Petrus’ Apostelschap

 

Judas vraagt Petrus wijn te halen

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Toen Judas hem vroeg om wijn te halen, zei Petrus: ‘Je weet toch net zo goed als ik, dat ik niemand heb om te sturen! Ga er zelf heen en toen zag Judas daar vanaf. Want de vissersknechten van Petrus, zijn vrouw, kinderen en schoondochter hebben het hier te druk. (GJE1-101) Ook in deze tekst komt duidelijk over, dat Petrus meer kinderen had die waarschijnlijk nog niet gehuwd waren.

 

Storm op het meer

Toen ze inmiddels op zee waren maakte Petrus voor de Heer boven in zijn schip een bed klaar. Jezus was lichamelijk moe. De nacht ervoor had Hij gewaakt en niet geslapen. Eerst was de zee rustig, maar spoedig begon het te stormen. Iedereen werd bang, zelfs Petrus voor de overslaande golven in het schip, vooral bij het middelste en laagste deel van de grote boot. Toen Jezus op de angstroepende zeelieden de wind gebood zich stil te houden zei Hij: ‘Wie is er belangrijker: “de storm of de Heer over de storm?’ Er waren ook een groot aantal handelslieden op het schip van Petrus (die meevoeren), die zich erg verwonderden over Jezus daad. Daarna kwam Jezus in Gadara en genas bezetenen. Van daar ging Hij naar Nazareth. (Matth. 9:1). - (GJE1-103) – ook Mattheüs 8:28-34, Markus 4:35-41 en Lukas 8:22-25. Opmerking: het schip moet honderden passagiers meegevoerd hebben. De boot, gevonden door archeologische onderzoekers, waarover we in het begin van dit boek al schreven, staat dus in contrast met de destijdse boot van Petrus.

 

Petrus, symbool voor korenschop

Petrus is in gesprek met Simon van Kana over de toekomstige leer van Jezus, waar hij zich zorgen over maakt en zegt, dat deze leer nooit gestand kan houden en gedegradeerd zal worden in hondenvoer. Daarop zegt de Heer: ’Doe nu wat je opgedragen wordt. Over de uitwerking van Mijn leer hoef jij je geen zorgen te maken. Je zult als een kunstwerk (korenschop) gebruikt worden naast anderen. De mensen van de wereld zijn als tarwe, gerst en rogge. Zij moeten gereinigd worden als het kaf en vuil om als schoon koren in de eeuwige schuren van de Vader gebracht te worden. Daarom ben jij en anderen hiervoor bestemd. Petrus vraagt daarop naar de identiteit van Zijn Meester of Hij de Vader, ook de korenschop is. (GJE1-109)  Opmerking: Wanneer we de volgorde van de Johannes Openbaringen aanhouden,  is er uiteraard – en dat spreekt ook voor zichzelf -  meer gebeurd dan staat vermeld.

 

We moeten echter niet vergeten, dat destijds de essentie van zo’n verhaal werd weergegeven en  op Petrus alleen betrekking had. Andere en volledige gebeurtenissen kan men nalezen in de NO van Lorber. Als Jezus het over de toekomst heeft en dat vervolgens met Zijn discipelen bespreekt, hoe het bijvoorbeeld over 2000 jaar zal zijn, dan geeft een eenvoudige rekensom: 30 (leeftijd van Jezus!) + 2000 = 2030. Aangezien de telling ongeveer 6 of 7 jaar voor Christus begon, trekken we er zes of zeven vanaf, dus 2030-6 of -7=2024 of 2023. (Of 24 n. Chr. + 2000 = 2024)- Hoewel de Heer spreekt over een bijna 1000 of een bijna 2000 jaar, zou een restant, dat in de Bijbel vaak wordt weergegeven door tien jaar, hier misschien 10 van afgetrokken kunnen worden. Daarmee komen we op 2024 of 2023-10=2014 of 2013. Het zou dus best wel kunnen, dat de Heer rond die periode als een ‘dief in de nacht’ terugkomt, geheel plots, en voor velen onverwacht. In deze periode zitten we eigenlijk nu al!

 

Genezing van Griekse vrouw en dochter van Jairus

De Heer wilde met Petrus op zee maar veel mensen roeiden naar het schip van Petrus. Nu was het hoofd van een school, een Farizeeër – en zo later bleek – ook het hoofd van de synagoge, één van die velen, die het schip van Petrus naroeiden. Dus bereikte ook hij dat schip en smeekte de Heer of Hij zijn dochtertje, dat op sterven lag, wilde genezen. Daarop zei de Heer: ‘Petrus, gooi het roer om’. Het was intussen nog wel een uur lopen naar het mooie landhuis van deze Farizeeër, dat vlak bij Kapernaüm lag. Jezus en de Zijnen deden er wel drie uur over, hoewel dit huis maar een uur lopen verder lag. Vanwaar dit oponthoud? In deze drukte raakte een Griekse vrouw het kleed van Jezus aan, waardoor ze beter werd. Haar overmatige menstruatievloeiing stopte onmiddellijk. Op de vraag wie Jezus aangeraakt had, antwoorden de discipelen enigszins geïrriteerd, dat dit toch normaal is in een dergelijke drukte!’

 

Lukas 8:43 En een vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden. Lukas 8:44 Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleed aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds. Lukas 8:45 En Jezus zei: ‘Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen ontkenden, zei Petrus en die met hem waren: ‘Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: ‘Wie is het, die Mij aangeraakt heeft?’ Maar Jezus zei: ‘Daar gaat het niet om, wel om degene die Mij aanraakte en die in Mij geloofde!’

