De verheerlijking op een hoge berg

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Mattheüs 17:1 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus en Johannes, zijn broeder en bracht hen op een hoge berg alleen. Markus 9:2 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hogen berg bezijden alleen en Hij werd voor hen van gedaante veranderd. Lukas 9:28 En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij mede nam Petrus, en Johannes en Jakobus, en klom op de berg, om te bidden. Na zes dagen gewerkt te hebben in een “onvruchtbaar gebied” zei Jezus, dat er elders in soortgelijke gebieden ook nog veel te doen is. Hierna beklimt Jezus met drie van Zijn leerlingen, Petrus, Johannes en Jacobus de berg Tabor, terwijl hij de andere leerlingen, die graag meewilden, achterliet.

 

De hoge berg kan nooit Tabor zijn geweest, want deze heeft geen steile hellingen, zoals de berg, die Jezus beklom, wel had. Doorgaans doet men er twaalf tot dertien uur over, maar Jezus en Zijn drie leerlingen beklommen hem in twee uren, eigenlijk een wonder. Van hieruit kon men geheel Galilea, Judea en Palestina overzien. Ook een gedeelte van de Middellandse Zee. De berg Tabor is 588 meter hoog en deze verheft zich als een geïsoleerde kegel over de vlakte, die Israel in het noorden in west-oostelijke richting - gemeten vanaf de zee- doorkliefd en zo het noordelijk gelegen Galilea van het zuidelijk gelegen Samaria scheidt. De drie leerlingen waren hiervan verrukt en ze straalden vanwege het indrukwekkende en heerlijke uitzicht van geluk. Hierdoor werd Jezus ook dermate verheerlijkt, dat Zijn gezicht straalde als de zon. (Mattheüs 17:2). Opmerking: nota bene de 172ste dag van het jaar is de dag, waarop de zon (21 juni) op haar hoogste stand staat!

 

De drie leerlingen konden van verbazing geen woord uitbrengen. Petrus vraagt Jezus of zij nu in de hemel of in het paradijs zijn, in zo’n verrukking verkeerden zij. ‘Het is net of ik fluisterende engelenstemmen hoor’, zei hij. Toen zei Jezus: ‘Je bent natuurlijk op de aarde, maar je bent tegelijk ook in de hemel en het paradijs. Je hebt de kracht van Gods Woord in je, dat doet je gemoed stralen voor Mij. Daardoor begon ik ook voor jullie ogen te stralen, zodat jullie gewaar worden, dat je tegelijkertijd in het paradijs en in de hemel bent. Je innerlijk is vol van het ware van het geloof. Daardoor ook van het goede van de liefde. “De hemel en het paradijs bestaan uit het geloven in Mij en het er naar handelen. Zo ontvang je het Rijk van God in jezelf, waar je ook in de hele oneindigheid zult zijn”. (GJE5-234).

 

‘Dat de Heer in de hemel als een Zon gezien wordt, is ook duidelijk uit Zijn transfiguratie voor Petrus, Jacobus en Johannes: Zijn aangezicht schitterde als de Zon). Zo verscheen de Heer voor die discipelen, toen zij aan het lichaam ont­trokken waren en in het licht van de hemel verkeerden. Het was vanwege deze overeenstemming, dat de ouden, die een vertegenwoordigende kerk uitmaakten, tijdens de eredienst zich tot de Zon in het oosten keerden. Hierdoor kwam het ook, dat zij hun tempels een ligging naar het Oosten gaven. De omvang en aard van de Goddelijke liefde kan men afleiden door een vergelijking te maken met de aardse zon en haar grootse stralingskracht. Het is, als men het geloven wil, veel vuriger dan de zon. Daarom vloeit de Heer niet onmiddellijk als Zon in de hemelen, maar de gloed van Zijn liefde wordt geleidelijk gematigd. Deze gradaties verschijnen als stralengordels om de Zon.

