gaat loopt iedereen flink mee; als echter de steile hellingen van het hooggebergte komen en dan geldt: "Van hieraf kost het inspanning en kracht om de berg te bestijgen, dan keren ze om en maar heel weinigen gelukt het de toppen van het hooggebergte te beklimmen.

26. Dezelfde betekenis ligt ook ten grondslag aan het volgende: Zolang de mens Mijn rijk aan zijn lessenaar zoekt, gaat alles goed; maar als gezegd wordt: "Het lezen is niet voldoende, alleen door ernaar te handelen verkrijgt men de kroon. Want het vlees is tot geen enkel nut. De letter doodt; slechts de geest is het, die levend maakt!", dan wordt de Heer ook meestal door Zijn discipelen ver­laten, zoals de tekst aangeeft.

27. Neem deze verklaring daadwerkelijk ter harte, dan zult u niet, zoals de discipelen, uw Heer verlaten! Amen.

 

Hoofdstuk 29

 

"En de duivelen smeekten Hem aldus: Zend ons in de varkens, opdat wij daarin gaan".

(Markus 5:12)

 

9 februari 1844 's avonds

 

1. "En de duivelen smeekten Hem aldus: Zend ons in de var­kens, opdat wij daarin gaan".

2. Ik heb u al eens gezegd, dat de diepste en meest verborgen geheimen van Mijn leven op aarde te vinden zijn in Mijn daden. Want de woorden heb Ik zo gesteld dat iedereen ze kan begrijpen; maar dat is niet het geval met Mijn daden. Die werden zelfs door Mijn broeders niet begrepen, voordat de Heilige Geest over hen kwam; en als zij ze begrepen, werd het hen ook in de geest gezegd dat ze aan niemand de diepe zin van de daden moesten bekend maken, omdat de wereld ze niet kan en wil begrijpen.

3. En zo is het in dit geval ook gesteld! Zou Ik u haar diepste betekenis geheel duidelijk maken, dan zou men driemaal de oppervlakte van de aarde nodig hebben om alleen maar de inlei­ding op te schrijven. Voor de uitleg van de belangrijkste betekenis van dit feit zou echter een heel zonnegebied te weinig ruimte bie­den om alle boeken te bergen die daarover zouden kunnen worden geschreven. Daaruit kunt u toch wel begrijpen wat zo'n feit allemaal in moet houden.

4. Maar als van een woord al wordt gezegd dat het is als een zaadkorrel, die in de aarde wordt gezaaid en veel vruchten voort­brengt, wat kan er dan wel van een werkelijke daad van God wor­den gezegd? Want er bestaat een verschil tussen het "God sprak: Er zij!", en het dan daaropvolgende: "En er werd!"

5. Opdat u zich echter toch van de grootte van zulk een daad enig begrip kunt vormen, wil Ik u in het kort iets daarover ver­tellen.

6. Waarom vraagt de Heer hier aan de demon hoe hij heet, terwijl het aan de Alwetende toch zeker bekend was, dat in deze bezetene niet slechts één, maar een heel legioen boze demonen aanwezig was. De Heer vroeg dat toch zeker niet, omdat hij de naam van die boze geesten wilde leren kennen; maar waarom vroeg Hij er dan naar?

7. Hij vroeg het om deze demon aan te kondigen wie Hij is; want uit een vraag herkent men beter de aard van een wezen dan uit een antwoord. Vraag iets aan een dwaas en hij kan je een ant­woord geven waar je verbaasd van staat. Vraagt de dwaas echter iets aan jou, dan zul je hem dadelijk aan zijn vraag herkennen. De enige manier om iemand op geestelijk gebied te leren kennen is door een vraag en daarom vroeg de Heer hier ook niet om een antwoord te krijgen, maar om op deze geestelijke manier de demo­nen te kennen te geven wie Hij is.

8. Dergelijke situaties kent u ook wel en u hebt die ook reeds bij de zogenaamde somnambules kunnen waarnemen. Want als men een somnambule iets vraagt dan heeft dat niet de bedoeling iets uit het leven van de somnambule te ervaren, maar uw vraag heeft het karakter van een zich openstellen voor die somnambule, waardoor zij uw innerlijk bekijkt, u herkent en het in u gevonden ontbrekende door haar levenskracht aanvult.

9. Deze manier van vragen houdt weliswaar het midden tussen een zuiver wereldlijke en een zuiver geestelijke vraag: ze heeft echter toch voor de diepere denker reeds een geestelijk karakter.

10. Dus betekent de vraag van de Heer aan de demon eigenlijk hetzelfde alsof Hij zou hebben gezegd: Kijk, Ik geef me bloot, in Mij is geen boosheid te vinden.

11. En de demonen zien deze heilige naaktheid en herkennen aanstonds de Heer der eeuwigheid, en als ze dan zeggen: "Wij zijn velen" - geven ze daarmee niet nauwkeurig hun aantal aan, maar ze geven daardoor alleen maar op geestelijke manier te ken­nen dat voor het aangezicht van de hoogste zuiverheid van God hun boosheid in overgrote mate aanwezig is.

12. De zuiverheid van de Heer dwingt hen echter daarvoor te wijken. Maar temidden van de goddelijke reinheid zien de bozen ook de goddelijke erbarming en zij wenden zich tot haar. Ze nemen op dit ogenblik hun toevlucht tot de deemoed en verlangen om volgens hun slechte karakters in de varkens gezonden te wor­den; en de erbarming van de Heer staat hun dat toe, wat ze van­uit die deemoed vragen.

13. Als ze echter in de varkens gaan, ontwaakt weer hun voor de Heer verborgen hoogmoed en ze drijven de varkens in zee, opdat deze te gronde zullen gaan en zij, namelijk de demonen, zich daarop vrij als monsters in de zee kunnen bewegen.

14. Zo ziet dit beeld er uit. Wie is nu die bezeten mens? Deze bezeten mens is gewoonweg de wereld. De wereld wil vrij worden van haar geheime kwelling; en de Heer maakt de wereld vrij. Maar haar innerlijk boze werkzaamheid is in haar vrije toestand erger dan in haar gebonden toestand.

16. Als ze gebonden is, klaagt ze over druk en kwelling; als Ik haar echter vrij maak, dan vliegt haar activiteit in de varkens en stort zich vanzelf in de zee des verderfs en de iets rijkere mensen van de wereld proberen bovendien ook nog Mij van zich af te stoten, omdat Ik hen niet beval vanwege hun wereldindustrie. Want deze Gadarenen* (* Gadarenen: bewoners van Gadara, een stad die vermoedelijk aan het meer van Galilea lag.) beduiden degenen die de wereld dragen of duidelijker gezegd: ze zijn de eigenlijke industriëlen.

17. De demonen echter die in de varkens varen, zijn de mode­gekken, gastronomen, wellustelingen, bedriegers en allerleilistige mensen en intriganten. Wilt u allerlei soort zich in zee stortende varkens zien in deze wereld, ga dan naar de grote wereldsteden; daar zult u hen in groten getale aantreffen en ze zijn een levens­getrouwe weergave van die uit het evangelie. Zij zijn ook met vele legioenen; ze zijn allemaal door de meest onzuivere demonen be­zeten en die drijven hen ook in de zee van het zekere verderf.

18. Kijk, dat is in deze evangelische daad van de Heer hetgeen je moet erkennen en voor jezelf kunt gebruiken. Dat echter hier­achter een zich eindeloos ver uitstrekkende, nog veel diepere be­tekenis voorhanden is, hoeft niet voor de tweede keer te worden aangetoond; want ten eerste zou u die nooit begrijpen en ten tweede zou hij u geen nut maar alleen schade toebrengen.

19. Laat dit daarom genoeg zijn; want de oneindigheid is te groot, het aantal schepselen in haar oneindig en haar beschikking is voor u volkomen onverklaarbaar. Dus kunt u ook onmogelijk bevatten hoe deze bezetene de hele materiële schepping voorstelt en haar bewoners de oude gevangenen zijn. Deze bezetene rust in de graven en is uitermate boos; kijk eens naar het eindeloze aantal graven in de oneindigheid!

20. Maar genoeg hierover! Voor u op deze aarde is het nog geen tijd om dit in de diepste betekenis te kunnen begrijpen. Neem dus nota van het eerste; dat zal u van nut zijn! Amen.

 

Hoofdstuk 30

 

"En Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; u echter, blijft in de stad, totdat u wordt bekleed met de kracht uit de hoogte"

(Lucas 24:49)

 

12 februari 1844 's avonds

 

1. "En Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit de hoogte".

2. Dit vers geeft in zijn letterlijke betekenis al duidelijk te ken­nen, wat het innerlijk bevat en lijkt in dit opzicht op een vriende­lijk mens, die om zo te zeggen zijn hart op zijn hand aan zijn vrienden aanbiedt; waardoor ook niet iemand hem gemakkelijk miskent en iedereen al op het eerste ogenblik kan raden, wat deze vriendelijke man in zijn schild voert.

3. Met deze tekst is precies hetzelfde het geval. Want als de Zoon ten hemel vaart, dan komt de belofte van de Vader in volheid tot diegenen, die met de ware hoop vanuit de liefde, met ongeduld op deze belofte wachten.

4. Wat betekent echter de hemelvaart van de Zoon, opdat daardoor de wachtenden en de getuigen de belofte van de Vader zullen ontvangen? - U weet wat men onder 'Zoon' moet verstaan, namelijk de wijsheid van de Vader. De zoon komt dus in elk mens overeen met dat, wat in ieder mens tot de wijsheid behoort. Tot de wijsheid behoren het verstand, de rede, allerlei soort wetenschap en kennis.

5. Wat tot de wijsheid behoort moet echter tegelijkertijd ook in elk mens die verdeemoediging doormaken, als het ware een krui­siging, en moet dan als gedood in een nieuw graf in het hart wor­den gelegd, daaruit dan weer opstaan en dan, terwijl hij zich geheel aan de Vader geeft en opoffert, omhoog stijgen om één te worden met de Vader.

6. Is dat gebeurd, dan pas openbaart zich in het leven van de mens de belofte van de Vader, die het eeuwige leven is. Dat noe­men we de wedergeboorte.

7. Maar op deze wedergeboorte volgt niet tegelijkertijd de doop met de geest van de kracht, zoals ook niemand dadelijk na de ge­boorte een kind moet dopen, maar tenminste pas een paar dagen later, - zoals dat bij de Joden ook op zijn vroegst na de achtste, tiende of twaalfde dag gebruikelijk was. Vaak ook volgde de besnij­denisdoop veel later, en zo wordt ook hier tot de apostelen en discipelen gezegd, dat ze na Mijn hemelvaart een tijdlang in de stad samen zullen blijven, totdat de kracht uit de hoogte over hen zal worden uitgestort.

