Aarde en haar bestemming

[De Heer zei tegen zijn leerlingen, ca. 2000 jaar geleden – en in 1840 via de schrijfknecht Jakob Lorber]: ‘De Aarde van ons zou op die enorme Zon misschien als een nauwelijks merkbaar stofje te zien zijn. Juich daarom, Aarde, jij, die uit de talloze werelden werd uitverkoren, omdat de Heer der eeuwigheid met Zijn voeten jouw bodem betreedt en Zijn heilige stem in jouw lucht laat klinken.

 

De aardse tijd heeft daarvoor weliswaar geen maat, ‑ maar wel een hele oergrond middenzon! Als die eenmaal aan zijn einde komt, zal ook de nog steeds mogelijke ommekeer van de satan niet meer veraf zijn, maar waar zal deze Aarde dan al zijn en deze Zon?!

 

Want een lichaam zoals de oergrond-middenzon, heeft een voor jou ondenkbare tijd nodig, tot al het geoordeelde leven, dat zich in haar bevindt en dat nu schijnbaar dode materie is, tot op het laatste stofje overgaat in het vrije geestelijke leven!

 

De Aarde is als een schip, dat eindeloos veel mensen herbergt op de zee van de onein­digheid? Want de vaste bestemming van de Aarde is nu eenmaal, om daar de kinderen van Gods geest voor de gehele oneindigheid op te voeden. Daarvoor is het nodig, dat de bodem altijd eerder hard en mager, dan los en vet wordt gehouden.

 

Wat God toelaat is goed en uiteindelijk is voor een geheel rein mens, alles rein wat de Aarde in en op en boven zich draagt. Want weet, dat dit aardse leven maar erg kort duurt; daarna komt de eindeloze eeuwigheid. bron: GJE1-70 - GJE2-142, 150,152, 205

www.zelfbeschouwing.info