 

Bovendien worden de engelen beschermd door een wolk van gepas­te dichtheid, zodat zij niet door de invloeiende liefde gedeerd worden. Zo worden de hemelen gerangschikt naar de mate van hun ontvangst (van de liefde van de Heer). Daar de hogere hemelen in het goede van de liefde ver­keren, zijn ze het dichtst bij de Heer als een Zon, terwijl de lagere hemelen, die in het goede van het geloof verkeren, verder van die Zon verwijderd zijn. Zij echter die in geen enkel goed zijn, zoals zij die in de hel zijn, zijn het verst verwijderd en de mate van afstand is overeenkomstig hun tegenstelling tot het goede. (Hemel en Hel 120 – Swedenborg)

 

De Heer in gesprek met Mozes en Elia

Petrus blijkt goed bekend te zijn met de Heilige Schrijft en vraagt de Heer, dat er ergens geschreven staat, dat zielen van gestorven mensen in de schoot der aarde rusten en bewaard zullen blijven tot op de jongste dag, waarop zij uit hun lange rust opgewekt worden door een bazuingeschal van engelen. Dan staan de goeden op tot het eeuwige leven en de slechten voor eeuwig in de hel en worden daar gepijnigd door duivels. Hierop zei Jezus, dat hij dit verkeerd begrepen heeft. Dan opent Jezus het innerlijke oog van hem en de twee anderen, om te zien, hoe het dan met die bepaalde rust voorstaat van de reeds lang gestorven voorvaderen. Als voorbeeld roept Jezus de reeds gestorven Johannes de Doper en Elia op, door luidop Ephata uit te spreken. In een oogwenk verschijnen deze twee voor Jezus en ze spreken over wat er met Jezus over twee jaar zal gaan gebeuren en of dit niet veranderd kan worden. (Mattheüs 17:3)

 

Opmerking: dit vroeg ook Petrus aan de Heer, maar precies in tegengestelde richting. Hij weerhield zijn Meester hiervan! Wat Johannes de Doper en Elia met de Heer bespraken was ’Zijn toekomstige kruisiging.’ Hier blijkt Jezus een jaar van zijn driejarige Leraarschap voltooid te hebben. Doch Jezus zei tegen de twee hoge geesten, dat de Vader, die in Hem woont, het zo wil. Daarop bogen de twee profeten zich diep voor Hem en zeiden: ‘O Heer, Uw wil alleen is heilig. Toen wij nog op aarde leefden, stonden wij in hoog aanzien omwille van Uw naam!’

Tegen Elia zei de Heer: ‘Jij was toch niet zolang geleden ook met Mij samen op aarde en Herodes heeft jou ontnomen?’ Elia zei: ‘Ondanks de grootse zaligheid, die nu voor eeuwig mij deel is, wil ik nog wel honderd keer op aarde leven, hoe ellendig en doornig deze ook is uit liefde voor U!’ Op dit moment werden de leerlingen door een sterke slaap overmand. Jezus zei tegen Elia: ‘Aan het einde der tijden zul je nog een keer in het lichaam komen, maar dan niet meer met een verhuld innerlijk geestelijk oog, maar dan nog helderder dan beide vorige keren als Sehel en Elia. Mozes zal je in de geest begeleiden, want zijn lichaam blijft tot aan het einde der tijden eigendom van de aarde!’ (GJE5-23

 

De drie leerlingen in gesprek met Mozes en Elia

Mattheüs 17:4 En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: ‘Heer! Het is goed, dat wij hier zijn: als gij wilt, laat ons hier drie tabernakels maken voor U één, en voor Mozes één, en één voor Elias’. Markus 9:5 En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: ‘Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakels maken, voor U één, en voor Mozes één en voor Elias één. Lukas 9:32 Petrus nu en die met hem (waren),waren met slaap bezwaard: en ontwaakt zijnde zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden. Lukas 9:33 En het geschiedde, als zij van Hem afscheiden, zo zeiden Petrus tot Jezus, het is goed, dat wij hier zijn. En laat ons drie tabernakels maken, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elias één, niet wetende, wat hij zei. Toen de drie leerlingen nu gewekt werden, zagen zei het drietal Jezus, Mozes en Elia. In hun slaap droomden zij, dat ze in gesprek waren met vele profeten uit vroegere tijden en werden door hen onderricht over het leven aan gene zijde. Ook Mozes en Elia als geestenonderwezen hen op de berg Tabor over het hiernamaals. Dan volgt er, wat we kunnen nalezen in Mattheüs 17:5,6,7 en 8. Jezus zegt dan, dat hun geest het eens in hun ziel zal openbaren. Dan zal het hun eigendom zijn en zullen zij zich in de volle waarheid bevinden. Jullie zielen moeten eerst nog zuiver genoeg zijn om zich volledig met mijn Geest te verenigen. Toen ze weer de berg afdaalden zei Jezus tegen hen: ‘Je mag pas de anderen hiervan vertellen, als Ik opgestegen ben, dus na Mijn opstanding en Hemelvaart (GJE5-236) en Mattheüs17:9

