Bijbel als Gods Woord

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Jezus zei tegen de Schriftgeleerden en de Farizeeërs: “U kent wel de dode letters; maar daarin is God niet, en daarom kunt u God ook niet uit de Schrift kennen! De Schrift toont u alleen de weg naar God, en dat alleen, zonder daar van af te wijken. Wat heeft u eraan als u de weg naar Rome kent, maar er nooit gebruik van maakt om naar Rome te gaan en daar de grote stad van de koning te zien?! Welke kenner van de weg naar Rome kan zeggen, dat hij Rome kent omdat hij de weg daarheen kent, terwijl hij nog nooit één stap op die weg heeft gezet?! En wat voor nut heeft u dan van de kennis van de Schrift, de weg naar God, als u nog nooit één stap daarop hebt gezet!’

 

‘Ik ken net als u de hele Schrift, maar Ik heb altijd naar de daarin gegeven wetten van God gehandeld; daarom ken Ik God volkomen en kan Ik u dan ook uit de oorspronkelijke bron meedelen, dat er nog nooit iemand van u en van uw soort God heeft gekend en op uw slechte wegen ook nooit zult leren kennen, want u bent allemaal godloochenaars! GJE1-119 [7,8,9] IK zeg: "Blijf in Mij, door naar Mijn woord te luisteren, door het te behouden en daarnaar te leven, dan zal Mijn kracht en Mijn liefde daardoor in jullie zijn en jullie beschermen tegen iedere verdere harde beproeving! GJE3-36 [8] - Alle Schrift is door God ingegeven en als nuttige leer voor de mens bedoelt’. 2 Tim.3:16 - zie ook 2 Petr.1:21 –

 

‘Zoals het licht van de zon en haar warmte gevoeld wordt, zo zal ook de straal der waarheid in de Bijbel ons hart verlichten en verwarmen, als wij deze op ons laten inwerken. In vroegere tijden – maar ook nu nog – heeft de Heer tot ons gesproken – Hebr.1:1,2. Het onbegrip voor (zulke) Bijbelteksten vindt zeker zijn voornaamste oorzaak in de zeer gebrekkige en onjuiste vertaling van de Schrift uit de oor­spronkelijke taal in de tegenwoordige talen; maar dit heeft intussen wel zijn nut. Want zou de geestelijke inhoud van zulke teksten tot nu toe niet zo goed verborgen zijn geweest, dan was het heilige daarin allang grondig ontheiligd, wat voor de gehele Aarde een grote ramp zou zijn. Zoals het nu is, heeft men slechts aan de schors geknaagd en kon men de levende heilige kern niet bereiken’. (GJE1 -1:2)

 

‘Het Woord van de Heer is net als al Zijn werk. Hij geeft ons Zijn leer in de vorm van zaden. Wij moeten die eerst in de voedingsbodem van onze geest zaaien; die voedingsbodem heeft liefde, daar zal het zaad dan groeien en een boom van de ware kennis van God en onszelf worden, en op de juiste tijd zullen we dan van deze boom rijpe vruchten voor het eeuwige leven kunnen verzamelen’. (GJE 1-43-4)

 

Tweeduizendjaar evangelie

De volgende dag in Kana zei Ik tegen Johannes, die het eerste teken tijdens de bruiloft in Kana opschreef, dat hij dit tweede teken in deze zelfde plaats eveneens moest vastleggen; en Johannes deed dit ook in weinig woorden verdeeld over acht verzen, zoals het in de Schrift staat. Nu vroeg Mattheus aan Mij, of hij deze gebeurtenis ook op zou schrijven. ‑ Maar Ik zeg tegen hem: 'Dat hoeft niet! Als we morgen naar Kapernaum gaan en als Ik daar weer Mijn leer verkondigen en tekenen doen zal, ‑ dan moet jij die opschrijven! Zet de genezing van de melaatse in Sichar, die Ik daar genas toen Ik van de berg afkwam, ook nog bij Mijn Bergrede!'

Mattheus zegt: 'Heer, volgens mij heeft U in Sichar twee melaatsen genezen; welke moet ik opschrijven'?' Ik zeg: 'Er zijn er wel meer dan twee genezen; maar die ene is voldoende, die Ik aan de voet van de berg genas en waartegen Ik zei, dat hij zich aan priester Jonaël, wiens naam je niet op behoeft te schrijven, moest tonen en de gave moest offeren, die Mozes als een bewijs voor God voorgeschreven heeft! Want wie Mij niet vanwege dit ene teken gelooft, die zal Mij ook niet geloven, als Ik honderd tekenen voor hem deed! Schrijf daarom van al die tekenen alleen datgene op, wat Ik je zojuist beschreef.