8. Deze toestand moet ook elk mens in acht nemen en hij moet ook niet eerder naar buiten treden, voordat hij de geestesdoop heeft ontvangen! Want zonder deze lijkt de wedergeboren geest op een zwak kind, dat wel in elk opzicht rein is als een engel, maar gebrek heeft aan de werkzame kracht en aan het daarvoor noodzakelijke vrije oordeel.

9. U weet dat de nederdaling van de kracht uit de hoogte over de discipelen en apostelen op de tiende dag na de hemelvaart is gevolgd. Wat wil dat zeggen? Dat betekent en bewijst de volko­men onderwerping van de Mozaïsche tien geboden aan het vrij geworden leven van de geest. Want de geest moet immers van tevoren van alle banden en ketenen worden vrijgemaakt, voordat hij het gewaad der goddelijke kracht uit de hoogte kan aantrekken.

10. Wanneer dat aan hem is voltrokken, dan is hij een geheel nieuwe creatuur uit de geest der liefde en alle kracht uit haar en kan dan pas werkzaam zijn in de volle kracht van de goddelijke liefde en erbarming. Want pas door zulk een doop met de Heilige Geest uit de hoogte wordt de mens verlost van alle doodsbanden en wordt één met en in Christus en kan dan ook zeggen: "Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij! Niet meer ik ben nu mijn Ik, maar Christus Zelf is het Ik in mij!"

11. Daarom moet ook van tevoren - wat al eerder werd aange­toond - al het met de Zoon overeenkomstige in de mens de weg van de mensenzoon gaan, en voor iedereen geldt onherroepelijk: "Neem uw kruis op en volg Mij na anders kunt u niet tot opstan­ding en tot hemelvaart naar de Vader komen!"

12. En hier past voor onze zaak alles op een haar, namelijk dat geen mens door de veelzijdige ontwikkeling van zijn verstand met behulp van welvoorziene bibliotheken en hoogdravende univer­siteitsprofessoren tot wedergeboorte en tot doop met de Heilige Geest kan komen, maar alleen door de deemoed en grote liefde van zijn hart.

13. Hij moet alles, wat hij van de wereld heeft, tot op de laatste penning aan de wereld teruggeven, dus ook de hoogmoedig ma­kende wetenschappen van zijn hoofd, anders zal het er met de wedergeboorte en de krachtige doop van zijn geest heel erg benard uitzien.

14. Geloof maar niet, dat iemand, ook al heeft hij zijn hele ver­mogen aan de armen gegeven, daardoor al dadelijk het hemelrijk zal binnengaan, ook al zou hij in zichzelf denken en zeggen: "Heer! Weest U net zo barmhartig tegenover mij, als ik het was!" Wie zo spreekt, die mist nog behoorlijk veel van het Godsrijk; want dan zijn Christus en hij nog niet één, maar duidelijk twee, waarbij de een de ander in zekere zin redelijke voorwaarden stelt.

15. Onder u mensen ben Ik altijd de armste, of duidelijker ge­zegd: bij elk mens is de eigenlijke levenskracht van zijn hart het allerarmst en het meest behoeftig. Deze moet eerst nog behoorlijk rijk begiftigd worden, als een andere gave naar buiten enige waar­de wil hebben; of uw hart moet geheel levend worden uit liefde tot Mij. Ik Zelf moet uw hele liefde uitmaken; dan pas kunt u van­uit deze liefde waarlijk verdienstelijk werken voor het eeuwige leven en wel daarom, omdat het verdienstelijke alleen Mij toe­komt. U echter blijft louter slechts consumenten van Mijn liefde, genade en erbarming.

16. Want zolang nog iemand zegt: "Ik ben bezig geweest en ik heb gegeven!", dan is hij nog verre van degene die zegt: "Ik ben al­tijd een luie en nutteloze slaaf geweest!" en hij is daarom nog ver van Mijn rijk verwijderd. Slechts als hij het zichzelf levendig be­kent en zegt: "Heer, mijn God en Vader! Ik ben in alles niets, zoals ook alle mensen voor U niets zijn, maar U alleen bent Alles in Allen!" dan is hij Mijn rijk nabij en Mijn rijk is dichtbij hem gekomen.

17. Sla dus evenzo acht op alles, wat u wordt gezegd, dan zult u ook, met de kracht van Mijn geest tot hemelvaart en doop gera­ken; want ook naar u wordt zoëven de belofte van de Vader ge­zonden. Amen.

 

Hoofdstuk 31

 

"En hij (Zacheüs) liep snel vooruit en klom in een moerbeivijgenboom om Hem te zien; want Hij zou daar langs komen".

(Lucas 19:4)

 

14 februari 1844 's avonds

 

1. "En hij (Zacheüs) liep snel vooruit en klom in een moerbeivijgenboom om Hem te zien; want Hij zou daar langs komen".

2. Dit vers geeft slechts de vermelding van een feit weer en u kunt tengevolge van een voorafgaande lering menen, dat hierin ook een nooit geheel te bevatten diepe betekenis verborgen ligt; maar dat is hier niet het geval en wel daarom, omdat deze hande­ling niet door de Heer maar slechts door een mens wordt uitge­voerd. Toch heeft deze schijnbaar onbeduidende scène een inner­lijke geestelijke waarde en wordt daarom in het evangelie ver­meld, omdat er een goed te gebruiken les voor elk mens in besloten ligt.

3. Hier zou menige wijsgeer zeggen: "Wat kan er nu achter deze zeer gewone alledaagse gebeurtenis steken? Wat wist Zacheüs meer van Christus dan wat wij tegenwoordig misschien weten van een zogenaamde duizendkunstenaar?"

4. Als we echter van te voren in een plaats horen, dat zo'n wereldberoemde duizendkunstenaar voorbij zal komen, dan zal iedereen zich op straten en pleinen begeven en zal verlangend naar de intocht van deze wonderman uitzien. Staan er nu door een gelukkig toeval gemakkelijk te beklimmen bomen langs die weg, dan zullen die zeker door jongens en soms ook door nieuws­gierige oudere mensen in beslag worden genomen.

5. Wat voor betekenis ligt er achter dit verschijnsel? Zeker geen ander dan de voor de hand liggende, namelijk dat veel nieuwsgie­rige lieden die wonderman ook hebben willen zien.

6. De moraal die men hieruit zou kunnen trekken, zou hoog­stens kunnen luiden: "Luister eens, jongens en nieuwsgierige mensen en jullie die klein van stuk zijn, zodat je niet over de grote lummels heen kunt kijken! Zorg bij zulke gelegenheden dat je bij­tijds een boom bemachtigt, opdat je in zulke gevallen je kijklust bevredigen kunt, zonder er rekening mee te houden of door het in acht nemen van deze moraal ook veel bomen beschadigd wor­den!"

7. Hier hadden we een uitleg, zoals de wereld die geeft. Ik gaf hem daarom van tevoren, om het de wereld gemakkelijker te ma­ken, later, bij de beoordeling van Mijn voor hen onbegrijpelijke exegesen, deze zonder moeite of bezwaar belachelijk te kunnen maken.

8. We willen nu echter eens zien, wat voor een heel andere be­tekenis en moraal achter deze eenvoudige tekst steekt. We zullen deze uitleg zo zonderling mogelijk beginnen, en willen met het praktische deel aanvangen en het theoretische er dan achteraan, als het ware uit zichzelf, laten volgen.

9. En zo zeg Ik: de hele wereld is vol Zacheüssen en u bent het niet minder! Doe daarom wat hij deed, en Ik zal dan ook tegen u zeggen en doen wat Ik tegen Zacheüs zei en later ook deed.

De weg die Ik gewoonlijk met de Mijnen ga, is u bekend; u bent evenals Zacheüs zondige wereldse tollenaars.

10. Maar wat deed Zacheüs om Mij op die weg te zien? Hij was klein van stuk; hij liep vooruit en klom in een moerbeivijgenboom, dat wil zoveel zeggen als: de zondige mens erkende dat hij tegen­over Mij geen waarde had, dus was hij vol deemoed en geleek of gelijkt op de tollenaar in de tempel, die zijn ogen zelfs niet naar de hemel durfde opheffen.

11. Maar de deemoed is het voornaamste voedsel der liefde. Door haar wordt de liefde machtiger en krachtiger voor Hem, tegenover wie ze haar grote onwaardigheid voelt. En hoe onwaar­diger ze zich voelt, des te groter wordt de aantrekkingskracht tot Hem, omdat haar achting in die mate groeit, als waarmee ze in haar eigen waarde daalt. Zulke liefde denkt dan alleen maar aan Degene, die ze als haar hoogste goed, het hoogste acht.

12. In dit bezig zijn met het hooggeachte voorwerp van zijn liefde, ontstaat een steeds sterker wordend licht waarin de mens denkt en denkt en zoekt en zoekt, hoe hij het meest vereerde voorwerp van zijn beschouwing naderbij kan komen. En dit den­ken en denken en zoeken en zoeken is gelijk aan het vooruit­snellen van Zacheüs.

13. Hij is op de juiste weg; maar hij weet ook, dat de Heer het meest innerlijke van alle dingen is en dus in dit grote gedrang op deze weliswaar rechte weg, toch niet te ontdekken zal zijn. Maar de begeerte om de Heer te zien is machtiger dan die tegenwerping en machtiger dan dit hinderlijke gedrang en vordert van de mens alle kracht, zich zo hoog mogelijk te verheffen en zo'n punt te bereiken, waarvandaan men over het gedrang heen en toch temid­den van het gedrang, de Heer kan zien.

14. Een boom wordt uitgekozen en beklommen: een moerbeivijgenboom; gelijk aan de boom der kennis in welks bladeren de fijn glanzende stof voor de koningsklederen is verborgen. Dus door hogere kennis en door het licht van het geloof wil de mens de Heer zien; daarom snelt hij vooruit en klimt in de symbolische boom der kennis, die weliswaar een zoete vrucht heeft, maar nochtans niemand verzadigt. Het lijkt wel of hij verzadigt, maar na zo'n schijnbare verzadiging volgt gewoonlijk meer honger dan men van tevoren had.

15. Zo ligt ook de verhouding tot de hogere kennis op de weg van het verstandelijk onderzoeken. Deze kennis schijnt in het be­gin de geest ook verrassend te verzadigen, maar al gauw zegt zijn hongerig begerende maag: "Die paar zoete trosjes hebben me al­leen maar slaperig gemaakt, maar niet verzadigd: ik had wel even een gevoel verzadigd te zijn, maar was het toch niet.

16. Kijk, dat is een duidelijk beeld van wat de moerbeivijgenboom betekent, waar Zacheüs wel met de allerbeste bedoelingen in­klom; het zou voor alle zulke geleerde tollenaars en zondaren goed zijn, als ze met dezelfde bedoeling als Zacheüs in de boom der kennis aan de weg des Heren klommen. Ze zouden het­zelfde bereiken, wat ook Zacheüs bereikt heeft.