 

Incarnaties van Johannes de Doper

Onderweg toen zij weer naar beneden gingen, vroeg Petrus, wat het toch te betekenen heeft, dat Elia eerst zal komen voor de Messias. (Mattheüs 17:10) Jezus zegt dan, dat Elia er al is geweest, maar ze hebben Elia, evenals Hem, niet herkend. (Mattheüs 17:13) Nu onderwijs Ik een zuiverste leer en doe tekenen zoals nog nooit op aarde is gedaan en ook niet meer op deze schaal gedaan zal worden. De drie leerlingen zagen tenslotte in, dat Johannes de Doper Elia was. Tijdens de bergafdaling vroeg Petrus nog over het een en ander door. Het is toch wel typisch met die Elia.

 

Hij was dus drie keer in een lichaam? De eerste keer als Sehel. Opmerking: deze was de laatste zoon van Noach! – staat niet in de Bijbel. De tweede keer kwam hij als Elia en is niet gestorven, maar opgenomen in de hemel. Als Johannes is hij wel ontlichaamd. Wat is er dan met zijn vroeger twee lichamen gebeurd. Zal hij in de hemel, als alles voltooid zal zijn, met drie lichamen rondlopen? Want op de jongste dag zullen de lichamen opstaan en met hun zielen verenigd worden. Je weet er wel iets van, zegt Jezus, maar zonder enig samenhang. Dat komt door je nog zeer sterke Jodendom en je vat nog alles letterlijk op. Is dan niet een pasgeborene diens jongste dag, ja zelfs ieder dag, zegt Jezus. Je geboortedag was vroeger ook een jongste dag, maar is nu je oudste dag. Als je sterft, zal je lichaam gaan ontbinden en in wormen en planten overgaan. Daaruit komen geheel vreemde wezens en die zullen nooit iets met je ziel en geest te maken hebben. Als je dus sterft, is dat je jongste dag. (GJE5-237)

 

UITLEG VAN DE HEER - De verheerlijking van Jezus

‘Hier hebt u weer een voorval uit Mijn aardse levenswandel, dat diepe en hemelse betekenissen in zich bergt en, zoals eens voor de discipelen die Mij begeleidden, ook voor u en de hele mensheid een betekenisvolle gebeurtenis is, die in zijn geestelijke overeenkomst van grote draagwijd­te is voor de toekomst die u tegemoet gaat. Wij willen dit voorval overdenken en verduidelijken wat het in die tijd voor Mijn discipelen voor een betekenis had, om daarna over te gaan tot zijn geestelijke, grote overeenkomst: hoe, wanneer en waar het zich in de huidige tijd herhaalt en hoe het nu als herscheppingswerk net zo'n uitwerking zal hebben als eens op de drie discipelen, die Mij begeleidden en op hun verdere levens - en handelswijze. Het evangelie zegt dat Ik Mijn discipelen Petrus, Jakobus en Johan­nes mee nam een berg op. Daar zagen zij Mij verheerlijkt, dat wil zeggen: zij zagen Mij met hun geestelijke ogen als Diegene die Ik eigenlijk ben, was en zal zijn. Zij zagen Mij voor zich als een hoge geest, wiens kleed, de waarheid, overeenkomstig wit was en wiens aangezicht straalde als de zon, dat wil zeggen: straalde van liefde.

 

Zij zagen daarnaast de twee machtige steunpilaren van Mijn gehele toekomstige leerschool, die het meeste er toe bijdroegen om Mijn werk te verlichten en die de voorlopers en wegbereiders waren, - zij zagen Mozes en Elia, met wie Ik sprak. Verder hoorden zij een stem vanuit een wolk de woorden spreken, die eveneens bij Mijn doop in de Jordaan hadden geklonken: "Deze is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik welbehagen heb; luistert naar Hem!" Dit gezicht, dat door Mij aan de drie discipelen werd gegeven, had ten doel hun een voorproef te geven van hun eigen bestemming. Petrus, die Ik de "Rots" noemde waarop Ik Mijn kerk wilde bouwen, had een soortgelijke opdracht als eens Mozes, die het Joodse volk op Mijn komst voorbereidde. Hij gaf hun wetten en gedragsregels, die het Joodse volk gemakkelijker kon aannemen dan ieder ander, om het tot uitverkoren volk te maken, in wiens midden Ik besloten was neer te dalen op uw aarde.

