Tekstvak: Recht op Abortus?

Abortus betekent een gerichte onderbreking van een zwangerschap bij vrouwen.

Volgens  de  persberichten  zijn  er  jaarlijks  alleen  al  in  Duitsland over

100.000 abortussen geregistreerd, zonder een veilig aanzienlijk grijs gebied. Als redenen voor zulke ‘afdrijvingen’ worden genoemd: verkrachting, arbeidsongeschiktheid, financiële redenen of het past gewoon even niet...

 

Bestaat er een recht op abortus?

 

Het menselijk leven is iets kostbaars, dat zich volgens de Nieuwe Openbaringen opbouwt uit mineraal, plant, dier tot een mens en is om  die reden de ‘sluitsteen van de uiterlijke, materiële schepping, waarin hij de kroon van de schepping wordt genoemd en als zodanig wordt geprezen, anderzijds is hij het beginpunt van de zuiver geestelijke wereld, die met hem de eerste fase van het volledig vrije zelfbewustzijn heeft bereikt’. (GJE.11_009,08)

 

Reeds in het Oude Testament betekent dat:

 

“Eer dat Ik u in moeders buik formeerde,  heb Ik u gekend,   en eer   dat   gij   uit   de   baarmoeder   voortkwam, heb   Ik   u geheiligd;…” (Jer 1,5)

 

De hoofdvraag is, wanneer begint het leven eigenlijk, tijdens de daad van voortplanting, of eerst op een later tijdstip, zodat een abortus kan worden gerechtvaardigd?


Passages uit het Nieuwe Openbaring:

 

Als echtgenoten zich dan door de natuurlijke drang gedrongen voelen om geslachtsgemeenschap te hebben, ontvangt de geheel rijpe vrije natuurziel, die zich het dichtst bij het echtpaar bevindt, uit de uitstralende aura een teken, of wordt door de toegenomen kracht van de uitstraling van de echtgenoten als gelijksoortig aangetrokken. Met een zekere dwang dringt zij zich tijdens de geslachtsgemeenschap in de stroom van de man en wordt daardoor opgenomen in een klein ei, wat men bevruchting noemt. Welnu, vanaf dat moment lijkt de levensziel dan al op een zaadkorrel, die ergens in de aarde werd gezaaid. En in het moederlichaam doorloopt zij alle stadia tot de geboorte in de wereld net eender als de zaadkorrel in de aarde tot de kiem boven de aarde uitkomt!”(GJE.02_216,04)

Raphael:   ,,.Wel  heeft  de  vrouwelijke  mens  ook  reeds  een  natuurlijke stof in zich; zodra de verwekking op de iedereen bekende wijze plaatsvindt, wordt ook een klompje daarvan bevrucht en geactiveerd, maar het wordt nadat het als een druif van een druiventros losgetrokken is; op een daarvoor bestemde plaats gebracht. Daarbij voegt zich dan een reeds rijpe ziel, die gedurende enige tijd deze levensdruif verzorgt tot de daarin aanwezige stof zich zo ver heeft ontwikkeld dat de zich steeds meer samenballende ziel in het nog vloeibare, losse embryo kan binnendringen, waarvoor de ziel ongeveer twee maanden tijd nodig  heeft. Heeft zij het embryo in het moederlijf geheel in haar bezit, dan wordt het kind meteen voelbaar levend en groeit vervolgens ook snel tot normale grootte. (GJE.04_120,15f)

Wel, het zaaien van het gezonde mooie zaad komt overeen met de eerste wording van de mens! Het is als het in een vleselijk omhulsel brengen     van     de     op     zichzelf     al     geheel     gevormde     ziel.” (GJE.02_216,02)

Ja, Mijn vriend, een zon, een Aarde en alle dingen daarop te scheppen  is eenvoudig! Daar is niet zo'n lange tijd voor nodig. Ook  gerichte dieren en plantenzielen scheppen is niet moeilijker. Maar een ziel maken, die in alles volledig aan Mij gelijk is, is ook voor de almachtige Schepper een bijzonder moeilijke zaak, omdat  almacht Mij daar niet bij kan helpen, maar alleen wijsheid en het grootste geduld en de grootste lankmoedigheid! (GJE.04_246,05)

Het leven begint dus al met de voortplantingsdaad, waarin al een klare ziel (etherische substantie) wordt aangetrokken.