 

Hierbij keek Hij de vrouw doordringend aan en zij viel voor Hem en bad om vergeving. Maar Jezus keek haar mild aan en zei: ‘Je geloof heeft je geholpen!’ Deze vrouw was ongehuwd en zij had zich vroeger seksueel ingelaten met een zinnelijke man, die haar omkocht voor twee ponden goud. (dat vergelijkbaar is met 50.000 Euro). Door haar niet te stoppen menstruatie, heeft ze al dit geld moeten uitgeven, totdat ze Jezus tegenkwam en Die haar daarvan genas. Daarmee had ze door de genade van Jezus haar schuld ook tegelijk afgelost.

 

Uiteindelijk bereikt Jezus het landhuis van het twaalfjarige dochtertje van Jairus, dat op sterven lag en de vader begeleidde hen door de grote menigte. Jairus was Farizeeër, zoals reeds beschreven! Ook hier treffen we een verhaal aan, dat gelijkt op de zieke schoondochter van Petrus. Markus 5:37 En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, de broeder van Jakobus. Lukas 8:51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.Toen de dochter van Jairus door Jezus genezen was, konden velen dit niet geloven. Petrus maakte hierdoor de opmerking: ‘jullie zijn blind; dit is nu een levend meisje, dat dood was. Is dit niet voldoende voor jullie?’ (GJE1-111-112)

 

Petrus leert Judas de les

Jezus ging terug naar Nazareth en met Hem zeker wel drieduizend mensen. Het was al erg laat in de nacht. Maria, die Jezus en de discipelen opwachtte, had een heerlijk avondmaal bereid, want zij hadden de hele dag niets gegeten sinds het ontbijt. Judas lag daar te slapen en werd door het gepraat wakker en vroeg Petrus, hoe het met de visvangst afgelopen was. Kijk maar naar buiten, zei deze. Judas zag wel de menigte, maar geen vissen om het huis. Hij vraagt alsnog aan Petrus, waar al die vissen dan wel zijn. Daarop reageert Petrus: ‘Je bent blind, behalve, wat je maag nodig heeft.

 

Die menigte, die je zojuist zag, dat zijn de heerlijke vissen. Judas: ‘Doe mij maar echte vissen en om die menigte geef ik niets!’ Nu verwijt Petrus hem, dat hij alleen maar op geld uit is en hij wrijft hem dan voor, dat hij het steeds was, die zijn familie vaak financieel ondersteunde, terwijl Judas intussen zijn verdiende geld voor zichzelf hield. Nathanaël maakte nog de slotopmerking, dat de geest van Kajin in hem leeft. Daarvan kan je geen verbetering verwachten. (GJE1-114) - Hierna geneest Jezus een lamme (Matth.9:2-9, Mc.2:1-12 & Luc.5:17-26 en ook iemand met jicht in Bethabara. (GJE1-116). Intussen wordt Mattheüs de tollenaar geroepen als schrijver en discipel (Marc.2:13-17, Mt.9:9-13 & Luc.5:27-32) – (GJE1-120).

 

Jaloerse collega’s van Petrus

Petrus ontmoette een paar vroegere collega’s. Deze echter waren discipelen gebleven van Johannes de Doper; zij waren  Jezus  niet  gevolgd. Mattheüs 9:14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: ‘Waarom vasten wij en de Farizeeën veel en uw discipelen niet? “Zij verwonderden zich erover bij Jezus, waarom Petrus en de anderen nooit vasten, maar met hartelust met Jezus aten. Petrus zei hierop: ‘Johannes heeft van de Heer getuigd, maar hij heeft Hem echter niet gevolgd. Als Johannes geloofd had in de Heer, dan zou hij het Lam zijn gevolgd, maar hij twijfelde aan Hem. Het is ons niet bekend dat Deze, Die wij volgden, hem ooit verboden heeft onze Heer te volgen”. (GJE1-122)

 

Petrus aangesteld tot apostel

Naast Petrus werden ook de andere discipelen aangesteld tot apostel. Mattheüs 10:1 En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. Mattheüs 10:2 De namen nu van de twaalf discipelen zijn deze: Simon, gezegd Petrus en Andreas, zijn broeder. Jacobus, de zoon van Zebedeus en Johannes zijn broeder. (enzovoort). Markus 3:16 En Simon gaf Hij de bijnaam Petrus. Lukas 6:13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde. Lukas 6:14 Namelijk Simon, die Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Fillippus en Bartholomeus.

 

1             Simon Petrus werd als eerste benoemd tot apostel en vervolgens:

2             Andreas, broer van Petrus;

3             Jacobus, zoon van Zebedeus;

4             Johannes, broer van Jacobus;

5             Philippus;

6             Barthomoleus;

7             Thomas;

8             Mattheüs, de tollenaar;

9             Jacobus, zoon van Alfeus;

10           Simon van Kana, de strijdbare (Zelotes);

11           Judas, broer van Jacobus

12           Judas Iskariot

 

Hierbij valt op dat Nathanaël niet wordt genoemd. Want hij was toch de derde persoon, die Jezus volgde. Zo werd aan allen de macht gegeven om onreine geesten uit te drijven en ziektes te genezen. Dit leek hen aanvankelijk niet te bevallen, maar Jezus formuleerde het zo, dat dit genezen vooral betrekking had na Zijn Hemelvaart. (GJE1-134) - Wat de namen van de apostelen betreft, daarover geeft Lukas meer informatie dan de Evangelist Mattheüs. Zij werden kort daarna ook daadwerkelijk voor een aantal weken uitgezonden. Opmerking: discipel komt van het Latijn ‘discipulus’ en betekent leerling. De 11e discipel is Judas, broer van Jacobus volgens Lucas 6:14, terwijl de andere Evangelisten (behalve Johannes) over deze Judas geen gewag maken, echter wel van Lebbeus ook genaamd Thaddeus.

