Bidden en geloof

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: ‘De drie vragen die Ik Petrus stelde of hij Mij liefhad, laten meer dan duidelijk zien, dat het alleen maar zien en aanbidden nog niet voldoende is om Mijn rijk binnen te gaan en het eeuwige leven te verwerven. Evenmin is het voldoende om alleen maar 'Heer, Heer!' te zeggen. Precies op dezelfde manier ziet ook u Mij, als u Mijn woord leest en Mij ook aanbidt door het verstand en door de opmerk­zaamheid, waarmee u Mijn woord leest. U kunt dus ook zeggen: "We zien U en aanbidden U!" Maar Ik verschijn nog een keer en vraag u, Petrussen, niet driemaal, maar meerdere malen: "Hebt u Mij lief?" - Dan zegt uw mond: “Ja!” Maar als Ik eens goed in uw hart kijk, dan ziet dat er vaak uit als een treurige herfstdag in allerlei vuile wereld­nevelen verhuld. Van louter nevelen kan Ik dan niet zien of dit 'Ja' wel met gloeiend schrift in de grond van uw hart staat ge­schreven. Het is mogelijk dat het daarbinnen geschreven staat; maar waarom zoveel nevels die het hart niet zelden zodanig ver­duisteren, dat men dit levende schrift van liefde tot Mij niet goed onderscheiden kan?! Daarom weg met die nevelen!

 

Weg met het alleen maar zien en aanbidden, zodat deze inscriptie, dat een werkzaam handelen naar het woord is, zeer duidelijk zichtbaar wordt - en tenslotte Ik Zelf vanwege het steeds helderder wordende licht van dit ge­heiligde levende schrift in uw harten! Wat heeft het vele lezen en begrijpen voor nut als de daad uitblijft? Wat heeft zien en aanbidden voor zin, als daarbij voort­durend nog moet worden gevraagd: "Petrus heb je Mij lief?"Magdalena zag Mij ook; maar Ik vroeg haar niet: "Magda­lena, heb je Mij lief?" Ik moest haar juist vanwege haar liefde tegenhouden; want dadelijk bij de eerste aanblik ontwaakte haar liefde voor Mij te hevig. "Raak Mij niet aan!" moest Ik tegen haar zeggen, omdat haar hart bij de eerste aanblik vurig oplaaide. Maar tegen Thomas moest Ik zeggen: "Leg je hand in Mijn litteken!"

 

Aan Petrus moest Ik vragen of hij Mij liefhad. Daar was het "Raak Mij niet aan!" niet goed op zijn plaats geweest; want niet in Petrus en nog minder in Thomas klopte voor Mij een hart zoals dat van Magdalena.           Daarom hoef Ik tot u ook niet te zeggen: "Raak Mij niet aan!" Maar Ik zeg tot u nog nadrukkelijker dan tot een Thomas: "Leg niet alleen je hand in Mijn litteken, maar leg je ogen, oren, handen en voeten in Mijn hele schepping, in al Mijn hemelen en in al Mijn aan u onthulde wonderen van het eeuwige leven en geloof dan dat Ik het ben, die dit aan u geeft! Maar dan zie Ik altijd nog de Petrus aan de oever van de zee in u, die zich steeds maar laat vragen: "Petrus, heb je Mij lief?" Want in het geloof bent u wel Petrussen, maar nog lang geen Mag­dalena's en geen Johannessen, aan wie Ik ook niet vroeg of hij Mij lief had; want Ik wist wel waarom hij Mij volgde, hoewel Ik tegen hem niet, zoals tegen Petrus, zei: "Volg Mij!"