 

Zoals Elia, na zijn hernieuwde incarnatie in de menselijke vorm als Johannes de Doper in het klein hetzelfde voltrok wat Mozes in het groot moest bewerken, zo was Johannes, Mijn geliefde leerling, be­stemd - door zijn speciale werken en doordat juist hij langer in leven bleef dan al zijn overige medediscipelen -, nog tijdens zijn laatste jaren in zijn openbaring aan de wereld haar geestelijke weg tot aan de loutering vooruit te beschrijven en om een getuigenis achter te laten, dat de wetten - het zij morele of fysieke -, niet met voeten getreden mogen worden. Deze discipelen als nog levenden en Mozes en Elia als gestorvenen, werd het gegund getuige te zijn en Mij in Mijn volle heerlijkheid te aanschouwen, Mij als Diegene te erkennen voor wiens grote geestelijke rijk zij alles moesten opofferen, om de duurzaamheid van Mijn werk te grondvesten. Zij zagen Mij in die glorie, die een menselijk hart in zijn aardse omhulsel slechts enkele ogenblikken kan verdragen, en juist deze nooit vermoede zaligheid en vreugde was aanleiding voor Petrus om uit te roepen: "Heer, het is goed hier te zijn; indien Gij wilt, zullen wij hier drie tenten opslaan!"

 

Maar, omdat zulke momenten slechts als opwekking, aanmoediging en versterking dienen, wanneer gevaar dreigt of wankelmoedigheid het hart besluipt, waren zij van korte duur. Opdat zij echter van duurzame werking zouden blijven in de herinnering, weerklonken nog vanuit de witte wolk, als geestelijke overschaduwing van Mijn persoon, die geheimzinnige, belangrijke woorden: "Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb; luistert naar Hem!" De stem raadde Mijn discipelen dus aan om nog meer aandacht aan Mijn woorden te schenken en deze diep in het hart te prenten, opdat eens uit hen de groene boom des levens zal opgroeien, die de hele mensheid bescher­mend in zijn schaduw zal verzamelen, waar zij beschutting en weerstand zal vinden tegen alle leed en onrecht.

 

De reden, dat Ik de discipelen opdracht gaf om over dit voorval te zwijgen totdat Ik Mijn leerstelsel met Mijn opstanding bekroond zou hebben, bestaat daarin, dat de andere discipelen aan het gezicht getwij­feld of het niet begrepen zouden hebben. Ook Mijn discipelen hadden, zoals alle mensen, niet hetzelfde bevattingsvermogen. Dit was de eigenlijke toedracht van dit indrukwekkende gebeuren, dat zich ook nu moet herhalen. Wat in die tijd Mozes deed, die het Joodse volk op Mijn leer voorbereidde, dat is later eveneens door Petrus als grondvester van de kerk gebeurd. Wat Elia als Johannes de Doper toentertijd was, is in uw tijd de schare van die mannen geweest, die de op Petrus gegrondveste kerk moesten reinigen en louteren, opdat zij de eigenlijke, geestelijke waarde niet helemaal zou verliezen.

 

Wat destijds Petrus als toekomstige steunpilaar van Mijn leer was, dat zullen nu weer andere mannen worden, die Mijn rijk opnieuw oprichten. En zoals het Joodse volk in Mijn tijd door zijn Farizeeën en Schriftgeleerden op een dwaalspoor werd gebracht, zo leeft nu eveneens de hele mensheid in ceremoniën en gebruiken, leeft in de vervulling van de letter, zonder de geestelijke betekenis van de woorden van Mijn toch zo eenvoudig evangelie te begrijpen. Er moeten dus juist nu weer mannen zijn, die Mijn leer opnieuw naar haar oorspronkelijke basis, naar Mijn eigen woorden terugvoeren.

 

Ook al zullen deze geroepen mannen niet meteen zegevieren bij hun poging om de hele mensheid te onderrichten - zoals het ook Mijn discipelen niet in één keer gelukt is -, zo zijn zij toch bestemd het zaad uit te strooien. Of dit nu overal in goede aarde of op de weg of op steenachtige bodem zal vallen, doet niets ter zake. Het ontkiemende zaad zal het verloren gegane wel vervangen en de geestelijke grond zo voorbereiden, dat hij waardig zal zijn om Mijn wederkomst met vreugde te verwachten.