 

Geen aanstoot geven aan onjuistheden in Evangeliën

In dit hoofdstuk vertelt Jezus, dat de Evangeliën Mattheüs en Johannes, op enkele kleinigheden na, toch de zuiverste zijn. De originele Evangeliën zijn wijselijk vernietigd, opdat er later hiervan geen historisch bewezen relikwie zou kunnen plaatsvinden. Hierbij denken we o.a. aan de gevonden teksten van Judas, die door de wereld vergeleken wordt met Judas de verrader. Men denkt, dat het Bijbelse boekdeel Judas geschreven zou zijn door Judas Iskariot, die Jezus verraden heeft. Dat deze dwaling niet gezien wordt, getuigt van een algemeen geestelijke blindheid van het overgrote deel der mensheid. De geest van de originele afschriften is echter wel bewaard gebleven. De Heer kan zulks zo weer doen laten citeren, (zoals bij Lorber het geval) als de tijd daarvoor rijp is. Zo kan de Heer Zich in elke vorm manifesteren, ook met afschriftwoorden! (GJE1-134)

 

Vrouw droogt voeten van Jezus

Lukas 7:40 En Jezus antwoordende, zei tot hem: ‘Simon! Ik heb je wat te zeggen!’En hij sprak: ‘Meester! Zeg het!’ Lukas 7:43 En Simon antwoordende, zei: ‘Ik acht, dat hij het (is), dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En hij zei tot hem: ‘Gij hebt recht geoordeeld!’ Lukas 7:44 En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zei tot Simon: ‘Ziet gij deze vrouw? Ik ben in jouw huis gekomen; water heb je niet tot Mijn voeten gegeven: maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd!’ Opmerking: Dit verhaal komt alleen in Lukas voor!

 

Apostelen voorbereiding zendelingschap

Jezus geeft de Zijnen nu instructies hoe ze het beste over Zijn leer kunnen vertellen. Hij gaf vooraf een paar waardevolle woorden, zoals we die aantreffen in Mattheüs 10:41,42. De apostelen krijgen ongeveer zeven weken de tijd om in verschillende steden of dorpen over de leer van Jezus te getuigen. Petrus vraagt nog of ze met hun twaalven of ieder voor zich moeten uitgaan. Jezus zegt, dat het beter te gaan is in groepjes van twee of drie personen. (GJE1-135)

 

“Toen de apostelen door Jezus werden uitgezonden kwamen ze na enkele uren aan bij een marktplaatsje met hartverscheurend huilende mensen. Deze waren geplunderd. Hun kinderen, dieren en bezit werden meegenomen in opdracht van Herodes, die belastingafpersers had aangesteld. Toen de apostelen de gruweldaden zagen, baden ze tot Jezus en vernamen toen duidelijk Zijn woorden in hun hart. Zij spraken de bewoners hiermee toe en troostte hen en gingen met de dorpsbewoners de colonne achterna naar het volgende stadje. De leider van de belastingsafpersers werd hiermee door Petrus geconfronteerd. Maar deze spotte en dreigde Petrus, waarop Petrus zei: ‘U bent geen mens, maar een verscheurend dier, moge het gericht van God u treffen!’

 

Onmiddellijk werd deze door vuur uit de aarde verteerd. Dit zagen zijn handlangers en vielen neer voor de voeten van Petrus. De kinderen, dieren en al het bezit van de mensen werden vrijgegeven. Hierna sprak Petrus met hen. En zij schaamden zich over hun dwaze daden en domheden, ook ten aanzien van Herodes. Zij werden zelfs actief in het verbreiden van de leer van Jezus. De leerlingen doopten in naam van de Heer, hoewel zij hiervoor geen opdracht gekregen hadden. Maar zij wisten wel, dat dit niet tegen Zijn wil was. Hierna ging Jezus naar de Galilese zee en naar de berg van Kis”. (GJE1-142) - Mattheüs 11:1 En het is geschied, toen Jezus geëindigd had Zijn twaalf discipelen bevelen te geven….-‘Hierna zond Johannes de doper (die in de gevangenis zat) twee van zijn discipelen naar Jezus om te vragen of Hij Degene was, Die komen zou.’

 

Scherpe woorden niet helend

Petrus vindt Thomas wel een beetje hard overkomen naar aanleiding over Judas, die nooit zijn mond kan houden in het bijzijn van de Heer en ook niet bij anderen. ‘Als wij iets op elkaar aan te merken hebben, zegt Petrus, moeten wij het scherpe en bittere vermijden’. Daarop zegt Jezus: ‘Zo is het goed, beste Simon Jona. Zo moet het ook bij jullie zijn en tenslotte bij alle mensen!’ ‘Als je een wond hebt, dan leg je daar niet iets scherps op,  je maakt de wond dan alleen maar groter’. Hierna gaat Jezus naar de Galilese zee en geneest een bezeten man. Vandaar naar Jesaira. (GJE1-177)

 

Het echte vasten

Petrus is verbaasd over het menselijk lichaam, dat gevoed wordt met afval van de ziel. De ziel heeft ook een maag en anus! Als de mens zwelgt en brast met eten, dan wordt zijn ziel zinnelijk en daardoor stoffelijk en dus overladen. Het lichaam kan niet al het afval van de ziel opnemen. Er blijft in de ziel (bij overmatig eten) veel achter. In zo’n geval wordt er druk op de ziel geoefend. De ziel zoekt een soort escape om de gestuwde afval, vaak via ontuchtvormen, te laten verdwijnen. Het gevaar hierbij is, dat de ziel daardoor wellustig wordt. Op deze wijze ontstaat zinnelijkheid, gevoelloosheid en narcisme.