17. Maar helaas wordt de boom der kennis maar hoogst zelden beklommen op de manier waarop Zacheüs het deed, en zo veel Zacheüssen klimmen ook wel met een wat beter doel in de boom der kennis, maar gewoonlijk in één die niet langs de weg van de Heer staat.

18. Tot hier was alles duidelijk; nu is de vraag: is het voor het eeuwige leven voldoende, als men met de beste bedoelingen doet zoals Zacheüs?

19. Deze vraag wordt beantwoord op die plaats in het evangelie, waar de Heer tegen de in de boom uitkijkende Zacheüs zegt: "Kom naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huisverblijven!"

20. Dat wil zoveel zeggen als: "Zacheüs! Bevrijd je van je hoge bespiegelingen over Mij en daal af in de kamer van je liefde voor Mij: in dit huis van jou is eten voor Mij; daar zal Ik verblijven en Ik zal in je huis eten!"

21. En nog duidelijker gesproken wil dat zoveel zeggen als: "Zacheüs, daal af in je eerste deemoed en liefde; dan zal Ik Mijn intrek bij je nemen en Mij verkwikken met de vrucht van je hart".

22. Kijk, dat is het praktisch theoretische van deze tekst en in het kort is de moraal: "Kijk naar je broeder Zacheüs en volg zijn voorbeeld, dan zal het ook jou vergaan zoals het Zacheüs ver­ging!"

23. Ik denk, dat elke verdere theorie hier volkomen overbodig zal zijn, want wat werd gezegd is zonder meer zeer duidelijk. Wie het zal lezen en in acht nemen, zal ongetwijfeld het aandeel van Zacheüs ten deel vallen, en Ik zal hetzelfde tegen hem zeggen, wat Ik tegen Zacheüs heb gezegd.

24. U moet dat allen zeer goed ter harte nemen! Amen.

 

Hoofdstuk 32

 

"Toen nu Jezus Zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot Zijn moeder: "Vrouw, zie, uw zoon". Daarna zei Hij tot de discipel: "Zie, uw moeder". En van dat uur af nam de discipel haar in zijn huis".

(Joh. 19:26 - 27)

 

16 februari 1844 's avonds

 

1. "Toen nu Jezus Zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot Zijn moeder: Vrouw, zie uw zoon. Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn huis".

2. Het is bij u op de wereld ook gebruikelijk dat als iemand zijn dood voor ogen ziet, hij voor degenen die achterblijven een laat­ste wilsbeschikking treft, die bij u testament wordt genoemd. Zo was het ook in Mijn geval noodzakelijk dat Ik voor Mijn nabe­staanden een laatste wilsbeschikking treffen zou. Maria, de moe­der van Mijn lichaam, was zulk een nabestaande en ze moest toch voor de haar nog overblijvende levensdagen op aarde de nodige verzorging hebben.

3. Er zou wel iemand kunnen vragen: heeft Jozef dan helemaal niets nagelaten? Hij had zelf toch ook kinderen, van zichzelf en van vreemden, die hij had opgenomen; konden dezen dan niet voor Maria zorgen?

4. Het antwoord is: Jozef heeft in de eerste plaats nooit een eigendom bezeten en kon dat daarom ook niet nalaten. Zijn kin­deren, zowel zijn eigen als ook die hij opgenomen had, waren ten tweede zelf zeer arm en zijn Mij bijna allen nagevolgd; en daarbij was ook Johannes, die zich vaak in het huis van Jozef ophield en als het ware ook bij de familie hoorde. Want zijn vader was nog behoeftiger dan Jozef zelf en stuurde zijn zoon naar Jozef toe om het ambacht van hem te leren. Dat gebeurde dan ook en hij werd een handige timmerman en meubelmaker die ook het draaiwerk vaardig verrichtte. Bovendien had hij Maria en Mij en het hele gezin van Jozef zeer lief en Maria kon aan geen betere en meer vertrouwde handen worden toevertrouwd dan juist aan deze zoon van Zebedëus.

5. Zie, dat is nu het eenvoudige testament en dat is dus ook de geheel letterlijke betekenis van Mijn woorden aan het kruis.

6. Daar deze woorden niet slechts door de mens Jezus, maar ook door de Zoon van God of de eeuwige wijsheid van de Vader zijn gesproken, verbergt er zich zeker nog een veel diepere en hoogst goddelijk geestelijk hemelse betekenis achter, die u echter even zomin in zijn volle diepte zult kunnen begrijpen als zoveel andere beweegredenen voor daden van de Godmens.

7. Ik kan u daarom alleen aanduidingen daarover geven uit het gebied van de wijsheid. Maar vors daarin niet te veel; want u weet dat de dingen van de wijsheid nooit zo gemakkelijk te begrijpen zijn als de dingen die uit de zuivere liefde voortkomen, zoals de natuur u al laat zien.

8. U kunt daar wel de lichtende en glinsterende voorwerpen beetpakken en overal neerleggen en van alle kanten bekijken; kunt u dat echter ook doen met de vrije lichtstralen, die van de lichtende voorwerpen uitgaan?

9. Die stralen voeren de afbeeldingen van talloze dingen onver­valst met zich mee, waarvan onder andere de lichtbeelden een voldoende bewijs leveren. Vraag uzelf af, of u niettegenstaande alle moeite die u u met uw zintuigen geeft, in de vrije stralen zulke beelden kunt ontdekken. Dit moet u zeker ontkennend beant­woorden.

10. Daarom geldt ook de vroegere wenk dat u niet teveel moet speculeren over de zaken der wijsheid, want dan zult u nog min­der resultaat boeken dan bij het beschouwen van de beelden in de vrije lichtstralen.

11. U kunt weliswaar ook optische toestellen maken, waarbij de vrije lichtstraal wordt gedwongen het beeld dat hij vormt weer te geven, zodat u het kunt bekijken; hebt u echter ook een optisch instrument waardoor de beelden die gevormd worden door de stralen uit de diepte van het oerlicht kunnen worden afgedrukt?

12. Ja, u hebt wel een dergelijke geestelijk optische inrichting in u, maar die begint pas te werken als u van het wereldse lichtgeheel afstand hebt gedaan. De wereld moet eerst in volledige duisternis overgaan, voordat het licht van de geest zijn meegedragen beelden duidelijk in uw geest projecteert. Uw eigen dromen geven u daar­van een deugdelijk bewijs en de visioenen van degenen die in geestesvervoering geraken, of, zoals u het uitdrukt, van de somnambules, leveren een nog houdbaarder en duidelijker bewijs.

13. Deze inleiding was noodzakelijk en zo kunnen we tot de be­treffende aanduidingen over deze aan het kruis gesproken woor­den overgaan.

14. "Vrouw, zie uw zoon" en "Zoon, zie uw moeder" betekent in diepere zin zoveel als: "Gij wereld, zie de zoon des mensen, en Gij mensenzoon, zie de wereld en oordeel haar niet, maar bewijs haar liefde!"

15. Dieper gesproken: "Gij, goddelijke wijsheid, neig u naar uw eeuwige oergrond en Gij, eeuwige oergrond, zie uw stralende Zoon en neem Hem op om er één mee te worden".

16. En verder: "Gij Ene, die eens het allerheiligste droeg, kijk naar de dood van uw werken, en Gij gedode, gedenk als Gij op­staat diegene, die eens het allerheiligste droeg, namelijk het licht van de eeuwige liefde!"

17. Zie, in deze korte aanduidingen ligt de oneindige diepte, die geen geschapen wezen ooit zal kunnen begrijpen, omdat de inhoud van deze diepte alleen al oneindig is en bovendien elk ogenblik nog oneindiger wordt.

18. Ik heb u daarom zoveel hierover gezegd, opdat u daaruit zou zien dat Degene die deze woorden vanaf het kruis heeft gesproken meer was dan, volgens veIer mening, alleen maar een eenvoudige Israëlitische delinquent, die onder het scherpgericht van Rome stond, omdat Hij als een opruier van het volk en een rebel tegen Rome was aangeklaagd.

19. Dit is dus de diepere geestelijke betekenis. U zelf moet u echter bij het natuurlijke testament houden. Want ook u bent Mijn leerlingen en de armen der wereld zijn Mijn moeder. En zo zeg Ik ook tegen deze moeder: "Zie, uw zoons". En tegen u zeg Ik: "Zie, uw moeder!"

20. Waarlijk, als u dan zult handelen als Johannes, dan zult u zijn loon ook hebben, eeuwig! Amen.

 

Hoofdstuk 33

 

"Zie er komt een uur en het is gekomen, dat u verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader met Mij is".

(Joh. 16:32)

 

19 februari 1844 's avonds

 

1. "Zie, er komt een uur en het is gekomen, dat u verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader met Mij is".

2. Deze tekst geeft te kennen, wat ook u algemeen bekend is en reeds na Mijn hemelvaart aanwezig was. Deze tekst is dan ook één van de gemakkelijkste, omdat zijn betekenis voor het grijpen ligt.

3. Alleen moet hier worden opgemerkt, dat er een groot onder­scheid bestaat tussen hetgeen soms wordt gezegd: "De tijd komt. . " of, als wordt gezegd "Het uur komt. . . " Onder de 'tijd' wordt een later komende tijdsruimte verstaan, die op een onbe­kend tijdstip zal aanbreken. Onder het 'uur' echter wordt een da­delijk na het gezegde intredende tijdsduur aangeduid.

4. Soms kan men in deze tekst het woord 'tijd' in plaats van 'uur' aantreffen. Maar dan is het verkeerd; want het moet zijn "Het uur komt. . ." en wel daarom, omdat dadelijk na het profetische woord het ook bewaarheid werd.

5. Wat moeten we dan onder dit verstrooien verstaan? Mis­schien het persoonlijk uiteengaan van Mijn leerlingen en aposte­len en dan ieder naar een andere streek? O neen! Dat was immers hun bestemming en daartoe heb Ik ze ook geroepen, opdat ze zou­den uitgaan naar alle landen en daar voor alle schepselen het evangelie prediken.

6. Zou het niet dwaas van Mijn zijn geweest om over hun roe­ping een euvele profetie uit te spreken? Dan zouden degenen die geroepen waren Mijn woord uit te dragen, om niets verkeerds te doen zich voortdurend in een groep hebben moeten ophouden, zoals in uw tijd zovele orden dat doen, die in hun bestaan net zo weinig nuttigs tot stand brengen als een hoop meteoorstenen op de bodem van de zee, die ook degene die ze in de zee neer ziet vallen doet vermoeden, dat ze een vreselijke uitwerking zullen hebben; maar als ze eenmaal de rustige zeebodem hebben bereikt, dan rusten ze daar werkeloos en dienen hoogstens wat vraat­zuchtige poliepen tot steun.

7. Dus van een persoonlijke en plaatselijke verstrooiing is bij deze voorspelling niets te vinden, wat men al in de tekst zelf kan lezen waar gezegd wordt: "Als u Mij alleen zult laten, ben Ik toch niet alleen, omdat de Vader met Mij is".

