Koning Abgarus

 

Hij was de 15e koning van Edessa, gelegen in het noordelijke Mesopotamië (13-50 n. Chr.). Hij is bekend door zijn correspondentie met Jezus. Dit verhaal is ook vastgelegd door Eusebius van Cesarea op grond van Syrische documenten uit het archief van de gelovige Essenen, dat in het Grieks werd meegedeeld.

Na de gebeurtenis van Pinksteren heeft Thomas (één van de 12 leerlingen van Jezus)  Thaddeus (één van de 70 leerlingen van Jezus) naar Edessa gezonden en deze  koning bezocht. Hij heeft Abgarum of Abgarus gezond gemaakt in de naam van de Heer – en ook anderen in Edessa en met succes het Evangelie verkondigd.

 

Jezus schreef de koning via de jongeling Jakob van Zebedeus. In het jaar 31 zei Johannes tegen de koning Abgarus, dat zijn zoon wel sterven zal, maar vanwege de grote liefde, in de hemel opgenomen zal worden. De laatste brief ontving de koning in het jaar 32 op 16 maart, enkele maanden voor de kruisiging van Jezus. Koning Abgarus was verwant met keizer Tiberius en hij was een roemrijke heerser over de volkeren aan de andere zijde van de Eufraat. Hij zou de laatste brief ontvangen hebben in het jaar 33 op 16 maart.

 

 

1.13 Het verhaal van de vorst van Edessa

1. Nu zal ik het verhaal van Thaddeus vertellen, dat ik al aankondig­de. Onze Heere en Heiland Jezus Christus werd vanwege zijn godde­lijkheid alom bekend. Omdat Hij de kracht had wonderwerken te doen, trokken grote groepen naar Hem toe, uit den vreemde en uit de ver gelegen gebieden van Judea; de mensen hoopten genezen te wor­den van hun ziekten en allerlei aandoeningen.

2. Zo was er ook Abgarus, roemrijk heerser over de volken aan gen zijde van de Eufraat. De man werd verteerd door een verschrikkelijk ziekte, die niet door mensen te genezen was. Hij hoorde toen verschillende keren de naam van Jezus; allerlei mensen bevestigden d wonderen die Jezus deed. Abgarus liet door een bode een verzoekschrift overbrengen met de vraag om van zijn ziekte genezen te wor­den.

3. Op dat moment ging Jezus niet in op de oproep om te komen. Maar Hij keurde hem wel waardig om Zelf een brief aan hem te zenden met de belofte één van Zijn discipelen te sturen om Abgarus’ kwaal te

genezen, en tot bevordering van het heil van de koning en al de zij­nen.

4. Het duurde niet lang of de belofte aan Abgarus werd vervuld. Na de opstanding uit de doden en de hemelvaart kreeg Thomas, één van de twaalf apostelen een goddelijke ingeving; hij zond toen Thaddeüs, die als één van de zeventig discipelen van Christus gerekend werd, naar Edessa om daar als een heraut en een evangelist de boodschap

van Christus te verkondigen. Door zijn zending werden alle beloften van onze Heiland vervuld.

5. Je hebt voor deze dingen een schriftelijk getuigenis, dat bewaard wordt in de openbare archieven van de stad Edessa, die vroeger onder koninklijk beheer stond van koning Abgarus. De archiefstukken ge­ven toegang tot het verleden van de daden van Abgarus. Maar het is veel aardiger om de brieven zelf te horen. Ik heb ze uit de archieven overgenomen en letterlijk uit de Syrische[1] taal vertaald.

 

Kopie van de brief die koning Abgarus aan Jezus schreef en door de koerier Ananias naar Hem in Jeruzalem liet brengen.

 

6. Abgarus Uchama, vorst, aan Jezus, de goede Heiland, die in het land van Jeru­zalem verschenen is: gegroet.

Ik heb berichten gehoord over u en over de genezingen, die u bewerkte zonder medicijn of kruiden te gebruiken. Ze zeggen, dat u blinden weer laat zien, lam­men laat lopen, leprapatiënten reinigt, onreine geesten en demonen uitwerpt, ernstig zieken van hun plaag verlost en doden opwekt.