 

Daarom zegt de Heer: ‘Wees matig met eten en drinken, zodat je ziel niet ziek wordt en te gronde gaat in haar afval!’ Petrus zegt: ‘Dan kun je beter maar gaan vasten!’ Ja, zegt de Heer: ‘Wie op de juiste tijd vast, handelt beter, dan degene, die teveel eet. Het echte vasten is zich onthouden van alle mogelijke zonden. Al het andere vasten heeft weinig of geen zin. (Opmerking: voor de zielegroei!) Het helpt niet om door lichamelijke kastijding de geestenwereld binnen te dringen. Kastijding is zelfs schadelijk, (bijvoorbeeld ook door drugs). Leef volgens de ware orde, zei Jezus,  zoals ook Ik leefde op de aarde. Dat zal zich dan voorspoedig ontwikkelen tot een levend zelfbewustzijn’. Daarrna gaat Jezus naar het dal van Kana (GJE1-207)

Weg tot wedergeboorte

Terwijl Jezus in Kis verblijft, vinden er weer genezingen plaats en allerlei activiteiten. De leer die Jezus aan veel mensen te berde brengt, maakt op velen grote indruk. In dit hoofdstuk stelt Petrus dezelfde vraag, die ook Nikodemus eens aan Jezus vroeg, of de mens opnieuw geboren moet worden via het lichaam van een nieuwe vrouw. De Heer adviseert vooral Zijn leer te hanteren en ook na te streven door goede levensoefeningen te doen. De mens moet heer worden over zijn hartstochten, ook over de materie. In het hiernamaals kan de Heer iedere geest vrijmaken zoals bij Petrus, mits men zijn best doet om aan Zijn leer zo zuiver mogelijk te voldoen. (GJE1-226)

 

Petrus in gesprek met Roban

Roban is een zoeker en vraagt Petrus of deze ook onbegrijpelijke dingen kan doen. Petrus reageert, als dat nodig is, hij zeker door de kracht van de Heer bepaalde daden kan verrichten, die het menselijke verstand te boven gaan. Maar hier geldt de liefde als wet. De wijsheid voert deze dan uit. Als Roban dan vraagt of satan onmerkbaar ertussen komt, zegt Petrus: ‘Hoe kan satan daar deel aan hebben, als God Zelf de hoogste invloed heeft?’ (GJE2-36) - (Opmerking: Nathanaël wordt rond deze periode nog één keer genoemd, daarna verschijnt hij gedurende drie jaren niet meer publiekelijk).

 

Petrus vergeet, dat bij de Heer alles mogelijk is

Petrus en Nathanaël vragen de Heer of zij het ontbrekende vistuig bij andere collega’s moeten lenen, die ook aan het meer werkzaam waren. De Heer: ‘Dat is niet nodig, maar wat wel nodig is, dat jullie je geheugen moeten opfrissen!’. Zij waren namelijk vergeten, dat Jezus hun Heer is, bij Wie niets onmogelijk is. Jezus zegt verder: ‘Je kunt beter dit gezelschap uitleg geven over de macht en de kracht van God, die ook in de mens is!(GJE2-40) - (Opmerking: eerst legt Petrus Roban uit, dat bij de Heer alles mogelijk is, verderop vergeet hij de macht van de Heer).

 

Denken via het hart

Petrus geeft Cyrenius een duidelijk antwoord op zijn vraag. Cyrenius vraagt Petrus of hij weet, wat de wedergeboorte van de geest in het hart feitelijk inhoudt. Petrus zegt: ‘Vraag het aan je hart, dan zul je daar meer vinden, dan dat ik je in honderd jaar kan antwoorden!’ In ons hart vragen wij de Heer constant over alles en zie, Hij antwoordt in heldere en goed verstaanbare gedachten. Een antwoord van Hem in je hart is al een deel van je leven. Het uiterlijke woord moet een deel van je leven worden door de daad en ter wille van het oefenen van de ziel. De satan met zijn scherpe gehoor is nooit in staat om dat te horen”. (GJE2-62) - (Opmerking: Daarom heeft een innerlijk gebed tot God ook meer de voorkeur, dan luid op te bidden).

 

Teveel kennis niet goed voor ziel en geest

De leerlingen van Jezus zaten over een bepaald persoon te bakkeleien en wilden hun nieuwsgierigheid tevreden stellen. Maria echter merkte hun ongeduld op en zei: ‘Je krijgt toch wat je nodig hebt, doe wat de Heer tegen jullie zegt en wens niet meer te weten, wat Hij voor jullie noodzakelijk acht!’ (Opmerking: Deze woorden zei Maria ook eens tegen de dienaren op de bruiloft te Kana: ‘Doe wat de Heer tegen jullie zegt!’ Maar ondanks de wijze woorden van Maria voeren de leerlingen hun gesprek verder met elkaar) - Johannes wijst hen er nu op en zegt: ‘Hebben jullie dan niet de vriendelijke woorden van de verheven moeder gehoord?’

 

Petrus zegt: ‘Je hebt gelijk, maar weetgierigheid is ook een groot goed, dat door de Heer Zelf in ons hart is gelegd. Mijn huidige dorst naar kennis is geen zonde. Het vergaat als snoeplustige kinderen, die je iets verbiedt en dan zullen ze er nog meer van watertanden. Wel moeten we zeker eerst oefenen in de deugd der zelfverloochening, totdat we een bepaalde graad hiervan bereikt hebben voor onze ziel. Eerst dan pas laat de hemelse Vader ons ervan genieten!’ Daarop zegt Jezus: ‘beste broeder Simon Juda, dat is juist en waarachtig. Niet iedere kennis en ervaring deugt voor de opwekking van de geest en tot stimulering van de ziel (boom der kennis waarvan je niet mag eten). De wet en het oordeel zijn afhankelijk van kennis!’ (GJE2-73)

 

Ongewild op zee

Petrus en de andere leerlingen worden door Jezus de zee opgestuurd. Jezus zou hen later nakomen. De zee was echter al woest. De leerlingen waren somber gestemd. Met tegenzin gingen ze de zee op. Petrus foeterde op Jezus. Kon hun Meester niets anders bedenken voor hen dan een zekere dood in de golven te vinden. Petrus was een ervaren visser en kon uit ervaring spreken. Een beetje vreemd vond hij dat. Hij durfde ook niet verder te roeien vanwege de ondiepe wateren (zandbanken en klippen). Als vergrijsde schipper kon hij niet instaan voor een goede afloop. (GJE2-96) De schippersknechten waren al uitgeput van het onafgebroken roeien, dat ze al vijf uren deden. Nathanaël oppert om terug te gaan, want misschien is de Heer al in handen gevallen van Herodes.