8. Oordeel nu zelf: kan iemand Mij persoonlijk en plaatselijk verlaten? Waarheen zou hij wel moeten gaan om Mij meer nabij of verder van Mij af te zijn? Waar zal hij verder van Mij verwij­derd zijn, in Zuid-Amerika of Noord-Azië? Ik geloof dat dat voor Mij, die alom tegenwoordig is, wel niets zal uitmaken. Dus van een persoonlijke en plaatselijke verstrooiing is hier als reeds gezegd geen sprake.

9. Wat voor een verstrooiing wordt hier dan wel bedoeld? Kijk naar de sekten, die tegenwoordig overal bestaan en ook reeds tijdens Mijn leven onder de apostelen enigszins voorhanden waren - om welke reden Ik deze voorspelling ook heb gedaan. En als u let op de debatten tussen Mijn twee eerste apostelen, moet het u des te duidelijker worden welke verstrooiing Ik Mijn apostelen en leerlingen heb voorspeld, waarvan, zoals Ik in het begin al zei, de verklaring voor het grijpen ligt.

10. In weinige eeuwen na Mijn hemelvaart was de verstrooiing al zo groot, dat niemand meer precies wist wie wie was. Men moest enorme concilies beleggen, maar bleef na het concilie zoals tevoren verstrooid.

11. Hoe het er nu uitziet hoef ik u wel niet te tonen: waar je ook kijkt zul je de verstrooiing ontdekken.

12. Men zegt: Een ieder op zijn eigen plaats. Dat wil zoveel zeggen als: elke sekte houdt zich voor de beste en zuiverste. Ben Ik daarom echter alleen? O neen! De Vader, of de eerste liefde is immers in Mij.

13. Aan de liefde herken ik de Mijnen maar niet aan de sekte!

Die Mij liefheeft en Mijn woord houdt, die heeft de liefde van de Vader in zich, zoals Ik de Vader in Mij heb en die is één met Mij, zoals Ik één ben met de Vader! Daarom ben Ik niet alleen; want zoals de Vader in Mij is, zo ben Ik in een ieder en een ieder die Mij liefheeft en volgt is ook in Mij.

14. De sekte maakt dan geen verschil en degene die uit wereld­se overwegingen de ene sekte boven de andere voortrekt, zij ver­vloekt! Want in geen enkele sekte is waarheid en leven; alles be­rust op geloofsdwang en op overredingskracht, wat al geen haar beter is. Vraag: Waar blijft dan de vrije mens?

15. Wanneer heb Ik ooit iemand tot geloof gedwongen? Ik liet een ieder vrij. Wie aan Mijn werken en aan zijn eigen innerlijke overtuiging niet genoeg had, die werd door geen ander middel gedwongen. Want Ik heb Mijn leer niet voor het geloof, maar slechts voor de daad gegeven.

16. Ik heb niet gezegd: "Wie Mij zal geloven, uit diens lendenen zullen stromen van levend water vloeien", maar Ik heb gezegd: "Wie naar Mijn Woord zal handelen, die zal het ervaren, of Mijn leer van God of van de mensen is!"

17. Wat zou een oproep tot geloof ook voor nut hebben gehad? Want zoveel moest Ik toch vooruit kunnen zien, dat één en het­zelfde licht de voorwerpen die het beschijnt net zo verschillend belicht, als dat de voorwerpen zelf verschillen.

18. Zo is het ook met het licht van het geloof! Al naar gelang het een verschillend gekleurd menselijk gemoed beschijnt, zal het dat gemoed ook verlichten. Een eis, dat één en hetzelfde licht door die duizenderlei gekleurde gemoederen volkomen wit zal teruggekaatst worden, is daarom toch zeker de grootste dwaas­heid.

19. De uitwerking van het licht moet wel verschillend zijn; maar de werking van de liefde blijft dezelfde, net zoals de warmte slechts één werking heeft, namelijk zo: ze verwarmt het rood op dezelfde manier als het blauwen alles kan gloeiend worden ge­maakt en de kleur van de ware levende liefdesgloed is eeuwig één en dezelfde en een gloeiend stuk goud onderscheidt zich niet van een gloeiend stuk ijzer.

20. Zie dat is de betekenis van deze tekst! Verstrooi u daarom niet, maar blijf in de liefde, dan zult u leven! Amen.

 

Hoofdstuk 34

 

"Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien". (Joh. 7:38)

 

            21 februari 1844 ’s avonds

 

1. "Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien".

2. Deze tekst is als een muizenval en is als een kuil gemaakt, waarin men leeuwen, panters en tijgers vangt; ook is hij als een hoeksteen, waarover velen 's nachts struikelen en zich geweldig bezeren. En Ik zeg: Wie zich daaraan stoot en valt, zal veel moeite hebben om weer op te staan.

3. Waarom? Ik gaf toch hier en daar het gebod van het geloof en predikte overal de liefde door daad en woord. Ik zei: "Als u geloof had, zou u bergen kunnen verzetten!"

4. Ik zei ook hetgeen de onderhavige tekst aangeeft; want Ik zei: "Zijt daders en niet alleen hoorders van Mijn Woord!"

5. En Ik zei ook, dat degenen die tot Mij "Heer, Heer!" zeggen, die dus aan de Zoon van God geloven, niet in het hemelrijk zul­len binnengaan, maar alleen degenen die de wil van Mijn Vader doen!

6. En Ik zei ook: Wie Mij echter liefheeft, tot die zal Ik komen in alle volheid en Ik zal hem Mij Zelf openbaren!"

7. En Ik zei ook: "Een nieuw gebod geef Ik u: dat u elkaar lief­hebt, zoals Ik u heb liefgehad, dat ook u elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten dat u Mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt".

8. Nu vraag Ik: Wat moet de mens dan doen? Zal hij aan de ene kant alleen maar genoegen nemen met het geloof dat hem als zo­danig is aangeraden, of zal hij zich alleen maar aan de liefde hou­den, die hij zich eigen heeft gemaakt door te handelen naar Mijn woorden en alleen datgene geloven wat de liefde tot Mij hem geeft?

9. Want de werkzaamheid der liefde heb Ik Zelf als het enig gel­dende criterium aangevoerd, waardoor men kan beoordelen of Mijn leer menselijk of goddelijk is; want Ik zei het immers: "Wie naar Mijn woorden handelt, die zal erkennen of Mijn leer van de mensen of van God is!"

10. Hoe komt het dan dat hier staat: "Wie in Mij gelooft, stro­men van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien!"? Het levende water betekent immers ook de levende wijsheid uit de hemelen, die toch ook als een zeker criterium voor de goddelijk­heid van Mijn woorden moet gelden.

11. En zo hebben we hier twee grondslagen die getoetst moeten worden, waarbij de één steeds zijn tegenstander vindt in de an­dere. Want onder het "Heer, Heer!"-zeggen wordt ook het vaste geloof in de mensenzoon verstaan - maar daar wordt gezegd dat met dit geloof het hemelrijk niet wordt verworven, - en in de voorliggende tekst worden door alleen maar te geloven stromen van levend water beloofd.

12. Nu is de vraag: Verkondigde Ik twee leren? Of was Ik iemand, die bij elke gelegenheid zijn jas naar de wind hing en bij een gelovig gezelschap over de enige waarde van het geloof ge­sproken zou hebben, en in een actieve gemeenschap predikte, dat het handelen alleen waarde heeft? Op deze manier moest Ik met Mijzelf wel in duidelijke tegenspraak staan.

13. De Farizeeën geloofden rotsvast in de voorschriften van Mozes uit wereldlijke en vroeger ook uit geestelijke overwegingen en toch werden ze door Mij vanwege hun ongeloof vaak op hard­handige wijze bestreden.

14. Waarom was Ik hier niet tevreden met hun eerste geloof en waarom viel Ik ze aan, dat ze niet aan Mij wilden geloven en wer­den ze door Mij kwaaddoeners genoemd, omdat ze letterlijk vol­gens de wet leefden en zich niet wilden richten naar Mijn leer?

15. Waarom liet ik de Farizeeër die de wet te allen tijde vervul­de ongerechtvaardigd en de met zonde beladen tollenaar gerecht­vaardigd de tempel verlaten?

16. Waarom respecteerde Ik eigenlijk de voorschriften van Mozes niet, en nam Ik de Sabbat niet in acht? Waarom ergerde Ik Zelf daardoor de Farizeeën en predikte toch: "Wee degene, die zijn naaste ergert!"?

17. Ja, Ik verkondigde zelfs een leer volgens welke een mens zich van een lichaamsdeel dat hem ergert moet ontdoen, want hij kan beter verminkt in het hemelrijk, dan recht van lijf en leden in de hel binnengaan. Hoe zit dit alles in elkaar? Hier vindt men allerlei tegenstrijdigheden; hoe moeten al deze tegenspraken tot overeenstemming worden gebracht?

18. Uit uzelf zou u uit dit labyrint zeker geen uitweg vinden; Ik zal echter, zoals de Macedonische held deed, de knoop door­hakken. Hoor dan!

19. Er is een verschil tussen dat wat Ik alleen maar zei en dat wat Ik heb aanbevolen. Er bestaat echter ook een onderscheid tussen zeggen en zeggen: het ene kan een ontkenning zijn en het andere een bevestiging. Een ontkenning komt overeen met het natuurlijke - een bevestiging met het geestelijke. In het natuur­lijke ligt geen gebod, maar in het geestelijke wel.

20. Daarom, als er gezegd wordt "Ik zei niet", dan betekent dat zoveel als "Ik heb het niet geboden"; en als gezegd wordt: "Ik zei het", dan betekent dat zoveel als: "Ik heb het geboden".

21. Als Ik over geloof sprak, dan verstond Ik daaronder altijd het levende, dus met liefde gepaard gaande geloof; maar een op zichzelf staand geloof verwierp Ik altijd.

22. Daarom zei Ik u ook onlangs: "Ik zei niet: Wie gelooft aan de mensenzoon, uit diens lendenen zullen stromen van levend water vloeien!" Dat betekent zoveel als: "Niemand zal door het geloof alleen tot het licht komen, maar alleen door de daad vol­gens Mijn woord!"

23. Als Ik echter hier zeg: "Wie in Mij gelooft, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien!", dan zeg Ik zoveel als: "Wie een levend, dus met liefde gepaard geloof heeft, die zal in de wijsheid van de hemel binnengevoerd worden"; en als u maar enigszins kunt denken, dan zult u gemakkelijk inzien, dat daarmee alleen de hemel van de laagste graad is beloofd.