7. Toen ik al die dingen over U hoorde, dacht ik bij mezelf: Het is van tweeën één; of u bent God, die uit de hemel gekomen bent en deze dingen doet, of u doet ze omdat 1.1 de Zoon van God bent.

8. Daarom schrijf ik U met het verzoek om mij te bezoeken en de ziekte waaraan ik lijd te genezen.

Ik hoorde ook dat de Joden zich tegen U verzetten en van plan zijn om U onscha­delijk te maken. De stadstaat waarover ik regeer is wel klein maar ook goed: er is genoeg plaats voor ons allebei.

 

9. Hij schreef deze dingen, toen de goddelijke verlichting hem een ogenblik bestraalde. Het is de moeite waard om te vernemen wat hem via dezelfde bezorger namens Jezus werd gestuurd; dat antwoord bevat slechts een paar regels, maar het is vol van kracht; het luidt als volgt:[2]

Het antwoord van Jezus aan koning Abgarus, gebracht door koerier Ananias.

 

10. Gelukkig bent u, Abgarus, omdat gij in Mij geloofd hebt zonder Mij te zien. Er staat immers over Mij geschreven, dat er zijn die Mij gezien hebben maar niet geloven; en ook dat anderen die Mij niet gezien hebben zullen geloven en leven(verg. Joh. 20:29).

In uw schrijven vroeg u of Ik naar u toe wilde komen; Ik moet echter alle dingen waartoe Ik gezonden ben hier volvoeren. Nadat deze zaken volbracht zijn, zal Hij, die Mij gezonden heeft, Mij weer ontvangen. Nadat ik opgenomen ben, zal Ik u één van Mijn discipelen sturen; die zal uw kwaal genezen en u en de uwen leven

schenken.

 

11. Aan deze brieven was er ook nog een aanhangsel in de Syrische taal bijgevoegd. Dat luidt als volgt:

“Na de hemelvaart van Jezus zond Judas, ook wel Thomas geheten, Thaddeüs, de apostel, één van de zeventig discipelen. Na aankomst verbleef hij in het huis van Tobias, de zoon van Tobias.

12. Men hoorde over Thaddeüs en liet Abgarus weten, dat er een apostel van Jezus was aangekomen, zoals Hij geschreven had. Thaddeüs begon door Gods kracht allerlei ziekten en kwalen te genezen, zodat iedereen zich verwonderde. Toen Abgarus hoorde welke machtige wonderwerken hij verrichtte en dat hij mensen genas, begreep hij dat dit de persoon was over wie Jezus had geschreven met deze woorden: Nadat ik opgenomen ben, zal ik u één van mijn discipelen sturen; die zal uw kwaal genezen.

13. Daarom liet Abgarus Tobias halen, bij wie de discipel verbleef en zei: Ik heb gehoord dat iemand uit Jeruzalem bij u is komen logeren en dat die man grote kracht heeft; breng hem bij me. Tobias keerde terug naar Thaddeüs en zei tegen hem: Vorst Abgarus liet mij bij zich komen; hij zei mij dat ik u bij hem moest brengen, zodat u zijn kwaal kunt genezen. Thaddeüs antwoordde: Ik kom al; ik ben met kracht tot hem uitgezonden.

14. De volgende dag stond Tobias vroeg op en ging met Thaddeüs op naar Ab­garus. De edelen waren er al en stonden om de koning heen. Zodra Thaddeüs binnen kwam, zag Abgarus een buitengewoon teken op Thaddeüs’ gezicht; zodra de vorst dat zag, boog hij zich voor de apostel neer. De anderen stonden er vreemd bij te kijken; want het visioen dat Abgarus alleen had gezien was hen niet opgevallen.

15. Abgarus vroeg aan Thaddeüs: Bent u echt een discipel van Jezus de Zoon van God? Want Jezus heeft mij gezegd: Ik zal u één van Mijn discipelen sturen; die zal uw kwaal genezen en u leven schenken. Thaddeüs: Ik ben tot u gezonden omdat u een groot vertrouwen had in Hem, Die mij stuurde; en daarom, als u werkelijk in Hem gelooft, zoals u in Hem geloofde, zal de wens van uw hart vervuld worden.