 

Petrus volgde Mij, omdat Ik hem zei Mij te volgen; maar Johannes volgde Mij, omdat zijn hart hem ertoe dreef. Wat zou hier het beste zijn? Petrus werd jaloers op Johannes, omdat hij hem voor minder achtte dan zichzelf; maar Johannes werd door Mij verdedigd. Op dat ogenblik werd hem verzekerd dat hij zou blijven en dat is meer dan het "Volg Mij!" Want het is beter dat Ik tegen iemand zeg: "Blijf zoals je bent", dan dat Ik hem gebied Mij te volgen. Zo is ook de ware daadkrachtige liefde beter dan het geloof, zien en aanbidden en ook beter dan veel over Mij te lezen, veel te begrijpen, maar weinig lief te hebben!’ (Bijbelteksten en verb. betek. 1-6) In aansluiting hierop stelt de Heer ter overdaad nog eens de liefde van Petrus aan de kaak. Natuurlijk wist de Heer, dat Petrus Hem liefhad en wist Hij ook, dat Petrus Hem deze drie vragen met eenzelfde hartintensiviteit zou beantwoorden. Het was dus niet zomaar, dat deze vraag aan Petrus was gesteld, het ging meer daarom, dat Petrus zou bekennen, dat hij als vrij mens de Heer boven alle Goddelijke wetten zondermeer liefheeft.

 

De eerste keer dat de Heer Petrus vraagt, of hij Hem wel liefheeft, bevestigt Petrus dit met een ja, waarop de Heer toen zei: ‘dan heb je Mij op je weg gevonden, weidt Mijn schapen! Leer ook dit je broeders Mij te vinden. In precies dezelfde vraag en de tweede keer vroeg de Heer wederom, of Petrus Hem liefhad, wat Petrus natuurlijk bevestigde. Toen zei de Heer: ‘Petrus, dan ben je bij Mij aan de deur, weidt Mijn schapen en breng ook je broeders naar Mij toe, zodat ze bij Mij zijn aan de deur van het leven. Bij de derde maal stelde Jezus dezelfde vraag nog eens: ‘Petrus, heb je Mij lief?’ Dit betekent: ‘Sta je boven al Mijn wetten? Ben je in Mij zoals Ik in jou? Angstig bevestig Petrus, dat hij de Heer vanzelfsprekend liefheeft, waarop de Heer andermaal zei: ‘Weidt Mijn schapen en volg Mij, dat wil zeggen: ‘breng ook je broeders zo naar Mij toe, dat ze in Mij en in Mijn ordening zijn en in Mijn liefde wonen, net zoals jij! (Geestelijke Zon2-102)

 

‘De Heer zegt: ‘Swedenborg is waar en goed. Je kunt dit geloven, maar geloof ook dit, dat de liefde boven alles staat en heilig is. Wie ernaar leeft, die heeft alles; want hij heeft waarachtig Mij Zelf. En zie, dat is meer dan alle profeten, alle apostelen, inclusief Petrus, Paulus en Johannes en dus ook meer dan Swedenborg. Zie, dat zijn de geestelijke sleutels van Petri. Daarom werd Petrus uiteindelijk door Mij nog drie keer gevraagd, of hij Mij wel liefhad! Verder haalt de Heer iets aan over Petrus gedurende zijn aardse tijd, dat twee dagen voor een zondag was: ‘Simon, je hebt Me drie keer in je hart gezworen, dat je Me lief hebt, zodat je Mijn schapen weidt, zo ga dan heen en verkondig het de andere broeders en dat de Heer op hen wacht. En Simon ging en deed, wat de Heer hem geboden had.’ (Himmelsgaben 2-42,43) ‘De Heer zei tegen Petrus: ‘Jullie zullen zijn als schapen onder de wolven!’

 

Daarop antwoordde Petrus: Hoe dan, als de wolven de schapen verscheuren!?’ Daarop gaf de Heer hem als antwoord: ‘Dan hebben de schapen toch als deze dood zijn, verder niets meer te vrezen van de wolven. Zo mogen ook jullie diegenen niet vrezen, die jullie doden, omdat ze jullie verder niet meer kwaad kunnen toevoegen. Jullie echter vrezen veel meer diegenen, die niet alleen het lichaam doden, maar ook de ziel tot hel verstoten kan!’ (Himmelsgaben2-46)

www.zelfbeschouwing.info