24. Dat alleen maar op basis van geloof geen enkele graad in de hemel wordt beloofd, dat leert u uw eigen ervaring. Want u hebt immers ook van kindsbeen af in Mij geloofd; vraag echter u zelf eens af, hoeveel druppels van enig levend water daardoor uit uw binnenste zijn gevloeid. Hebt u het door uw veertig jaar oude geloof zo ver gebracht, dat u in uzelf de onsterfelijkheid van uw innerlijke wezen volkomen hebt gevonden vanwege één of andere druppel levend water?

25. Ik heb u nu al zoveel van het echte levende water doen toekomen en toch bent u in zoveel dingen nog niet in het reine over uw innerlijk voortbestaan na de dood van het lichaam. Maar Ik ben toch geen leugenaar; Ik heb om het geloof stromen van levend water beloofd. Waar zijn ze dan bij u, gelovigen?

26. Uit deze eigen ervaring kunt u toch genoegzaam afleiden, dat Ik als de eeuwige waarheid en wijsheid Zelf in deze tekst onmogelijk alleen maar het geloof op zich heb kunnen bedoelen, maar slechts het aan al Mijn leerlingen welbekende geloof, dat met de liefde tot God en de naasten gepaard gaat.

27. Want het geloof alleen kan evenmin wat nuttigs voor het eeuwige leven bewerken, als dat een echtgenoot met en uit zich­zelf kinderen vermag te verwekken. Hij moet een verbintenis aangaan met een echtgenote en kan pas in het vuur van zijn liefde kinderen met haar verwekken.

28. De kinderen zij n in de natuurlijke betekenis overeenkomstig de stromen van levend water uit de lendenen van het lichaam. Daarbij duiden het 'lichaam" * (*'In de Duitse Bijbelvertaling M.Luther staat in Joh. 7 :38 'lichaam' i.p.v. 'binnenste'.) of de 'lendenen' in deze tekst een materieel beeld aan van de liefdedaad zelf en de hele tekst luidt in onthulde toestand aldus: "Wie zich in zijn hart aan Mij houdt, diens werken zullen bevorderlijk zijn tot het eeuwige leven!"

29. Uit deze zeer duidelijke uitlegging volgt echter ook heel dui­delijk, dat Ik over het alleenstaande geloof altijd ontkennend, maar nooit bevestigend heb gesproken, want anders had Ik Mij­zelf ook schandelijk tegengesproken ten aanzien van de hele wereld.

30. Als dus ergens in Mijn woord sprake is van geloof, dan is dat altijd zo te beschouwen alsof je over een beurs spreekt. Wie zegt: "Ik heb hem mijn beurs gegeven", bedoelt daarmee vanzelf dat hij gevuld was; want met een lege beurs zal wel niemand gediend zijn. Van Mij n kant bezien is dat ook zo met het geloof. Ik bedoel daar­mee niet de lege, maar de met liefde gevulde.

31. Daarom zeg Ik nog eens: Ik zei niet: "Wie in Mij gelooft, zullen stromen van levend water uit zijn binnenste of lendenen vloeien!" - maar Ik zei: "Wie in Mij gelooft, zullen stromen van levend water uit zijn binnenste of lendenen vloeien!"

32. In het eerste geval van de ontkenning wordt slechts het lege geloof verstaan, dat ook maar niet het minste druppeltje levend water schenkt; in het tweede geval echter wordt het gevulde ge­loof bedoeld, waaruit dan zeker de stromen levend water zullen vloeien, en dat is het waarop Ik bevestigend zeg: "Wie de wil van Mijn Vader doet, die zal erkennen vanwaar de leer komt!"

33. De Vader echter is de liefde en die neemt geen genoegen met een luchtige schijn, maar alleen maar met het werkelijke zijn. Wat voor nut heeft het matte lantaarnschijnsel van alleen maar het geloof in de oneindige scheppingsruimte? Je kunt rondom af­tasten en overal heen kijken: slechts matte stralen komen je tege­moet en veraf zijn de dingen, waarvan je vanuit de verte niets dan die matte stralen ontvangt. Want de slapende heeft aan de droom wel genoeg. Zolang hij slaapt houdt hij hem voor werkelijkheid: maar als hij ontwaakt zoekt hij overal werkelijkheid en vastheid.

34. Wat gebeurt er echter als de mens zijn gehele aardse leven slaapt en de droombeelden voorwerkelijkheid aanziet? Wat zal er gebeuren als hij na het afleggen van zijn lichaam uit zulk een aards droomleven wakker wordt? Waar zal hij naar grijpen? Waaraan zal hij zich vasthouden? Van alle kanten zal hij door de nacht omringd zijn; waar zal hij het licht vandaan halen om die hem verwarrende nacht om zich heen te verlichten?

35. Daarom zeg Ik: degene die zich hier door allerlei twijfels gevangen genomen voelt is er beter aan toe dan hij die verklaart dat hij een wakkere geest heeft, maar zich nog in de nacht bevindt. Hij heeft de nietigheid van de droombeelden vroegtijdig ingezien en hij roept met groot verlangen de dag tot zich.

36. Maar de dromer weet niets van zijn eigen nacht: hij is een heer en doet wat hij wil, eet en drinkt en denkt dat alles werke­lijkheid is. Als hij echter zal ontwaken, dan bemerkt hij pas de grote leegte in zichzelf; maar helaas wel te laat. Want als het geloof, het gevulde namelijk, niet tijdens het aardse leven stromen van levend water uit de lendenen doet vloeien, hoe zal het dat later kunnen doen, als de lendenen afgevallen zijn?

37. Of als iemand geen geld in de daartoe bestemde beurs kan bewaren, hoe zal hij het dan verkrijgen als hij geen beurs en geen geld heeft? Of als iemand het leven niet kan behouden als hij het heeft met daarbij de daartoe behorende levensbuidels, hoe zal hij het dan verkrijgen als hij de buidels en het leven verliest?

38. Wie niet zijn kan als hij is - hoe zal hij dan zijn als hij niet is? Want aan ieder die heeft zal worden gegeven; en wie niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen.

39. Ik denk dat deze vrij omstandige verklaring wel duidelijk genoeg zal zijn. Streef daarom ook naar het gevulde geloof: want het lege is alleen maar een droom. Wilt u stromen van levend water uit uw lendenen zien vloeien, dan moet uw geloof door de werken der liefde levend worden! Amen.

 

Hoofdstuk 35

 

"Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen".

(Joh. 16:33)

 

23 februari 1844 's avonds

 

1. "Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen!"

2. Deze tekst behoort weer tot degene, die erg doorzichtig zijn, zodat iedereen de geestelijke betekenis op het eerste gezicht al letterlijk kan inzien. Ik zal u daarom de betekenis van deze tekst in weinig woorden verklaren en u zult in deze weinige woorden zijn volkomen ware, geestelijke betekenis herkennen. Luister dan!

3. Alles wat Ik u nu vertel is ook van dien aard, dat het u in elke levensomstandigheid de ware, innerlijke vrede van uw hart in de liefde tot Mij moet geven, als u hetgeen Ik zeg ook maar enigszins in daden omzet.

4. De wereld zou u wel van alle kanten willen verdrukken; maar ze kan het niet, omdat ze door Mij is overwonnen. Als u Mij in u hebt door uw liefde, dan hebt u ook de eeuwige overwinnaar van de wereld in u. Want de wereld heeft Mijn macht ervaren; daarom kan ze degene die waarlijk Mijn vrede in zijn hart bergt, geen haar krenken.

5. Zodra iemand zich echter uit deze vrede wil verheffen, en dan zelf aan de wereld de handschoen voor de strijd toewerpt, die heeft het dan alleen aan zichzelf te wijten, als hij door de wereld gevangen genomen en mishandeld wordt. Maar wie werkelijk in Mijn vrede blijft, die is voor eeuwig geborgen en geen wereldse inblazing kan hem ook maar een haar krenken.

6. Hier zullen wel velen zeggen: "O Heer! Zie, de apostelen en Uw discipelen en zoveel van de eerste Christenen en ook in latere tijd ijverige strijders voor het zuivere evangelie zijn tot marte­laars geworden, en de wereld heeft zich op dezen, die met Uw vrede vervuld waren, op schandelijke, gruwelijke wijze gewroken. Waarom, o Heer, heeft Uw vrede ze niet beschermd tegen de klauwen van de wereld? Want U hebt toch zelf voor Uw lijden erover gesproken, dat de overste van deze wereld is geoordeeld. Hoe kan deze geoordeelde dan de macht hebben om de wereld tot zulke afgrijselijke daden tegen Uw vrededragers op te zetten?"

7. Deze vraag is zeer dom en wie maar enigermate in de geschie­denis thuis is die zal duidelijk weten, dat alle martelaren, vanaf de apostelen tot in latere tijden, niet door één of andere dwang of door een door Mij toegestane beschikking, maar vrijwillig daar­om uit een heldhaftige liefde als martelaren zijn gestorven, omdat Ik, hun Meester, Zelf werd gekruisigd.

8. Ik zeg u: Elke martelaar had ook, zonder martelaar te wor­den, Mijn evangelie kunnen verbreiden. Maar deze verbreiders kenden Mij, ze hadden het eeuwige leven voor ogen en begeer­den daarom ook niet lang in de wereld te blijven; ze konden maar nauwelijks de tijd afwachten, waarop hen het vlees zou worden afgenomen, opdat ze daar zouden komen waar Ik hen was voor­gegaan

9. Maar Johannes had Mij het meeste lief; daarom schuwde hij de vervolgingen der wereld niet en wilde die liever tot op de laatste druppel verwerken, dan dat hij Mij van zijn aardse levens­tijd als het ware iets zou hebben afgebedeld. Hij was dus met Mijn ordening volkomen tevreden, terwijl vele anderen bedelaars waren en zich liever smadelijke lichamelijke martelingen wilden laten welgevallen, dan nog enkele jaren langer te werken voor Mijn rijk

10. Daar bij Mij echter iedereen kan krijgen waar hij ernstig en in vol geloof om vraagt, kon Ik bij Mijn eerste getuigen toch ook niet Mijn woord terugnemen, waar is gezegd: "Alles wat u zult bidden in Mijn naam, dat zal Ik u doen!"

11. Vanuit deze belichting blijkt duidelijk, dat Mijn woord geen bloedgetuigen nodig had; want Ik heb immers de Ene eeuwig geldige getuige, Mijn Heilige Geest Zelf aan al diegenen beloofd, die Mijn leer zullen aannemen en ernaar zullen leven. En deze getuige is de blijvende, terwijl het bloed van de eerste martelaren allang voor alle latere tijden zelfs geschiedkundig spoorloos is verdwenen.

12. Als deze Geest echter een eeuwige getuige is, waarom zou Ik dan de bloedgetuigenis van Mijn navolgers verlangen? Wie zelf een bloedgetuige wil worden, die moet het dan ook worden; laat niemand echter geloven dat hij Mij daarmee een dienst bewijst; maar ieder die dat doet, die doet dat voor zijn eigen en niet voor Mijn voordeel.