Mattheus zegt: 'Och ja, Heer, nu weet ik al welk teken U bedoelt! Ik heb er wel nota van genomen, maar het nog niet helemaal op Schrift gezet, en dat zal ik nu direct doen, en ik begin daarmee tevens een nieuw hoofdstuk. Want de Bergrede heb ik in drie hoofdstukken verdeeld, en dit wordt nu het vierde hoofdstuk'. Ik zeg: 'Voorlopig is je indeling wel goed; maar je zult, nadat Ik van deze aarde opgevaren zal zijn naar Mijn hemelse rijk, nog vier hoofdstukken er vooraf moeten schrijven; daarom kun je nu al de drie Bergrede hoofdstukken in plaats van met een tot en met drie, met vijf tot en met zeven nummeren, en het nieuwe wordt dan nummer acht!' Mattheus paste zijn aantekeningen meteen op deze manier aan, en nu staat de Bergrede, hoewel deze het eerst door Mattheus opgeschreven werd, niet in het eerste maar pas in het vijfde, zesde en zevende hoofdstuk.

Om de Evangeliën van Johannes en Mattheus beter te kunnen begrijpen is het nodig het bovenstaande te weten; want beide zijn onder Mijn persoonlijke leiding geschreven, en Ik wil dat men door deze kennis in staat is om de beide uiterlijk zeer verschillend lijkende berichten als een geheel en als aanvulling op elkaar te zien, omdat het zo vaak voorkomt dat zelfs goede kenners van de Schrift de wonderen, die overeenstemming vertonen bij Mattheus en Johannes, als dezelfde beschouwen, en zich daarna af gaan vragen: 'Hoe is het toch mogelijk dat Mattheus dit zegt en Johannes dat, terwijl het onderwerp toch beslist hetzelfde lijkt te zijn?!' Dit was de aanleiding tot veel dwalingen en niet zelden tot een algehele verwerping van Mijn leer zoals deze in de Evangeliën geschreven staat.

Men zou hier zeker wel op kunnen merken: 'Ja, waarom, o Heer, deed U daar dan in al die eeuwen niet wat aan, en gaf U daarover geen voorlichting?' Dan zeg Ik: In iedere eeuw heb Ik op alle plaatsen waar Mijn leer ook maar enigermate geloofd werd. mannen uitgekozen en geroepen. die de toedracht en de betekenis van de evangeliën aan de mensen duidelijk maakten. Deze geroepenen hebben dat altijd gedaan en ze hebben ook historisch datgene in de geSchriften aangevuld, wat ten dele door de slordigheid van de mensen en ten dele door het starre denken en niet zelden door de kwade wil van de verschillende sektarische leiders en priesters van het evangelie, respectievelijk van Mijn leer, verloren is gegaan; maar slechts heel weinigen namen dat aan.

De kerken, die zich in de loop van de tijd systematisch ontwikkeld hebben, verwierpen dit vanzelfsprekend en verklaarden het tot 'ketterij' en 'duivelse influisteringen' omdat het niet paste in hun op winst en heerszucht ingestelde kraam!De geleerden en kunstenaars verklaarden daarentegen zulke verschijnselen als 'fantasie' en 'zweverig gebazel' van een arme sukkel, die ook wat wilde betekenen zonder daarvoor de nodige eigenschappen door moeite, vlijt en grondige studie ontwikkeld te hebben! Ik heb op deze manier gedurende ongeveer twee duizend jaar steeds hetgeen ontbrak aangevuld; maar wie nam het aan'?

Geloof me: Altijd maar heel weinigen, en die dan nog zelden met veel vuur! Men nam er wel kennis van en schreef het op; maar men heeft steeds om allerlei waardeloze redenen niets gedaan om zijn levenswandel daarnaar te richten en zichzelf geestelijk ervan te overtuigen, dat die overigens eenvoudige mens in ernst door Mij was geroepen om de mensen in de steeds donker wordende wereld weer een nieuw licht uit de hemel te brengen. De één heeft een paar nieuwe ossen gekocht en moet deze nu voor het ploegen africhten, zodat hij natuurlijk geen tijd heeft; de ander heeft een nieuwe akker te bebouwen en kan daarom niet komen! De derde heeft een vrouw getrouwd en heeft dus beslist geen tijd en gelegenheid meer!

De vierde moet een groot huis bouwen en weet zich door alle zorgen geen raad: die kan al helemaal geen tijd vinden! En zo heeft tenslotte iedereen een uitvlucht, en een nieuw licht uit de hemel brandt dan weer voor niets gedurende een hele eeuw in de één of andere verborgen hoek van de aarde. En als Ik in de volgende eeuw weer een nieuw licht geef ter verduidelijking van de oude GeSchriften, dan overkomt dat hetzelfde lot! Als dit nu door al de eeuwen heen steeds dezelfde ervaring blijkt te zijn, dan vraag je je wel af, of de schuld wel bij Mij ligt dat de oude GeSchriften nu nog steeds diezelfde hiaten vertonen, die voor duizend jaar al door ingebeelde verstandelijke onderzoekers en tobbers zijn ontdekt, en die de aanleiding waren dat veel twijfelaars en vervolgens verwerpers van Mijn leer en van Mijn volstrekte goddelijkheid, als paddenstoelen uit de grond geschoten zijn.