16. Abgarus antwoordde: Ik geloof in Hem; zozeer zelfs, dat ik besloten had om met een legermacht de Joden die Hem kruisigden te vernietigen; maar door ontzag voor het Romeinse rijk ben ik van mijn plan afgehouden. Thaddeüs gaf ten antwoord: Onze Heere heeft de wil van zijn Vader ten uitvoer gebracht; na de vervulling daaraan is Hij weer opgenomen bij de Vader.

17. Abgarus zei tot hem: Ik geloof in Hem en in Zijn Vader. Toen zei Thaddeüs: Daarom, leg ik u de handen op in Zijn Naam. Zodra hij dit deed, werd Abgarus genezen van de pijnlijke ziekte waaraan hij leed.

18. Abgarus verwonderde zich erover dat wat hij over Jezus gehoord had precies zo was uitgekomen; dat hij genezen was door Zijn discipel Thaddeüs, die hem zonder medicijnen en kruiden geholpen had. Nog groter werd zijn verwondering toen ook Abdas, de zoon van Abdas, genezen werd van zijn jicht; Abdas was naar hem toegegaan en aan zijn voeten neergeknield; toen legde Thaddeüs hem de han­den op: ook Abdas was van zijn kwaal genezen. De apostel Thaddeüs genas nog veel meer mensen in die stad; hij verrichtte machtige wonderdaden en predikte het woord van God.

19. Later zei Abgarus: Thaddeüs, we zijn zeer verwonderd, u doet deze dingen door Gods kracht; maar bovendien wil ik u vragen mij over Jezus’ komst te ver­tellen, en over Zijn krachten waardoor Hij de werken kon doen waarover ik ge­hoord heb.

20. Thaddeüs gaf toen ten antwoord: Nú zal ik zwijgen; toch ben ik gezonden om het Woord te verkondigen; daarom, verzamel morgen al uw burgers; dan zal ik het Woord van God aan hen verkondigen en de boodschap van het leven uitzaai­en. Ik zal ook over Jezus’ komst vertellen, en over Zijn zending, en waarom de Vader Hem zond. Ik zal vertellen over Zijn machtige werken en over de geheime­nissen die Hij in de wereld onthulde. Ook over de kracht waarmee Hij deze dingen deed en over Zijn nieuwe prediking. Hij was bescheiden en nederig; ik zal u vertellen hoe Hij Zich vernederde, Zijn Godheid heeft afgelegd en Zich klein gemaakt. Hij werd gekruisigd en daalde af tot in de hel. Maar Hij verbrak de kete­nen, die nog nooit waren gebroken, en wekte de doden op. En zo, hoewel alleen afgedaald, steeg Hij met een grote menigte weer op naar Zijn Vader.

21. Abgarus gaf inderdaad bevel om zijn onderdanen de volgende ochtend vroeg te laten roepen; ze konden dan de boodschap van Thaddeüs beluisteren. Daarna beval Abgarus om goud en kostbaarheden aan Thaddeüs te geven. Maar deze wilde dat niet aannemen; hij zei: Wij hebben ons eigen bezit achtergelaten; zouden we dan aannemen wat anderen toebehoort?”

 

22. Tot zover dit verhaal. Deze dingen werden gedaan in het 340ste jaar. Ik heb ze letterlijk uit de Syrische taal vertaald en hoop dat de lezer er profijt van heeft.[3]  

www.zelfbeschouwing.info 

 



[1] Is de Aramese taal

[2] Deze paragraaf komt niet in alle handschriften voor.

[3] Dit is kennelijk gedateerd volgens de tijdrekening van de Seleuciden. Deze begon 312 v. Chr. jaartelling. Volgens nieuwe chronologen in het 311 v. Chr. De berekening is als volgt: ca. 310,5 jaar 9= in het 311e jaar) voor de Chr. jaartelling en 29,5 jaar (= in het 30e jaar) ná Chr. Jaar; vormt samen 340 jaar. Eventueel jaar 29 na Chr. jaar.