 

Petrus zegt: ‘Weet je nog meer van zulke uitspraken? Hij doet alle hemelen en elementen gehoorzamen en zeker die knechten van Herodes! Ook Johannes uit zich positief. ‘We kunnen wel stoppen met roeien, want het schip komt geen meter verder’, zegt hij. Petrus: ‘Ja, je hebt gelijk!’ Hij zegt tegen de knechten zich niet meer zo in te spannen. Maar deze zagen een enorme branding langs de kust met wit schuim op de golven. ‘We moeten op volle zee blijven tot morgenvroeg, anders vergaan we, zeggen ze!’ Petrus zegt: ‘Dan zouden wij geen leerlingen meer van de almachtige Heer moeten zijn. Maar wij zijn Zijn leerlingen. De storm zal ons niets doen of we nu wel of niet roeien.’ De knechten begonnen daarop geleidelijk minder te roeien en merkten, dat ook zonder te roeien het schip op volle zee blijft. Dan beginnen ze te geloven, dat het schip werkelijk door de kracht van de Heer in volle zee blijft. (GJE2-100)

 

Petrus loopt over de golven van de zee

Andreas die scherpziende ogen had tuurde over het nog hevig bewogen zeeoppervlak. Hij zag iemand over de golven van de zee wandelen (Matth.14:25). Hij zegt tegen de anderen, dat dit geen goed teken is, want het is een zeespook (Matth. 14:26). Nu werden allen zeer bevreesd en baden tot de Heer, denkend, dat hun laatste uur geslagen was. Toen naderde Jezus het schip tot op tien passen en zei tegen hen: ‘Troost je, Ik ben het immers, wees niet bang!’ (Matth. 14:27) Petrus twijfelde of het wel de Heer was en zei: ‘Als Hij het is, dan wil ik naar Hem toelopen op het water, als Hij dit van me wil. De overige toeloop kennen we uit de Bijbel. Jezus zei tegen hem: "Kom en overtuig je!-’ Mattheüs 14:28,29 En Petrus antwoordde Hem, en zei: ‘Heer! Indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water’. En Hij zei: ‘Kom!’ En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen. “De anderen zagen nu, dat Petrus niet zonk op de golven en geloofden, dat het de Heer was. Maar Petrus haastte zich om bij Hem te komen.

 

Toen hij echter nog maar zeven kleine pasjes van de Heer verwijderd was, voelde hij een windvlaag aankomen, die grote golven voor zich uit joeg. Daarvan schrok hij zo geweldig, dat hij begon te denken, dat de hoge golven hem misschien toch mee zouden sleuren. Daardoor verloor hij iets van het vaste geloof en merkte, dat hij al tot over zijn knieën in het water verdween. Toen begon hij hartverscheurend te roepen: "Heer, help mij!" (Matth. 14:30) Jezus stapte snel naar hem toe, strekte Zijn hand naar hem uit, trok hem omhoog en zette hem weer op de oppervlakte van het water, die hem nu weer net als daarvoor droeg, -zei echter tegen hem: "O kleingelovige! Waarom twijfel je? (Matth. 14:31) Johannes omhelsde Zijn Meester en zei: ‘O Jezus van mij, dat we U weer terughebben! Nu is al onze angst weg. Verlaat ons nooit meer, want het is echt verschrikkelijk om zonder U te zijn, zoveel angst en schrik heb ik nog nooit doorstaan!’ (GJE2-101)

 

Petrus en de zijnen begrijpen Jezus’ uitspraak niet

Mattheüs 15:15-20 En Petrus, antwoordende, zei tot Hem: ‘Verklaar ons deze gelijkenis’.‘Wat de mond in gaat verontreinigt de mens niet, maar wel wat de mond uitgaat!’ Deze woorden zei de Heer tegen Zijn discipelen. Toen Petrus Hem om een verklaring vroeg zei Jezus: ‘Wat de mond uitgaat, komt uit het hart en verontreinigt de mens! Want uit het hart komen slechte gedachten, die verontreinigen de mens, maar eten met ongewassen handen niet!’ Tegen Mattheüs zei Jezus: ‘Schrijf de spijziging in de woestijn op, de nachtelijke tocht en wat er vandaag is gebeurd, maar wel kernachtig. Laat al het andere voorlopig maar weg. Want dit is een wezenlijk stuk van het Evangelie. (GJE2-128)

 

Judas in gesprek met Petrus over veiligheid Jezus

Judas twijfelt over de veiligheid van de Heer in het openbaar. Hij is hierover in gesprek met Petrus. Jezus leerde en doopte eerst aan de kleine Jordaan, ook in het kleine Bethabara. Daar was hij nog veilig. Maar toen Hij pas drie maanden geleden naar de grote Jordaan en de grote woestenij van Bethabara ging, was Hij snel een offergezochte van de tempeldienaars. Petrus zegt dan tegen Judas, dat de Heer de harten der mensen van verre kent en gesmede plannen van de niet notabele priesters zeker weet te vermijden. (GJE2-128)  (Opmerking: historisch gezien zijn we dan ca. drie maanden verder in de tijd!)