Wat betekent nu een afbreuk van de reeds begonnen zielsmatige- geestelijke ontwikkeling van het embryo?


In “De geestelijke Zon”, deel 2, het schoolhuis van de 12 goddelijke geboden “je zult niet doden”, 11e  alinea, wordt verklaard:

“Zeg dus in plaats van: je zult niet doden – je zult niet vernielen, noch jezelf, noch alles van datgene, wat van je broeder is; want de instandhouding is de eeuwige grondwet in God Zelf, dientengevolge Hij eeuwig en eindeloos is in Zijn macht. Omdat echter op de Aarde  ook het mensenlichaam tot voor God een bepaalde tijd voor de eeuwigdurende ontwikkeling van de geest noodzakelijk is, zo heeft zonder een nadrukkelijk gebod van God niemand het recht, eigenwillig noch zijn eigen lichaam noch die van zijn broeder [een embryo] te vernielen.

 

Wanneer hier dus over de aangeboden instandhouding wordt verhaald, dan spreekt het echter ook voor zichzelf, dat iedereen nog minder is gerechtvaardigd, de geest van zijn broeder, zoals ook de zijne -  door welk middel dan ook, te vernietigen en voor de verkrijging van het eeuwige leven onbekwaam te maken. God doodt weliswaar voortdurend mensenlichamen; maar op de juiste tijd, als de geest of op de een of andere wijze ergens een bepaalde rijpheid verworven heeft.

 

Ook de engelen van de hemel, als eeuwigdurende dienaren van God, wurgen zich in een weg in mensenlichamen op Aarde; maar niet eerder, dan tot ze van de Heer de opdracht krijgen, en dan slechts op die aard en wijze, zoals het de Heer wil hebben.” [Geestelijke Zon-2-78,11 e.v.]

 

'Heeft God hun dan daarom het lichamelijke leven (embryo) gegeven om te vernietigen?! Het leven van het lichaam is het middel dat God de mens gegeven heeft waardoor hij het leven van de ziel voor eeuwig kan en moet verkrijgen. Als hij echter het middel van te voren vernietigt, hoe moet hij dan het leven van zijn ziel behouden en eigenlijk eerst verkrijgen? Als een wever eerst zijn weefstoel stuk maakt en vernietigt, hoe kan hij dan daarna zijn linnen weven?’ (GJE.06_163,2)

 

Door een stopzetting van de zwangerschap wordt de ontwikkeling van het embryo verhinderd. Dat impliceert, dat het natuurmatige deel wordt gedood. De ten gevolge van de geslachtsdaad al ontwikkelde ziel kan echter niet gedood worden, haar wordt een ontwikkeling op onze Aarde resp. via de genoopte ‘levensproef’ (proef van de wilsvrijheid) genomen. De geestziel moet daarom de onontwikkeld in het geestelijke kinderrijk binnentreden en moet op een aanzienlijk langere en moeizame weg de nodige loutering doormaken. (bron: Geestelijke Zon, deel 2 – hfdst.73-11 en hfdst. 122-1-6,10)


“Wie bij een mens of ook een dier onverschillig kan toezien hoe deze sterft, in diens hart is weinig liefde te vinden. Want waar ware en levende liefde aanwezig is, daar bevindt zich ook echt medelijden en ware ontferming. Hoe kan iemand, die zich verlustigt in het pijnlijke sterven van zijn medemens nog een naastenliefde hebben? Weg daarom met alles wat onwaardig is voor het hart van een goed mens!” (GEJ.07_094,11)

 


 

Tekstvak: Wij danken Klaus Opitz hartelijk voor zijn nuttige bijdrage!

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, maart 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens