Bestemming en wezen van de Maan

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Wat de Maan betreft, deze is een vast hemellichaam, meer nog dan de Aarde; zij is in zeker opzicht een kind van de Aarde, dat wil zeggen dat zij uit bestanddelen van de Aarde is gevormd. Zij is aan de Aarde toegevoegd, opdat zij haar uitstromende magnetische kracht op zal vangen en die, al naar gelang de Aarde die nodig heeft, weer aan haar zal teruggeven: daarom is haar loop om de Aarde ook zo buitensporig. Want deze richt zich altijd naar de grotere of kleinere hoeveelheid van het aanwezige magnetisme op de Aarde; daartegenover richt de loop van de Maan als drager van deze stof zich ook, naar de eventuele behoeften van de Aarde aan deze natuurlijke levensstof. Dat is de voornaamste functie van de Maan. Als een planeet kleiner is dan de Aarde heeft hij geen Maan nodig. De functie van de Maan wordt dan overgenomen door vrij hoge gebergten, wat bijvoorbeeld bij Venus, Mercurius, Mars en nog een paar veel kleinere planeten het geval is; maar de grotere planeten moet één of soms meer Manen hebben om aan hun planeet de al genoemde dienst te verlenen.

 

Ook op de Maan leven evenals op de Aarde mensen en talrijke andere wezens, alleen met dat onderscheid, dat geen (enkele) Maan aan de voortdurend naar de planeet toegekeerde zijde bewoond is, maar altijd aan de tegenovergestelde kant, omdat hij aan de kant waarmee hij naar de planeet is toegekeerd, niet voorzien is van lucht noch van water, van vuur of van alles wat maar voor het organische leven nodig is. Je vraagt je af, waarom dat zo is. Het antwoord luidt: Omdat geen Maan een beweging om zijn eigen as mag hebben en omdat de aantrekkingskracht van de Aarde, of trouwens elke planeet die op enige afstand van zijn Maan staat, nog te krachtig werkt. Zou de Maan nu een rotatie om zijn eigen as hebben, - al zou die nog zo langzaam zijn - dan zou ten eerste door een dergelijke rotatie de aantrekkingskracht van die planeet in dezelfde verhouding ver­sterkt worden als de rotatie van de Maan zich verhoudt tot de rotatie van de Aarde, d.w.z.: wanneer de Maan in zijn rotatie de rotatie van de Aarde in tijd zou benaderen, zodat hij zich ongeveer in dezelfde tijd om zijn as draaide als de planeet, dan zou door de daar­door toenemende aantrekkingskracht van de planeet zich weldra het ene deel na het andere van de Maan losmaken en op de Aarde neerstor­ten. De Maan zou zeer weinig gediend zijn met een even langzame ro­tatie als de planeet heeft, vanwege de gelijkmatige verdeling van de lucht, het water en dus ook van het vuur, en alles zou dan net zo zijn als het nu is op de van de planeet afgewende kant van de Maan. Want het water, de lucht en het vuur moeten op een hemellichaam, met een naar verhouding aangepaste snelheid, door de hoog oprijzen­de bergen mee rondgedraaid worden; anders zouden deze voor het or­ganische leven zo noodzakelijke elementen zich ophopen op de afgewende kant van het centrale lichaam, vanwege de middelpuntvlie­dende kracht en hun eigen zich verplaatsende gewicht.

 

Als dat echter het geval zou zijn, vraag je dan eens af wie er op zo'n hemellichaam zou kunnen leven? Zo'n wezen zou alleen maar zolang leven als het zich onder de lucht  - en waterlaag bevond; als de planeet zich echter hier uit weg zou draaien, dan moest het noodzakelijkerwijs in de luchtledige ruimte stikken, als het niet al eerder in het water zou zijn verdronken. Kijk, dat zou nu ook bij de Maan het geval zijn, als zij een even langzame rotatie had als de Aarde! Zij zou, om lucht, water en vuur gelijkmatig over haar oppervlakte te verdelen, een vijfmaal snellere draaiing om haar as moeten hebben, dat wil zeggen: zij moest zich in vierentwintig aardse uren vijfmaal om haar eigen as draaien, wat dan niets anders ten gevolge zou hebben dan reeds na vijf jaar de vol­komen vernietiging van de Maan, terwijl de Aarde overbezaaid zou zijn met deeltjes van de Maan. Wat de op de Aarde neerstortende mas­sa's teweeg zouden brengen, hoef Ik jullie niet nader te verklaren, maar zeg alleen, dat dan niemand in leven zou blijven. Als je dit een beetje verstandig bekijkt, zul je wel begrijpen waar­om de Maan geen rotatie heeft en daarom ook steeds dezelfde kant naar de Aarde keert. Om echter de Maan en zijn bewoonbaarheid helemaal te begrijpen, moet men weten dat de Maan eigenlijk alleen maar op de naar de Aarde toegekeerde kant 'Maan' is; aan de andere zijde is hij geen 'Maan', maar een heel stevig stuk Aarde. Wat dus 'Maan' is, is niet vast, maar heel losjes, bijna als een enigszins vast zeeschuim; de vastere delen stij­gen als bergen omhoog, maar de zachtere delen zijn nis- en trechter­vormig in de richting van het centrum van het hemellichaam ingezon­ken. In enkele daarvan bevindt zich atmosferische lucht die nog niet heeft kunnen ontwijken en die, als je door sterke verrekijkers kijkt, er bijna als water uitziet. Alle hoogten, evenals de minder diepe trechters, hebben geen atmosferische lucht, maar alleen ether, zoals die zich in de vrije ruimten tussen Zon en planeten bevindt.

 

Deze kant van de Maan wordt dan ook niet door organische wezens bewoond, maar haar bewoners zijn van geestelijke aard. Deze geestelijke bewo­ners waren tijdens hun aardse leven louter wereldgezinde mensen en worden nu ter verbetering daarheen verbannen, zodat ze zich op deze manier nog genoeg aan de wereld kunnen vergapen. En als ze na lange tijd merken, dat het aangapen van de wereld geen vruchten oplevert en als ze luisteren naar de daarheen gezonden leraren, dan worden de­genen die zich wel willen beteren dadelijk op een hogere, gelukkiger trap van vrijheid gebracht; de minder volgzamen echter krijgen op de Maan-aarde (de andere zijde van de Aarde afgewend!) weer een lichaam en moeten daar een heel armzalig en kommerlijk bestaan leiden. In de eerste plaats hebben ze daar met grote koude en duisternis te kampen, ten tweede met een ondraaglijke hitte; want de nacht duurt daar bijna veertien volle dagen en de dag duurt even lang. Tegen het eind van elke nacht wordt het daar zo koud als op Aarde aan de Noordpool en in de middag en tegen het eind van de dag wordt het zo warm, dat geen levend wezen het aan de oppervlakte kan uithouden.

De bewoners, evenals alle organische wezens, wonen daar in de Maan-aarde. In deze onderaardse woning moeten ze zowel de helft van de dag doorbrengen als de helft van de nacht; daarom zijn daar ook geen huizen en steden zoals op de Aarde, maar de woningen liggen diep in de grond, hier en daar ook in de bergspleten en holen. Er groeien daar geen vruchtdragende bomen, maar alleen wortelgewassen, zoals bijvoorbeeld op Aarde de aardappelen, bieten, penen en dergelijke. Deze gewassen worden bij het aanbreken van de dag geplant en tegen het eind van de dag zijn ze al rijp. (Opmerking: overdag duurt veertien dagen, de nacht eveneens zolang – dus duurt de groei van het gewas ruim veertien dagen! ).

 

Als de nacht­schemering begint, komen de mensen uit hun holen tevoorschijn en oogsten deze gewassen en brengen ze dadelijk in hun onderaardse wo­ningen; 's nachts voeden ze zich hier dan mee alsook de hele daarop ­volgende dag (opmerking: dus kunnen zij hiervan ca. 28 dagen mee rondkomen!) Van de huisdieren moet alleen een soort schaap genoemd worden, dat voor de bewoners dezelfde functie heeft als het rendier voor de noordelijke volken op Aarde. Er zijn zowel in de rivieren alsook in de meren, die op de Maan-aarde vrij veel voorkomen, nog heel veel waterdieren en ook enkele soorten kleine vogels, die lijken op de aardse spreeuwen, - als­ook grote menigten insecten en andere één-, twee-, drie - en viervoeti­ge aardediertjes; hun doel en hun nadere beschrijving zullen we later horen. Voorlopig moet hetgeen nu verteld is genoeg zijn.

 

Maar hoed je er vooral voor in de toekomst ooit zelf een bewoner van dit armzalige hemellichaam te worden. Want deze geel glanzende levensschool is een heel armzalig schoolgebouw en het zou beter zijn op Aarde één dag veertien maal te sterven, dan daar maar één dag te leven; want de bewoners daar hebben het veel slechter dan degenen die hier op de kerkhoven begraven liggen. Deze weten niet dat ze begraven zijn, maar de bewoners van de Maan moeten in hun graven leven en worden daar vaak in hun onderaardse behuizingen door instorting of door plotselinge overstromingen begraven. Wat de nog verdere bemerkenswaardige verschijnselen, zowel van de Maan-aarde als van zijn bewoners betreft, die zal Ik bekendma­ken bij een volgende gelegenheid. Denk nu eens na over wat gezegd werd en zie vooral toe dat je de lentetijd van je leven goed beseft en benut, dan zul je zelfs in de Maan, als alles daarvan je onthuld is, je een zeer be­langrijk teken van de Mensenzoon aan de hemel te zien krijgen! Amen. Dat zeg Ik jullie, nu komend op de wolken des hemels. Amen, amen, amen.­ (bron: Aarde en Maan – Jakob Lorber)

www.zelfbeschouwing.info