 

Zoals Ik destijds de discipelen met Mij op een hoogte voerde en hen een klein voorproefje gaf van het loon, dat hen wacht, wanneer zij trouw in Mij volharden, zo gebeurt het ook nu nog, dat Ik menigeen van de Mij toegewijden, die zich in een eenzaam kamertje of bij nachtelijke stilte aan Mij overgeeft, eveneens ver boven de aardse wereld wegvoert en hem daar als een groot vergezicht de glorierijke toekomst laat zien, die hij kan verwachten wanneer hij Mij en Mijn leer trouw blijft. Ja, Ik laat menigeen zelfs de hele zaligheid van Mijn machtige invloed in zijn hart voelen, waarbij Ik hem een glimp van de hoogste waarheid in het rooskleurige licht van de liefde laat zien en hem zo in een heerlijk visioen Mijn eigen Ik bekend maak, uitgedrukt in een zaligheid, die niet hier, maar alleen in hogere sferen in geestelijke omhulling mogelijk zal zijn te verdragen.

 

Mozes bouwde in de Mozaïsche wet zijn onomstotelijke grondstel­lingen van de Joodse godsdienst op de ene idee: Er is slechts één God! En daardoor was het Joodse volk - en geen ander - geschikt om Mij in de toekomst tot de zijnen te kunnen rekenen. Want omdat in die tijd overal veelgodendom heerste, zou het onmogelijk geweest zijn om alle goden in één keer te verwijderen en daar een enkele voor in de plaats te zetten. Bij de Joden echter bestond de éne God; daarom had dus bij hen de opbouw van een goddelijke religie gemakkelijker plaats. Zo was Mozes een voorbereider, zoals een arbeider in de wijngaard, die de aarde omspit. Na hem kwam diegene die de druivenstok snoeit, dat was Elia. Hij snoeide in zijn tijd, - en later nogmaals als Johannes de Doper - de druiventakken en bevorderde door deze snoei de vitaliteit om betere vruchten voort te brengen, opdat dan de oogster met zijn voorwerkers tevreden zou zijn.

 

Zo was Johannes de Doper de tweede arbeider in Mijn wijngaard, totdat Ik zelf kwam en de laatste hand legde, het ontbrekende aanvulde en de vrucht tot rijpheid bracht, dat wil zeggen: dat Ik uit de in ontbindingstoestand rond de stam van de druivenstok liggende aarde nieuw leven opriep, dat zich via de stam verfijnde en van de grove materie tot de hogere, geestelijke vrucht. De druif werd gerijpt en opgevoed.

 

Zoals Mozes voorheen, was Petrus later de rots waarop Mijn kerk werd gegrondvest. Alle omwentelingen en stormen konden haar niet vernietigen. Zij werd weliswaar vaak genoeg verminkt door de heers­zuchtende macht van enkele mensen; maar zoals eens voor Mijn apostelen Mijn verheerlijking werd toegelaten, waarbij door Mijn aardse vorm heen Mijn geestelijk, goddelijke scheen, zo gebeurt het ook nu: uit de aardse pronk en de ceremoniën van de katholieke cultus en zijn dwaalleer begint het geestelijke gewaad door te schijnen. De verheldering en verlichting begint. Uit de nacht komt de schemering voort, en uit de schemering - de dag!

 

Het licht van de zo lang achtergehouden waarheid breekt door. In alle gemoederen leeft het vermoeden van een hogere vervoering, een verlichting. Allen voelen de geestelijke wind, die door het wereldlijke heen waait en de slapenden wekt. Zoals wanneer een lichtstraal door het raam op een slapende valt en deze, door diens levenskracht gewekt, zich in zijn bed begint om te draaien en toch niet weet wat er met hem gebeurt, - zo breekt deze verlichting aan. Het schemert reeds in vele hoofden. Mozes bereidde het met hem levende Joodse volk op Mijn ontvangst voor; Petrus het na hem komende geslacht en de in de huidige tijd door Mijn leer begeesterde leraren, die nog komen; deze zullen de Johannessen zijn, die - zoals eens Mijn discipel - ook Mijn geliefden worden en tot op hun oude dag getuigen van Mijn liefde en Mijn genade zullen zijn. Zo voltrekt zich telkens een soortgelijk geestelijk louteringsproces, allereerst van het vaste tot het lichtere, dan van het lichtere tot het vluchtige en van het vluchtige tot het etherische en uiteindelijk tot het geestelijke!’ – (Predikingen van de Heer 1-14 – Mattheüs 17:1-13)

www.zelfbeschouwing.info