13. Het is zoals wanneer een vader tot zijn kinderen, die nog goede kleren hebben, zou zeggen: "Ik zal jullie prachtige nieuwe kleren geven, als jullie deze eerst hebben afgedragen!" Sommige kinderen laten zich door de hoop en voorliefde voor nieuwe kleren verleiden, en ontzien de oude kleren niet in het minst meer. Als deze dan weldra versleten zijn, dan geeft de vader hen wel de beloofde kleren; maar een paar van deze kinderen, die de vader meer liefhebben dan kleren, dragen wel zorg voor de oude kleren, om de vader niet voortijdig op onkosten te jagen.

14. Hoewel bij Mij van bepaalde onkosten geen sprake kan zijn, dan zijn er toch andere onkosten, namelijk rekening houden met het bewerkstelligen van iets dat onordelijk is. Want Ik heb elk mens vanuit Mijn ordening een bepaald levensdoel gesteld en dat bestaat niet uit het vuur of uit het zwaard: want de dood door vuur en zwaard is een gericht. Wie echter willekeurig en eigen­zinnig in welke ordening van Mij dan ook ingrijpt, die moet zich dan ook een klein gericht in zoverre laten welgevallen als hij in de door Mij gestelde orde heeft ingegrepen.

15. Daniël wilde niet sterven; daarom bleef hij behouden in de leeuwenkuil en met de jongelingen in de vuuroven ging het even­zo en er zijn nog meer dergelijke voorbeelden. En zie, hen allen werd geen haar gekrenkt en heel veel duizenden van degenen die Mij liefhebben werd ook geen haar gekrenkt, omdat ze de kracht van Mijn vrede ongestoord in hun hart bewaarden. Maar ieder die zich boven deze vrede wil verheffen, moet daarvoor ook de onvrede van de wereld ondervinden.

16. Men zal hier ook wel zeggen: "Als dat zo is, dan is het het beste om de wereld met al haar schandelijke bedrijven maar de wereld te laten, en iedereen die beter is moge geheel onbe­kommerd om de wereld in zijn vrede verder leven; en als allen dat doen, zal dan niet al gauw de ellende in dewereld hemelhoog opgestapeld liggen ?"

17. Goed, zeg Ik, reken maar terug! Sinds de tijd van de aposte­len zij n er toch zeker ontelbare ijveraars geweest, die als het ware met het vurige zwaard in de hand de wereld wilden verbeteren. Stromen van bloed werden vergoten. Vraag uzelf wat voorresul­taat dat had? Kijk dan om u heen in de wereld en die zal u van alle kanten het zonneklare antwoord geven.

18. Tot op uw tijd moet het grote aantal ijveraars toch zulk een herinnering achtergelaten hebben, dat tengevolge daarvan de hele wereld duidelijk een paradijs zou moeten zijn en toch is de wereld in deze tijd waarin u leeft tienmaal slechter dan ze in de tijd van Noach was!

19. Waarom zei David dan: "O Heer, wat zijn alle mensen als niets tegenover U, en alle hulp van mensen dient tot niets". ­David zei dat, omdat hij Mij kende; maar u spreekt anders, omdat u Mij niet zo kent, zoals David Mij gekend heeft.

20. Denkt u dan, dat Ik niet weet wat de wereld doet en dat Ik te onverschillig zou zijn, om de wereld wegens haar wandaden te tuchtigen? Ik zeg u: geloof toch anders en laat de leiding van de wereld aan Mij over!

21. Wie het zwaard trekt, komt door het zwaard om. Met open­lijk geweld zal niemand ooit wat uitrichten tegenover de wereld; want waar de wereld geweld ziet, daar beantwoordt ze dat weer met geweld en op deze manier brengt het ene volk voortdurend het andere om.

22. Wie de wereld echter wil bestrijden, die moet dit doen met geheime wapenen en deze wapenen zijn Mijn liefde en Mijn vrede in u! Iedereen moet echter eerst met deze wapenen de eigen wereld in zich overwinnen: dan pas zal hij deze wapenen al tijd met succes tegenover de buitenwereld kunnen gebruiken.

23. Waarlijk, wie niet innerlijk meester over de wereld is, die zal het uiterlijk des te minder worden. Ieder echter, die in zichzelf nog een vleugje 'vurige' ijver bespeurt, die is nog niet klaar met zijn eigen wereld, want deze ijver stamt nog van de geheime tweestrijd in de mens tussen Mijn vrede en de wereld.

24. Want de wereld is het, die ijvert en richt en vuur van de hemel roept en zich een masker opzet om op listige manier het te doen voorkomen of ze voor Mijn zaak strijdt; maar Mijn geest en ook Mijn vrede ijvert niet, maar werkt machtig in stilte en ge­heel onopgemerkt door de wereld en heeft geen ander uiterlijk schild dan de werken der liefde en het kleed van de deemoed. En vanwege de ware liefde en deemoed is volgens Mijn weten sinds Mij n Johannes nog nooit iemand door de wereld berecht.

25. Zie, daarin bestaat dus de ware innerlijke vrede en daarin ook die machtige overwinning op de wereld, die Ik Zelf heb be­vochten! Sla daarom acht op deze uitlegging, dan zult u de wereld binnenin u en ook elke andere altijd en eeuwig overwinnen door Mijn naam en door Mijn vrede! Amen.

 

Hoofdstuk 36

 

"En nadat Hij het boek had opgerold en aan de dienaar teruggegeven, ging Hij zitten, en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht".

(Lucas 4:20)

 

26 februari 1844 's avonds

 

1. "En nadat Hij het boek had opgerold en aan de dienaar teruggegeven, ging Hij zitten, en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht".

2. Mijn beste mensen! In deze tekst wordt alleen maar een na­tuurlijke handeling uitgebeeld, die noodzakelijkerwijs op de voorafgaande handeling van het voorlezen uit de profeet Jesaja moest volgen. Daar echter elke daad van de Heer een innerlijke en allerinnerlijkste oorzaak heeft, ligt ook achter deze hoogst natuurlijk schijnende beweging een zodanige oorzaak verborgen, en in deze oorzaak moet ook weer een onbedrieglijk kenteken liggen, waardoor de volle goddelijkheid van Christus en dus ook van al Zijn handelingen voor altijd en eeuwig wordt kenbaar ge­maakt.

3. Dat dit juist is, willen we dadelijk door een kleine be­schouwing en een vergelijking van deze tekst met de gebeurtenis­sen die daarop volgden, allen zo duidelijk mogelijk voor ogen stellen. Luister dus.

4. Jezus las staande in een synagoge uit de profeten voor. - Wat betekent dat?

5. De 'synagoge' is de wereld. De Heer, die staande voorleest uit de Profeten duidt aan, dat Hij steeds met wakend oog en alle omstandigheden en geheimen overziende, Zijn woord niet ont­huld, maar verhuld in zijn natuurlijke zin aan de wereld geeft. Want de 'profeet' duidt het verborgene in het natuurlijke aan; en de Heer toont aan, dat al het verborgene nergens onthuld is aan te treffen en ook nergens anders vervuld is, dan alleen in Hemzelf.

6. Toen de Heer het boek had gelezen, rolde Hij het op en reik­te het aan de dienaar over. Hij echter ging zitten en aller ogen en oren waren op Hem gericht. - Wat betekent dit?

7. 'De Heer rolt het boek op' betekent dat Hij ook voor de toe­komende wereld de geestelijke betekenis van het Woord wegsluit. 'Dan geeft Hij het opgerolde boek aan de dienaar van de synagoge' wil zoveel zeggen als: Hij geeft de verborgen wijsheid aan diege­ne, die in zijn tempel, die voor de toekomst het menselijk hart is, werkt.

8. Daarop gaat de Heer zitten om te rusten en aller ogen en oren zijn op Hem gericht. Deze handeling is een voorbeeld voor en komt overeen met de toestand die sedert de hemelvaart tot op deze tijd bij de mensen in de wereld heerst, daar de Heer ook voor de buitenwereld rust als na een werk.

9. Veler ogen en oren zijn op Hem gericht; maar Hij zwijgt en laat Zich niet zien als iemand die lichamelijk werk verricht, maar als iemand die geduldig in Zijn heiligdom wacht, althans met de ogen van het geloof. Waarom dat? Omdat de mensen slechts hun ogen en oren, of hun weetgierigheid, maar niet hun hart naar Hem richten.

10. Toch spreekt de Heer nog iets en Hij zegt: "Heden is voor uw ogen vervuld, wat de profeet heeft gesproken". - Kijk, dat is nu bij u ook het geval; want na de lange rust is Mijn geest over u gekomen, omdat u Hem gezocht hebt en Hij onthult u het opge­rolde boek, dat de dienaren ook te allen tijde slechts verhuld in hun kamers hadden bewaard.

11. Deze dienaren zijn gelijk aan degene in natuurlijke zin, aan wie het boek opgerold werd overhandigd. Daaronder zijn al die­genen te verstaan, die u in wat voor kerk ook met de naam van 'priester' aanduidt. Deze dienaren zullen het boek niet onthuld krijgen, zolang ze dienaren in de 'synagoge', de wereld, zijn.

12. Nu krijgt elk mens, die een echte dienaar is in de ware, nieuwe synagoge van zijn hart, ook eerst het boek opgerold en niet onthuld. Als hij echter in deze tempel een getrouwe dienaar is en hem veegt en schoonmaakt en acht geeft op de heilige rol, dan komt de Heer en gaat in deze synagoge zitten en er zal rust en vrede in deze synagoge heersen. En als daar uit alle delen van het hart oog en oor op de Heer worden gericht, dan zal Hij ook zeggen: "Nu is de geest des Heren over u gekomen en de heilige rol is onthuld en vervuld in uw levende synagoge!"

13. Kijk, dat is de overduidelijke betekenis van deze op het eer­ste gezicht onbeduidende tekst!

14. Ik zeg u: men kan zijn best doen en onderzoeken zoveel men wil om deze rol te onthullen; men kan alle mensen, geesten en engelen vragen, en toch zal men niets bereiken - , want Ik alleen ben de deur!

15. Wat voor nut heeft het voor een mens als hij zich afvraagt: "Heb ik een eeuwig leven in mij?" en daarop als antwoord krijgt: "Het eeuwige leven is me een raadsel, iets waaraan je kunt twij­felen; ik heb daarvan niets in me behalve het verlangen ernaar!"

16. Vraag: Voor wie is dit voldoende troost? Is die niet gelijk­ waardig aan de filosofie waarmee zich de wijsgeer troost en die zo luidt: "Is er een voortbestaan van mijn denkende ik, dan is dat winst voor mij - en is er geen voortbestaan dan win ik ook, want voor het niet-zijn is het plus - of minteken evenveel waard".

17. Ik vraag echter opnieuw: Voor welk mens, die de waarde van het leven kent, is zulk een troost voldoende? Kan het de levende onverschillig zij n of hij bestaat of niet bestaat? Trouwens, hoe kan eigenlijk een mens die bestaat, het niet bestaan prijzen, terwijl hij toch onmogelijk kan weten hoe het gesteld is met een toestand van niet-zijn?!