 

Een wonderlijke droom en ongehoorde wonderen

De Engel Raphael wekt op een wenk van Jezus eerst Petrus. Het leek Petrus toe of hij de hele nacht wakker was, terwijl hij toch vast geslapen had. Petrus herinnert zich een wonderlijke droom en ongehoorde wonderen. Het blijkt dat ook zijn metgezellen hetzelfde hebben gedroomd, behalve Judas. Deze oppert, dat hij steeds klaar wakker was en in gesprek was met Petrus. Maar Petrus weet van niets en kan zich zelfs het voorval van Judas niet herinneren. Judas begon in dat gesprek zich aan Petrus te ergeren over een paar geldstukken, waar Petrus hem van beschuldigde. In dat gesprek wilde Judas hem over een rotswand naar beneden de zee in duwen, omdat Petrus gezegd had, dat zulke wonderen hem ook en de anderen niet tegenhouden om hen voor een paar zilverstukken te verraden. (GJE2-143)

 

De stem van de Heer in ons hart

De Heer zegt tegen Petrus, “dat het goed is om met Hem in het hart te kunnen spreken, zoals toch gebruikelijk. Waarom doet hij dat nu luid of hardop? Jullie zouden als ‘meesters’ immers toch moeten weten, dat Ik ieder vragende stil in het hart antwoord kan geven. Het ligt echter aan jullie gewoonte om met Mij hardop te praten, zelfs in het bijzijn van hen, die zich hierover wat verbazen. Dan vraagt Petrus: ‘Mogen wij dan nooit meer hardop met U praten?’ Jezus zegt: ‘O ja, maar alles op zijn tijd en wanneer Ik je dat aangeef!’ De leerlingen gaan dan naar de twee Essenen en een groep Farizeeën en zij verontschuldigen zich over hun luide verbale vragen aan hun Meester. De twee Essenen zeggen, dat ze dat al dachten, want zij hebben van Petrus en de anderen geleerd, dat hun vragen aan de Heer via het hart direct duidelijk door de Heer beantwoord wordt.

Vroeger dachten zij nog, dat de aarde de enige planeet in het universum was. De enige naar hun voorstelbare begrippen eindeloos grote werelden, waarvan de wateren tot aan het firmament raakten. Zij dachten, dat de zon, maan en sterren er alleen maar waren om met hun licht de aarde te verlichten. Nu weten zij beter, hoe klein deze aarde ook is, dit te vergelijken is met een zonnebad. Hun vraag is, waaraan deze aarde, dit klein zandkorreltje in het universum, deze genade aan te danken heeft? Deze vraag zal nog eens zeer belangrijk worden en velen zullen zich daar enorm aan stoten! (GJE2-147)

 

Een moeder vraagt Jezus haar bezeten dochter te genezen

Jezus wandelt op de grens van het gebied van Tyrus. Onderweg ontmoet Hij, samen met Petrus en Zijn leerlingen, een Griekse vrouw van geboorte, die in Galilea te Kana geboren is. Petrus herinnert zich deze vrouw, die hij vijftien jaar geleden vaak vis heeft verkocht. De vrouw valt neer voor de voeten van Jezus en zegt: ‘Heer, help mij!’ Hierop zegt Jezus tegen haar: ‘Het is niet netjes om brood van de kinderen af te nemen en het voor de honden te gooien!’  (Mattheüs 15:26). De vrouw zegt dan: ‘Ja Heer, maar toch eten de honden de broodkruimels, die van de tafel van hun meester vallen!’ Allen waren erg verbaasd en Petrus zei zachtjes: ‘Dat is kras, zoveel wijsheid ben ik maar zelden bij een Jodin tegengekomen!’ Daarop zei Jezus: ‘O vrouw, je geloof is groot, jou geschiede zoals je wilt!’ En de moeder vond haar dochter gezond. Inwoners van haar huis zeiden tegen de moeder, hoe ze zagen, dat de duivel onder geweldig razen en vloeken een half uur eerder verdwenen was uit het ongeveer veertien jarige meisje, dat zeven jaar dagelijks zeven uren lang werd gefolterd (Mattheüs 15:28). De vrouw begreep, dat dit op hetzelfde moment gebeurde als de Heer zei: ‘Groot is je geloof, het geschiede naar je wens!’ (GJE2-168)

 

Petrus vraag over bezetenheid

Petrus begrijpt niet waarom vooral onschuldige kinderen door een slechte duivelse bewoner in hun lichaam op erbarmelijke wijze gekweld worden. Jezus zegt, “dat de aarde twee bewoners kent: ‘Kinderen van boven (het licht) en kinderen van aards luciferische gezindheid. Deze laatsten hebben een ziel van afzonderlijke levensdeeltjes. Deze zijn geëvolueerd door de plantenwereld naar de dierenwereld tot een potentieel wereldse zielskracht via de bekende geboorte. Vooral zulke zielen lopen gauwer het gevaar bezeten te worden door een gestorven mens, waarin een duivel woonde. Vooral als de jonge ziel, die uit satanische (luciferische) aardedeeltjes is gevormd, zich dan verbetert. Hierdoor scheurt een stukje leven af van de helse sfeer en dat wordt in die helse sfeer gemeenschappelijk gevoeld. Dat is hetzelfde als je één klein haartje uit je hoofd trekt en dat je hele lichaam dat vreselijk vindt.

 

Een goede kant aan het bezeten en gekwelde lichaam is de zuivering van de ziel. Er komt dan op tijd hulp van boven. De meeste ziekten die mensen moeten doorstaan zijn niets dan hinderpalen, om te voorkomen, dat de ziel één zou worden met het lichaam. Kinderen van het licht, wiens ziel aan het lichamelijke wil hangen, krijgen hun lijden veroorzaakt uit de hemelen. Kinderen van de wereld ontvangen hun kwellingen van de satanische kwelgeesten. Van oorsprong zijn dit hellepijnen, hoewel dit natuurlijk ook door de hemelen worden geleid. Het lichaam van een werelds kind moet die als een volledig deel van de hel meelijden, als de hel een stekende pijn voelt en wanneer de geweldige invloed van de hemel een deel van haar leven grondig wegrukt!’ (GJE2-169)

 

De verborgen bron

“Jezus beklimt samen met Petrus en Zijn leerlingen de vierduizend voet (1200 meter) hoge Genezareth berg. Op deze berg wil Hij drie volle dagen blijven om vele zieke mensen te genezen. Een vrouw had Hem al gezien en dat zorgde de volgende dag een bezoek van duizenden mensen voor Jezus. Omdat ze geen brood hadden vroeg Jezus brood te halen. Petrus ging de volgende ochtend drie uur voor zonsopgang met tien personen naar beneden. Hij vond een schip, beladen met vers brood en vers gebraden vis, dat uit Magdala afkomstig was en koers wilde zetten naar Jesaira. Hij kocht een kwart van deze lading en de jonge Mattheüs, de tollenaar betaalde al het eten.

