Aartsengelen

 

[De vicekeizer Cyrenius is in gesprek met een aartsengel. Jakob Lorber ontving in 1840 het volgende van de Heer]:

Een aantal engelen in de hemel verlangen naar Hun Heer op Aarde en baden Hem te mogen bezoeken en zich dienstbaar te maken. Dit mochten ze doen bij Jozef en zij molken de koeien die extra melk gaven en kookten het eten – zij volgden met wel heel bijzondere eerbied de zonen van Jozef naar het kindje Jezus. [Opmerking: dit was tijdens het driejarig verblijf in Egypte – in Ostracine] Toen zij het kindje gena­derd waren, vielen zij op hun knieën neer en aanbaden Het. Maar het Kindje kwam overeind, wendde Zich tot de jongelingen en zei: 'Staat op, jul­lie aartsengelen van Mijn onein­dige hemelen! Jullie gebed heb Ik ver­hoord! Jullie liefde wil Mij - ook hier in Mijn nederigheid graag dienen. Maar Ik, Die van alle eeuwigheid jullie Meester ben, heb jullie diensten hier nog nooit no­dig gehad! Maar, omdat jullie liefde zo hevig is, geef Ik jullie toestem­ming om hier drie aardse dagen te blijven, dan kunnen jullie je dien­sten aan dit huisgezin verlenen. Maar laat niemand - behalve dan de huisgenoten - hier­ merken wie jullie zijn! De aartsengelen als jonge­lingen weenden zelfs van geluk, en zij getuigden: 'Werkelijk, voor onze blik­ken zijn eeuwigheden van de grootste zaligheid vervlogen. Maar al die verrukkelijke eeuwigheden zijn nu achterhaald, nu wij op dit ogenblik aan één tafel mogen eten met de Heer Zelf, aan één tafel ook met Zijn kinderen onder welke Hij in heel Zijn Volheid aanwezig is! O Heer, laat ook ons Uw kinderen mogen worden.(bron: jeugd van Jezus, hfdst.114)

 

Het kindje Jezus tegen Cyrenius; ‘Deze Mijn dienaren (Zuriël en Gabriël), die je hier ziet als zachtaardige jonge­lingen, houden heel de schepping onder controle. Ieder hemellichaam, elke zon, moet aan hen geringste wen­ken gehoorzamen! Je ziet dus, dat Ik hun een bijna onbegrensde macht heb toebedeeld. (bron: de jeugd van Jezus, hfdst. 152)

 

‘De beide ENGELEN zeggen: "Zo wil Hij het Zelf, want de kinderen hebben altijd al het recht om naar hartenlust met de Vader te spreken! Praat daarom niet over domme dingen en omstandigheden, want aan jou ligt het niet dat je een mens bent, maar alleen aan Hem, die jou zo, zoals je bent, uit Zich Zelf heeft geschapen en Zich daarbij door niemand heeft laten raden dan alleen door Zichzelf. Hoe zou Hij dan ook iets aan een ander dan slechts Zich Zelf hebben kunnen vragen, terwijl er buiten Hem geen enkel wezen in de gehele oneindigheid bestond?!  Als je dus met Hem spreekt als met je gelijke, doe je daar heel goed aan, want God heeft niemand buiten Zichzelf waarmee Hij zou kunnen spreken’.

 

‘Maar Zijn schepselen, die uit Hem zijn voortgekomen, zijn zo vrij, dat ze nu met God kunnen spreken en God met hen spreekt, als de ene mens met de andere, en daarom is het volkomen juist, dat jij met Hem spreekt als met je gelijke; want het schepsel is zijn Schepper waard en de Schepper Zijn schepsel. Ieder schepsel is een getuigenis van de almacht, wijsheid en liefde van God. Zonder Zijn macht is ook de machtigste geest niet in staat om uit zichzelf iets te scheppen; dat kan slechts God! Maar omdat ieder schepsel een getuigenis is van de goddelijke almacht, wijsheid en liefde, waarom zou het dan niet zijn schepper waard zijn?’

 

CYRENIUS zegt: "O buitengewoon wijze dienaren van de almachtige God hoe helder en bezonnen zijn jullie zeer wijze lessen! Ja, zo is het! De mens hoeft zich echt niet te schamen voor wat hij is, want hij is het waarste meesterwerk van de schepper, als hij volgens de in vrijheid aanvaarde wil van God leeft. Maar als een mens tegen de wil van God handelt, dan geloof ik dat hij zichzelf verknoeit en niet meer voldoet aan datgene wat hij in den beginne was en eeuwig zijn en blijven moet. Zo moet dan de zonde een handeling zijn tegen de oorspronkelijke orde van God, waardoor de mens zelf, als schepper van het in hem tot ontwikkeling komende deel, zijn eigen aan‑God‑gelijk‑moeten‑wordende natuur verprutst en daardoor zichzelf onwaardig maakt om een schepsel van de eeuwige almachtige Meester te zijn!"

 

De ENGELEN zeggen: "Daar heb je helemaal gelijk in! Ieder mens blijft in zoverre wel een waardig meesterwerk van God, omdat hij door zijn vorm, deugdelijkheid, kunde en levende vrijheid In zekere zin een echte machine is, waarin de geest zich vrij en levend kan uiten. Maar voor wat betreft de noodzakelijkerwijs aan zichzelf overgelaten morele ontwikkeling van zijn hart en zijn ziel, kan hij zich zelf verlagen tot een gedrocht uit de hel en juist de grootste zonde begaan, door In zichzelf het grootste meesterwerk van God om te vormen tot een erbarmelijke God onwaardig knoeiwerk, waarop het dan God Zelf veel moeite kost en een onbegrijpelijk geduld om van het verknoeide werk weer een meesterwerk te maken. Vanwege het onnoemelijk grote aantal werken, dat zichzelf verprutst heeft, is nu juist de Meester Zelf ditmaal In deze wereld gekomen om die werken voor alle tijden der tijden in orde te maken! Maar de werken zullen zich ook in het vervolg blijven bederven, daarom zal Hij op deze wereld een nieuw instituut vestigen, waarin alle bedorven werken zich zelf in orde kunnen maken. Maar wie uit vrije wil geen gebruik van dit instituut zal willen maken, blijft eeuwig bedorven, tenzij zijn wil zich ooit zal veranderen!’

 

‘Alleen dat wat de mens vrij uit zichzelf doet baat de mens. Al het andere brengt hem veel schade toe. Het gaat alleen door de ware leer en vervolgens door in vrije zelfbeschikking te handelen en te wandelen volgens de gehoorde leer, die overal aan iedereen de goed verlichte weg van de goddelijke orde openbaart’. bron: GJE2-58

 

Jozef van Maria: ‘We zijn op deze Aarde im­mers maar op doorreis en met de Heer als onze Gids!

www.zelfbeschouwing.info