18. Iedereen kan hieruit gemakkelijk de gevolgtrekking maken hoe blind zo'n onderzoeker moet zijn, als hij middenin een on­eindig bestaan, waarin van niet-zijn geen sprake is, zich tenslotte met een volkomen onmogelijk niet-zijn kan troosten.

19. Gelooft u, dat er in Mijn oneindig 'zijn' ergens een ver­nietiging mogelijk is, of een plaats waar het 'niets' zich bevindt?

20. Zo ver je oog in de diepten van Mijn schepping kan reiken, staat de natuurlijke wereld al in de scherpste tegenstelling tot een plaats waar niets zou zijn; want daar zie je of hemellichamen of de grote, vrije ruimte, die echter met lichtether is gevuld en met alom werkende krachten uit Mij! Vraag: Is dat niets?

21. Ik behoef niet verder uit te weiden over de dwaasheid van een dergelijke stellingname. Maar voor iedereen wil Ik hier meteen het echte onderzoek eraan toevoegen, hoe hij kan te weten komen of er ergens een niets voorhanden is en Ik zeg:

22. Vlieg met je gedachten door de ruimten van de oneindig­heid! Als u ergens een ruimte zult vinden waarin uw gedachte niet vermag door te dringen, dan kunt u daar het niets zoeken. Dat zo'n werk u echter nooit en ook onmogelijk zal gelukken, daarvan kunt u ten volle verzekerd zijn! Want waar de gedachte kan komen, is het Zijn. Waar zal het echter zijn, waar de gedachte niet kan komen? Ik ken dit 'waar' niet en dan zal een wijsgeer het zeker nog minder kennen.

23. Houdt u daarom niet vast aan ijdele onderzoekingen en dwaze ervaringen, want dat zal nooit vruchten afwerpen! Maak de weg, die zo gemakkelijk is, niet nodeloos moeilijk, maar laat een ieder tot Mij komen en hij zal alles in overvloed aantreffen, wat hij op andere wegen in eeuwigheid niet zal bereiken; want alleen Ik ben de deur voor altijd en eeuwig. Amen.

 

Hoofdstuk 37

 

"Maar Ik ken u, dat u de liefde van God niet in uzelf hebt"

(Johannes 5 : 42)

 

27 februari 1844 's avonds

 

    1. "Maar Ik ken u, dat u de liefde van God niet in uzelf hebt" ­ Dit vers past helemaal precies voor het slot van deze uitleggingen.

2. Dit heb Ik tot de Joden gezegd; want de dode letter der wet was in hen. Het werk van ceremonie en schijn was belangrijker voor hen, dan de Levende Zelf, die dat tot hen had gezegd.

3. Daarom waren ze ook met blindheid geslagen en zagen in Hem, die altijd levend is, niets anders dan een alledaags, heel gewoon mens, en ze verwonderden zich hoogstens over een op­vallend door Hem verricht wonder, soms ook over een wij s woord, als ze er juist bij waren als dat wonder gedaan of dat woord ge­sproken werd. En als ze er niet bij waren, dan geloofden ze het niet dat Ik zoiets gedaan of gesproken had en ze probeerden op alle mogelijke manieren de zaak verdacht te maken. Waar het niet toereikend was om het als natuurlijk voor te stellen of het geheel te loochenen, moest Ik volgens hen wel bezeten zijn en door de macht van de duivel werken.

4. Maar waarom erkenden ze de Heer des Levens niet, terwijl het toch de wil en het doel van de Heer was, dat ze Hem zouden hebben erkend? De reden daarvan ligt opgesloten in de tekst, waar gezegd wordt: "U hebt de liefde niet in uzelf".

5. Waarom kan men dan zonder liefde de Heer niet erkennen? Dat kan men zonder de liefde om dezelfde reden niet, als waarom de blinde niet kan zien wat er om hem heen is, en de dove de stem van zijn vriend niet kan horen.

6. Want de liefde is het leven; en alleen het leven kan zien en horen, want de dood is daartoe niet in staat. Daarom konden dan ook de Joden de Heer van het Leven, die temidden van hen woon­de, niet erkennen, omdat ze geen liefdeleven in zich hadden, het­welk een vrij leven uit God is. Al het andere leven is slechts een gericht leven, dat echter in tegenstelling tot het ware leven uit de liefde de zuivere dood is.

7. Want wie niet uit liefde leeft, is niets dan een ijdele machine, die alleen maar door het werelds drijven in beweging wordt gezet en zijn zien, horen en voelen is louter mechanisch en kan zich nooit boven de gestelde sfeer van de daaraan verbonden beper­king verheffen. Alleen het ware leven van liefde is zelfstandig en vrij en kan daarom uit zichzelf alle grenzen vernietigen en zich tot Hem verheffen, Die zijn meest innerlijke bestaansgrond is.

8. Niemand kan in zijn natuurlijke sfeer iets zien, wat hij niet van te voren in zich heeft; hoe zou iemand dan Mijn Wezen kun­nen zien en erkennen, als hij helemaal niets daarvan in zijn hart bergt?

9. Daarom zeg Ik tot u: Laat alles varen, - behoud alleen de liefde, dan zult u erkennen wat de Joden niet erkend hebben, en datgene zien waarvoor hun ogen geen licht hadden.

10. Er zijn ook nu heel veel mensen in de wereld, die geen liefde in zich hebben. Daarom zien ze ook de schaduw, die niets is, voor de werkelijkheid aan; maar Mij, die altijd onder hen is en wan­del, zien en erkennen ze niet, omdat ze geen liefde hebben.

11. Zo zijn er onder u ook sommigen, die zoeken waar niets is te vinden; maar wat zich levend voor hun ogen vertoont en licht verspreidt, dat willen ze niet zien en erkennen.

12. Deze mensen wegen nog altijd de diamanten en kiezelstenen samen op één weegschaal. Maar waartoe het gewicht van de kie­zelstenen naast dat van de diamanten? Waarom met verbazing staren naar waardeloze dingen die van ver komen en aan het goud in eigen huis onverschillig voorbijgaan?

13. Het is niet genoeg dat men de waarde van het goud kent ­ maar men moet het goud ook tegenover het waardeloze, al komt dat van ver weg, op haar hoge waarde weten te schatten. Dat kan alleen degene, die de volkomen liefde heeft; wie echter om deze heen en weer zweeft, kan dat nog niet en zal het ook nog lang niet kunnen. Daarom zal het hem vergaan als de Joden, die ook niet de Heer van een heel gewoon mens vermochten te onderscheiden.

14. Ik zeg u daarom, en herinner u er aan, dat Ik u veel heb ge­geven; maar alleen degene, die de liefde in zich heeft, zal het als een zuivere gave van Mij herkennen.

15. Wie berekenend is in de liefde en telt wat hij doet en geeft, met hem zal Ik hetzelfde doen; en de rekenaar en degene die telt zullen zo lang niet vrij voor Mij staan, tot ze het rekenen en tellen uit zich gebannen hebben. De liefde moet dus vrij zijn en moet zich in haar innerlijke werk­zaamheid niet van te voren raad vanuit het hoofd verschaffen.

16. De wijze gever zal Ik met wijsheid belonen; maar voor de gever uit vrije liefde word Ik Zelf tot loon! Eenieder echter, die niet uit de vrije liefde zal handelen, zal het aangezicht van de Heer niet eerder aanschouwen, dan wanneer hij uit vrije liefde werk­zaam wordt.

17. Dat zeg Ik, de eeuwig Getrouwe, de Waarachtige, de Eerste en de Laatste, als Vader in alle liefde tot u, opdat u het goed in acht zult nemen! Amen.

 


 

Appendix

 

JAKOB LORBER (1800-1864) en de werken van de nieuwe openba­ring.

 

De uiterlijke gebeurtenissen in het leven van Jakob Lorber, die op 22 Juli 1800 in Kanischa (Oostenrijk) werd geboren en zich als muziekleraar, musicus en componist vestigde te Graz, bleven beschei­den tegenover zijn roeping tot 'schrijfknecht van God', die hij in zijn veertigste levensjaar door het innerlijke Woord ontving en waaraan hij vervolgens tot aan het einde van zijn leven in onwankelbare trouw gehoorzaamde.

Op 15 Maart 1840, toen hij in zijn morgengebed was verzonken, hoorde hij een innerlijke stem, die uit zijn hart scheen te komen en hem duidelijk toesprak: 'Sta op, neem je griffel en schrijf!' Lorber gehoorzaamde deze geheimzinnige stem, nam zijn pen en schreef woord voor woord op wat hem innerlijk gedicteerd werd. De eerste zinnen luidden: 'Zo spreekt de Heer tot iedereen en dat is waar, getrouwen gewis. Wie met Mij spreken wil, kome tot Mij en Ik zal hem het antwoord in zijn hart leggen. Echter alleen maar de reinen, wier hart vol deemoed is, zullen de klank van Mijn Stem vernemen.'

Er was hem juist een aanstelling als kapelmeester in Triëst aangebo­den, doch hij wees deze af en volgde zijn roeping door het opschrijven van het in zijn binnenste gedicteerde woord en dat deed hij tot aan zijn dood in 1864.

Zijn biograaf en vriend gedurende tientallen jaren, Karl Gottfried Rit­ter von Leitner, bericht daarover: 'Het gezicht rustig en luisterend, ononderbroken schrijvend, nooit stokkend, nooit zich bezinnend, gleed zijn pen over het papier.' Zo ontstond in een tijdsverloop van 24 jaren een uniek werk, dat heden 25 boekdelen van ongeveer 500 blad­zijden vult, de kleinere geschriften niet meegerekend.

Er is voor deze stille, uitermate bescheiden en deemoedige man Jakob Lorber beslist geen voorbeeld te noemen en geen 'categorie' te vinden, of we hem nu als mysticus of als ziener beschouwen, dan wel, zoals in zijn tijd het geval was, als een mediamiek genie. De mensheid ontving middels hem een werkelijk omvattend antwoord op haar duizenden jaren oude vragen naar het vanwaar, het waarheen en het waarom van het leven. Lorbers door Goddelijke inspiratie ontvangen geschriften bieden een geestelijke beschouwing der wereld, die niet alleen de christelijke vernieuwingstendenties, maar ook de wetenschap, ja het hele levens­gevoel van de hedendaagse mens verklaren. Zijn werken zijn even tijd­loos als actueel.

Wij laten hier een korte samenvatting volgen, die Dr.Walter Lutz als inleidend overzicht publiceerde in het tijdschrift 'Das Wort'.

 

Tien voornaamste punten uit De nieuwe openbaring door Jakob Lorber.