 

Omdat er geen water op de berg was, vroegen Petrus en Johannes de Heer of Hij, Die meer is dan Mozes, voor water wilde zorgen. Jezus zegt: ‘Leggen jullie je handen op die witte rotsblok, die jullie op het oog hebben en als je voldoende geloof hebt, beveel dan in Mijn Naam water te geven. Toen zij dat deden, gaf de steen geen water. Pas na een uur de handen erop gelegd te hebben, begon de grote steen zich te bewegen en te verschuiven, meer dan tien passen van zijn plek. Heel lang geleden was dit rotsblok als meteoor neergevallen. Toen was de enige waterbron van deze berg versperd, zodat er nooit meer water uit kon komen.

 

Nu kwam meteen het beste en zeer overvloedige water uit de oude bron. Tot op heden bestaat deze bron nog! Nu legden ook de andere leerlingen hun handen op de steen, maar de steen bewoog zich niet verder. Als echter Petrus en Johannes hun handen er weer oplegden, bewoog deze weer. De andere leerlingen vroegen Jezus, waarom dit niet bij hen gebeurt. Dan zegt Jezus: ‘Jullie geloof is hier en daar nog wat wormstekig en mist de ware kracht. Jullie zullen het eens wel kunnen!’ “Vanaf deze berg hadden zij een prachtig uitzicht op de oever van de Middellandse zee en ze zagen ook de torens van Sidon en Tyrus en nog veel meer plaatsen. Deze berg wedijvert met diverse veel hogere bergen. Het plateau waar ze zaten was erg ruim en er kon daar gemakkelijk een stad op gebouwd worden”. (GJE2-170)

 

Petrus getuigenis over de Heer

Mattheüs 16:16 En Simon Petrus, antwoordende, zei: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods’. Markus 8:29 En Hij zei tot hen: ‘Maar gijlieden, wie zegt gij, dat Ik ben? En Petrus antwoordde: ‘U bent de Christus!’ Lukas 9:20 En Hij zei tot hen: ‘Maar gijlieden, wie zegt gij, dat Ik ben?’ En Petrus antwoordde: ‘De Christus Gods!’ Petrus merkt, dat zijn broeders een diverse mening hebben over hun Meester. Hij vraagt Jezus dan of ook hij zijn mening mag geven en voor iedereen duidelijk hoorbaar over Hem getuigen. Jezus zegt: ‘Doe dat, hoe luiden dan jouw woorden?’ Hierop zegt Petrus: ‘Uit het diepste van mijn innerlijk erken ik voor de hele wereld, dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God!’ Jezus zegt dan, wat in het navolgende staat: Mattheüs 16:17 En Jezus antwoorde hem: ‘Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! Want vlees en bloed heeft je dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is!’ Dan wordt Petrus door Jezus een rots genoemd, waarop de Heer Zijn gemeente wil bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Hij, Petrus zal zelfs de sleutel van het hemelrijk krijgen (Mattheüs 16:17-19). Hierop bedankt Petrus de Heer voor deze grote genade. Jezus gebood allen nadrukkelijk om niemand daarover iets te zeggen, dat Hij de ware Christus is. (Mattheüs 16:20).Mattheüs de schrijver noteert op aanwijzing van Jezus de belangrijkste feiten en de Heer gaf hem deze woorden in zijn hart. (GJE2-176)

 

De beperktheid van het menselijke begrip

De Goddelijke wijsheid zal zich nooit aan de wijsheid van een mens aanpassen, zegt Johannes in gesprek met Petrus. En hij vraagt verder waarom er zoveel planten, dieren, vruchten en zo meer van die dingen zijn, waarvan niemand eigenlijk het ware nut weet. Petrus zegt hier niets in te kunnen brengen, hoewel het soms lijkt dat 2+2 zeven is. Jezus sommeert Petrus zijn kleine net in zee te werpen. Petrus haalt het net dan weer terug en Jezus vraagt hem hoeveel vissen er in zitten. Petrus telt vier vissen en hij moet nog eens dat net in zee werpen en weer ophalen. Nu zitten er zeven vissen in. ‘Hoeveel zitten er nu in?’ Natuurlijk nog vier, zegt Petrus!’ Jezus zegt dan tegen hem: ‘Zeg in het vervolg niet zulke domme dingen. Het is beter te zwijgen dan te kletsen, anders ben je niet beter dan de blinde Farizeeën.

 

Petrus dan voelt zich gepikeerd door het wrange standje van Jezus en laat dit Zijn Meester ook blijken. Hij voelt zich nu slachtoffer van de strengheid van Jezus en wordt er verdrietig van en keert  Jezus de rug toe. Met een weemoedige blik kijkt hij naar de zee. Dan komt Johannes bij hem en zegt, dat hij wel begrijpt, hoe moeilijk hij het nu heeft na de overigens zachte terechtwijzing van de Heer. Petrus, zo zegt Johannes, jij bent volgens de Heer onder ons de sterkste en een echte rots, maar je hebt nu te lijden onder je eigenwaarde of hoogmoedigheid. Dat zal het zijn, wat de Heer met veel van Zijn deemoedigende opmerkingen ten opzichte van jou bij je wil weghalen. Ik heb dit al vaker bij je waargenomen, maar er deed zich nooit een goede gelegenheid voor om je dit te zeggen.