Daarom geef Ik nu een uiterst sterk licht op deze zaak, opdat er dan niemand meer zich kan verontschuldigen met te zeggen, dat Ik Mij sinds Mijn lichamelijke aanwezigheid op aarde noch om de zuiverheid en compleetheid van Mijn leer, noch om de mensen die haar aangenomen hebben, bekommerd heb! Zodra Ik weer op de aarde zal komen, zal Ik een grondig onderzoek instellen; en niemand zal Ik aannemen, die met wat voor verontschuldigingen dan ook bij Mij aankomt! Want iedereen, die serieus zoekt, kan en moet het vinden! De zieke schapen en ezels aan de voerbak zullen een geneesmiddel krijgen, waarna ze zeker honger krijgen naar het voer uit de hemel; maar dan zullen ze als herstellenden heel lang homeopathisch gevoerd worden! En dan nu weer terug naar het Evangelie!' [Bron: GJE1‑91]

De Bijbel is vanuit de Hebreeuwse taal niet helemaal in zijn oorspronkelijke tekst vertaald. Intussen heeft dit wel zijn enig nut gehad, omdat de geestelijke inhoud verborgen bleef en het heilige daarom niet ontheiligd werd. Men heeft aan de schors geknaagd en men kon tot nu toe nooit het levende heiligdom bereiken. ‘In de beginne’ (Bereshitha) is erg onjuist vertaald. Er was nooit een begin. Feitelijk staat er in de eerste regel van de Bijbel: ‘In de diepste grondoorzaak van al het zijn!’ Zie verder ook Hosea 1:2, Spreuken 8:22,23, Mattheus 24:21 en Johannes 1:1. De Heer waarschuwt, dat zij die zich niet de moeite willen geven om de Bijbel, het Woord of de Nieuwe Openbaringen te lezen, het hen duur zal komen te staan, omdat de Heer nooit met Zich laat spotten.

 

We moeten onze levenswandel geheel richten naar het Woord van het Evangelie. (GJE 1-1) - De Bijbel op zichzelf is naar de letter een lichaam zonder ziel, als ze niet innerlijk begrepen wordt. Op de moeilijkste plekken van de Bijbel komen vaak de mooiste en de grootste geheimen aan het licht. Zie ook 1 Kor.1:19 - De Heer zegt: nu jullie de Bijbel of heilige Schrift slechts houden voor een onwezenlijk en onbruikbaar stuk mensenwerk, dat niet meer pat voor deze tijd, is het voor jullie tevens onmogelijk om mij te (h)erkennen. Ik zeg: u kent wel de dode letters; maar daarin is God niet en daarom kunt u God ook niet uit de Schrift kennen! De schrijft toont u alleen de weg naar God en dat alleen maar, als u die weg gaat zonder daar vanaf te wijken. [bron: GJE1-119]

 

Het onbegrip voor zulke teksten vindt zeker zijn voornaamste oorzaak in de zeer gebrekkige en onjuiste vertaling van de Schrift uit de oor­spronkelijke taal in de tegenwoordige talen; maar dit heeft intussen wel zijn nut. Want zou de geestelijke inhoud van zulke teksten tot nu toe niet zo goed verborgen zijn geweest, dan was het heilige daarin allang grondig ontheiligd, wat voor de gehele aarde een grote ramp zou zijn. Zoals het nu is, heeft men slechts aan de schors geknaagd en kon men de levende heilige kern niet bereiken. Het is nu echter tijd, om de ware innerlijke betekenis van zulke teksten aan allen te openbaren, die het waard zijn daaraan deel te hebben. Degenen, die dat niet waard zijn, zal het duur te staan komen als ze zich ermee bemoeien, want Ik laat in dat geval beslist niet met Mij spotten, en van deze regel zal Ik nooit afwijken. Levenswandel geheel te richten naar het woord van het evangelie. Bron: GJE1-1

 

De boodschap van de Heer is, dat het er bij de mens alleen maar op de vrije wil aankomt, en op een les met de minst mogelijke dwang. Deze leer is door de Heer ook zo geformuleerd dat het verstand van ieder goedwillend mens het al na het eenmaal gehoord te hebben kan begrijpen. Niemand kan zich daarom verontschuldigen door te zeggen dat hij de leer niet begrepen zou hebben. Bron: GJE2-61

www.zelfbeschouwing.info