 

1. De grondslag der wereld

 

Volgens Lorber bestaat er geen stof in de betekenis die het materia­lisme daaraan geeft. Alles is energie, namelijk Gods- of geestkracht, gesplitst in allerkleinste oerstofdeeltjes (oerlevensvonken). Ook het vroeger als kleinste deeltje beschouwde atoom is een uit talloze deel­tjes bestaand levend universum in het kleinste formaat (vergelijk hier­mee de nieuwste ontdekkingen der kernfysica). Uit de oergronddeel­tjes (tegenwoordig elektronen of kwanten genaamd) - die niets an­ders zijn dan zelfstandig gemaakte gedachtenkrachten van God - is de hele wereldruimte planmatig opgebouwd.

 

2. Het wezen van God

 

God is de eeuwige oneindige geest, de oerkracht en het fundament van alle zijn. Zijn voornaamste eigenschappen zijn liefde, wijsheid en wilskracht. Zijn heilige geest vult het heelal (de 'wereldziel' van de an­tieken). Maar deze oneindige algeest heeft een innerlijk machtscen­trum, van waaruit als uit een zon gedachten en wilskracht in de schep­ping uitstromen, om na een grote kringloop tot levensvoleinding weer terug te keren. In dit oermachtscentrum bevindt zich God als be­staand Wezen en wel in de hoogste van alle levensvormen: als volko­men 'Geest-Oermens'. (God schiep de mensen naar Zijn beeld). Van­uit dit oermachtscentrum is de geest van God eeuwig scheppend be­zig. De hele schepping is een geweldig ontwikkelings- en vervolmakingproces van de Goddelijke gedachten en ideeën. Het voltrekt zich onder ontzagwekkende, door rustperioden gescheiden tijdperken ('scheppingsdagen, van eeuwigheid tot eeuwigheid').

 

3. De geestelijke oerschepping

 

Aan de voor ons zichtbare stoffelijke schepping gingen geestelijke scheppingen vooraf. God heeft toen uit de als het ware buiten zichzelf geplaatste oerlevensvonk grote geestelijke wezens geschapen volgens Zijn beeld (oer-aartsengelen), die zelf meerdere aan hun gelijke geeste­lijke wezens in het leven konden roepen. Zo ontstonden legioenen grote geestelijke wezens (engelen), die zich volgens het ordenings­gebod van de Gods- en broederliefde zouden ontwikkelen, tot ze aan Godgelijk zouden zijn. Een deel van deze wezens verviel onder leiding van hun hoofdgeest Satana (Lucifer) krachtens hun vrije wil in grenzeloze eigenliefde en zelfverheerlijking. Volgens de eeuwige orde­ning moest echter de voedende levensstroom uit God opdrogen voor degenen, die van God afvallig werden. Daardoor verstarden ze als het ware en verdichtten ze zich tot hulpeloze massa's. Door verdich­ting van de geestelijk-etherische oeressenties (materialisatie) ontston­den zo in de scheppingsruimte de oernevels van de materie of van de wereldstof.

 

4. De stoffelijke materiële schepping

 

Zouden de gevallen oerwezens eeuwig in de ban van hun gericht blij­ven of toch nog tot voleinding teruggevoerd worden in Gods heilige levensorde? De goddelijke liefde erbarmde zich over de gevallen gees­tenwereld. Met behulp van de trouw gebleven engelgeesten bouwde de Schepper het materiële universum uit de oernevelen van de wereld­stof, door deze in te lijven en tot nieuw leven te brengen; dit beeldt in zijn geheel het verhaal van de 'verloren zoon' uit. (hiermee is het ont­staan van de wereld volgens Kant-Laplace geestelijk verklaard). Hier­mee begon God in de talloze wereldsystemen en op de wereldgloben een verlossing van de in de materie gebonden wezens.

 

5. Doel van het natuurleven

 

Op alle hemellichamen worden door het Goddelijk bestuur de verstar­de wereldstofmassa's meer en meer losgemaakt. Deze losgemaakte lu­ciferische levensvonken worden door de engelen, de dienaren van de Schepper, naar diens liefdevolle en wijze heilsplan in de rijken van de natuurwereld gebracht en wel in steeds nieuwe geestelijke louterings­scholen. Dit gebeurt doordat ze - tot steeds meer omvattende verbin­tenissen of 'zielen' verenigd - in steeds hogere levensvormen trapsge­wijs door het mineraal -, planten - en dierenrijk worden omhoog geleid. (Darwins ontwikkelingsleer vanuit een allesomvattend geestelijk gezichtspunt). De 'natuurzielen' worden op deze geestelijk lichame­lijke weg geleid tot de bouwen het gebruik van hun tijdelijk levens­omhulsel (alle scheppingen van de drie natuurrijken). Ze beginnen daardoor hun tegen Gods ordening ingaande zelfzucht zo langzamer­hand te overwinnen en zich tot de hemelse ordening van dienen in we­derzijdse liefde te bekeren (opbouw van gemeenschappelijke verbin­tenissen, organismen). Het evangelie predikt ook de verlossing van al­le creaturen door de macht van de liefde.

 

6. De mens - het einddoel van deze ontwikkeling

 

De op deze manier uit de luciferische materie opgestegen mensenziel moet - onder invloed van de haar ingeblazen, goddelijke geest - of lief­desvonk - zich nu in het aardse leven waar maken. Door vrijwillig de liefdesgeboden van God te gehoorzamen zal de mens zich steeds ver­der tot een waarlijk kind van God ontwikkelen, om tenslotte als hij dat doel bereikt heeft, tot de ware vrijheid en zaligheid van het eeuwi­ge leven binnen te gaan.

 

7. Het wezen van Jezus

 

Toen de schepping zover was gerijpt dat ze de diepste onthulling van de goddelijke liefde - de Godheid als 'Vader' - kon begrijpen, koos God de naar het uiterlijk zo onaanzienlijke aarde voor de groot­ste liefdedaad van Zijn erbarming uit. Hier, waar de innerlijkste geest­kern van Lucifer in de ban wordt gehouden, hulde God Zijn geest­menselijk oermachtscentrum in het gewaad van de materie ('en het Woord werd vlees'.). In Jezus Christus trad God Zelf het men­senrijk binnen om deze en tevens alle geesten uit de oneindigheid te onderrichten. Als machtigste getuigenis van Zijn liefde trok Hijzelf het kleed van de materie aan om de gevallenen uit het gericht te verlos­sen en de gelouterden dan in het Vaderhuis terug te voeren (gelijkenis van de verloren zoon).

De geest van Jezus, het heilig oermachtscentrum van God, is de 'Vader'. De ziel van Jezus (en zijn lichaam), dat wil zeggen het menselijke, is de door de Vader geschapen 'Zoon'.

De in de oneindigheid uitstralende Godskracht, uitgaande van de Vader door de Zoon, is de 'Heilige Geest'.

En zo zijn in Christus de Vader, de Zoon en de Heilige Geest verenigd (de oplossing van het drie-eenheidvraagstuk). Jezus: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader', en: 'Ik en de Vader zijn één!'.

 

8. De heilsweg tot de geestelijke wedergeboorte

 

Als de enige tot de voleinding en eeuwig leven in God voerende weg predikte Jezus de grondwet van de gehele schepping: 'Heb God boven alles lief en de naaste als jezelf. Noch uiterlijke goede werken (ontvangen van het sacrament), noch uiterlijke geloofsge­rechtigheid (geloofsbelijdenis), zijn voldoende; ze zijn hoogstens hulpmiddelen op de heilsweg van de zuivere daadkrachtige liefde, de oergrond van alle zijn. Is met behulp van Gods geest in de mens de zui­vere hemelse liefde tot onbeperkt heerser geworden, dan is de mens aan het gericht der materie ontgroeid en heeft hij de geestelijke weder­geboorte bereikt. Dan vermag de gelouterde ziel, die met de haar inge­plante geest uit God dan volledig verbonden is, tot een waar kind van God uit te groeien, één met haar Schepper en hemelse Vader en ze heeft dan eeuwig deel aan de volheid van Zijn goddelijke levens - en werkingskrachten.

 

9. De verdere ontwikkeling in het hiernamaals

 

De meeste mensen van de aarde treden na de dood van hun lichaam nog onvolmaakt in de fijnstoffelijke sfeer van het hiernamaals binnen. De goddelijke liefde biedt hen daar nieuwe mogelijkheden om zich te scholen, zodat tenslotte allen -zij het vaak op moeilijker en pijnlijker manier - toch nog tot voleinding komen. Want het goddelijk plan van een algemene verlossing kent geen eeuwige verdoemenis!

Om dit einddoel te bereiken komen de nog onrijp uit het leven schei­dende zielen aan 'gene zijde', dat wil zeggen in de voor de aarde on­zichtbare, geestelijke wereld eerst in een soort droomleven. Hier valt hen tot hun belering een door hen beschermende machten geleid in­nerlijk geestelijk schouwen ten deel, dat al naar gelang van hun goede of boze instelling een paradijselijke verrukking of een helse pijn bij hen oproept. Hemel en hel zijn dus geen plaatselijke bepalingen, maar geestelijke ontwikkelingsstadia van de ziel. Sterk op zichzelf gerichte, aardegebonden zielen worden ook wel verder opgevoed door op­nieuw in het leven geroepen te worden (reïncarnatie) op andere stof­felijke werelden of soms ook op deze planeet.

 

10. Het doel der voleinding

 

Zielen, die zich op aarde of in het hiernamaals tot zuivere Gods- en naastenliefde lieten louteren, geraken in een steeds nieuwe en geluk­kig makende werkelijkheid. Hun geestelijk zien en innerlijke kracht nemen toe in de drie opeenvolgende hemelen, in overeenstemming met de zuiverheid en sterkte van hun liefde. De eindeloze opklimming in gelukzaligheid van de voleindigde wezens bestaat uit een steeds die­per erkennen van God, een steeds grotere liefde tot Hem en al Zijn schepselen, alsook in een steeds intensiever medewerken aan het ver­heven werk der schepping als de openbaring van alle zijn en leven. De­ze korte aanduidingen laten al zien dat bij Lorber sprake is van een omvangrijke geestelijke religie, logisch opgebouwd volgens een vastomlijnd plan. Ze brengt ons een verheven levensleer van de zui­verste liefde en grootste daadkracht, waarvan de Godheid, de Vader in Jezus, de grondslag vormt. De volle rijkdom en veelzijdigheid van de leer maakt zich evenwel pas dan kenbaar, als men de Lorberwerken

grondig bestudeert. Ze bieden juist datgene, waarnaar de hoogste geesten van onze generatie diep en ernstig streven: een synthese te vin­den tussen de Heilandsleer van de Bijbel en de ontwikkelingsgedachte der wetenschap. Dat leidt tot een overeenstemmend, aan geen confessie gebonden Christendom, dat door zijn karakter van liefde en de diepte van zijn erkenning alle mensen tot een edelgezinde geestes - en levensgemeenschap vermag te verenigen.