 

Het lijkt mij alsof de Heer wil, dat ieder mens eerst volkomen zichzelf moet vinden, voordat de Heer in het hart van de mens kan wonen. De Heer zegt niemand rechtstreeks wat hij fout doet in zijn leven, maar geeft hem indirect bepaalde schokkende ervaringen. Daardoor dwingt Hij de ziel zichzelf nader te bekijken. Hierop zegt Petrus: ‘Je onderkent van ons het diepst en scherpst de wil van de Heer. Jouw woord zal voor mij in het vervolg zeer zwaar wegen. (De Heer gaf Johannes deze woorden innerlijk in zijn hart  - en dat wist Petrus niet). Dan kijkt Petrus dankbaar naar Jezus en Deze geeft hem een vriendelijke blik en het signaal om de zonen van Marcus te helpen met het grote net in de zee. Dit doet Petrus met groot genoegen, want die ene blik van de Heer betekent voor hem meer dan alle schatten ter wereld. De boodschap van dit verhaal is, dat dit ook zo moet zijn bij alle mensen, die de Heer waarachtig volgen om het ware eeuwige leven te bereiken.” (GJE2-188)

 

Uitleg over de zodiak

Petrus luistert met genoegen naar de eerste geschiedkundige van zijn tijd over de uitleg van de zodiak. Hij en de andere broeders zijn in menig opzicht op de achtergrond geschoven, wat kennis van zaken over de innerlijke betekenis daarvan betreft. ‘Wat de Heer iemand in een jaar geeft, kan Hij de ander in een dag geven!’, zegt Petrus. Mathael vertelt uitgebreid over de hele zodiak, waarvan één teken in dit hoofdstuk nader wordt beschreven. De beschrijvingen over de andere zodiaktekens kan men zelf nalezen in de Lorberwerken. ‘De hemel is in Egypte meestal helder en hier bij ons (in Israël) is het vaak zwaar bewolkt. Door de hitte sliep men in Egypte vaak overdag en ’s avonds werkte men in de koele nacht. Daarbij kon men gemakkelijk de lucht observeren en zo zag men vaak prachtige sterrenbeelden en gaven er namen aan, die te maken hadden met een natuurverschijnsel in die tijd.

 

Door herhaaldelijk de zodiak te bestuderen, kwam men tot de conclusie, dat zij één grote kring is. Wanneer men deze in twaalf gelijke delen verdeeld, is in ieder van de delen een afzonderlijk sterrenbeeld bevat. De dierenriem beweegt zich ook zo, dat de zon, die iedere dag om de dierenriem gaat, door de beweging van de dierenriem en dertig dagen onder een ander teken kwam te staan. In het jaargetijde met de kortste dag, dat vooral in Egypte vergezeld gaat met veel regen, bevind de zon zich volgens de berekening der ouden juist onder het sterrenbeeld, wat wij als Waterman kennen. De vorm ervan ontleende men aan de herder, die met zijn emmer naar de drinkwaterbak van de huisdieren loopt en de volle emmer daarin leeggooit. (GJE3-102)

 

De taal van het hart

In dit verhaal zegt Petrus nu alweer negen maanden bij Jezus te zijn. Hij vraagt zich af waarom hij en de anderen niet zo kunnen spreken als hun vriend Philopold uit Kana bij Kis. Jezus moet dan voor de zoveelste keer Petrus erop wijzen, hoe lang Hij hun nog verdragen moet, voordat zij diep in hun harten daarvan iets begrijpen. Zij moeten meer in hun hart denken en niet zoveel in hun hoofd om de volle waarheid te bereiken. Op deze wijze kan hen dit werkelijk vrij maken. Maar Heer, zegt Petrus, dit proberen we al zo vaak. Het lukt maar niet met dat denken in het hart. Zo nu en dan voel ik wel wat woorden in mijn hart, maar dat kan ik toch geen gedachten noemen. Het komt mij voor, nadat deze in het hoofd gedacht worden, eerst dan in mijn hart tevoorschijn komen. Jezus zegt: ‘Dat is een begin!’ Oefen daarin en jullie zullen dan zover komen, dat je in je hart tot de diepste en meest vrije gedachten komt! Jullie zullen vooral verder komen na Mijn thuiskeer!’ Dat begrepen de leerlingen niet. Daarop antwoordde de Heer: ‘Ik zal wel tot aan het eind der aarde die mensen blijven helpen die van goede wil zijn en ook wonderen blijven doen, maar niet in dit lichaam tot aan het eind der aarde onder de mensen wandelen. Ik zal Mij aan allen openbaren, die Mijn geboden onderhouden, maar niet in dit lichaam!’ (GJE3-184)

Een beproeving voor de leerlingen

Nadat Jezus in de openbare school te Kapernaüm had gepredikt, vroeg Hij aan Zijn leerlingen, of ook zij soms wilden weggaan. Maar Petrus vraagt waar zij dan naar toe moeten. U alleen heeft voor ons de levenswoorden, ook al begrijpen wij deze niet altijd. Wij hebben U meteen al vanaf het begin geloofd en erkend, dat U de Christus bent en de levende Zoon van God. Wij kunnen U onmogelijk meer verlaten. Verstoot ons niet en heb geduld met onze zwakheid. Jezus zegt, dat het zo goed en juist is en ook zo blijft. Dan onthult Jezus, dat Hij een jaar geleden nog in de streek van Kapernaüm hen uit veel leerlingen tot twaalf discipelen heeft verkozen, maar dat er toch één onder hen is, die een duivel is. (GJE6-46) en Johannes 6:67-70)

www.zelfbeschouwing.info